De Volkskrant, 25-09-2010, door  Malou van Hintum .2010

Baby ziet een smiley lachen

Wat ziet en hoort een baby? En wat doet ie ermee? In het Baby Research Center in Nijmegen volgen onderzoekers kruipende, kijkende en luisterende hummels.

Tussentitels: Baby’s kunnen ook op iets anticiperen
                   'We begrijpen steeds beter hoe baby's de wereld waarnemen'

Baby Hugo kijkt samen met zijn moeder naar een monitor waarop een pratend vrouwengezicht is te zien. De mond van de vrouw verdwijnt af en toe achter een grote witte vlek. Van tevoren is er een muts met 32 elektroden op Hugo’s hoofdje gezet, zodat duidelijk is wanneer welke hersengebieden actief zijn als hij de beelden bekijkt.

Onderzoekers van het Baby Research Center Nijmegen kijken in een kamer ernaast op een andere monitor naar zijn reactie op het pratende hoofd. Als Hugo zijn aandacht verliest, wordt er een figuurtje getoond dat afwisselend groter en kleiner wordt, of een fragment waarin de clown Buma optreedt. ‘Dat werkt altijd’, lacht promovenda Janny Stapel. Intussen verschijnen op een ander scherm de e.e.g.-waarden: 32 hobbelige lijntjes die later worden geanalyseerd.

Psycholoog Sabine Hunnius, directeur van het Baby Research Center: ‘In dit onderzoek kijken we of baby’s klanken die ze zelf niet kunnen produceren, anders waarnemen en verwerken dan klanken die ze wel zelf kunnen maken. Een mogelijke aanwijzing hiervoor komt voort uit een eerder onderzoek van ons. Dat liet zien dat de motorische gebieden in de hersenen van baby’s met kruipervaring actiever worden bij het bekijken van beelden van andere kruipende baby’s – actiever dan bij baby’s die niet kunnen kruipen en diezelfde beelden zien.

‘We zijn benieuwd of voor taalontwikkeling iets vergelijkbaars geldt. Stel dat dat zo is, is dan alleen de klank voldoende voor dat effect, of moet een baby ook de mondbeweging zien?’

Het babyonderzoekslab, dat verbonden is aan het Donders Institute van de Radboud Universiteit Nijmegen en het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek, vierde deze zomer zijn 10de verjaardag. Op 12 oktober verschijnt Het babybrein, waarin Hunnius en haar collega Michiel van Elk uitleggen welke ontwikkeling baby’s doorlopen.

Nee, zegt Hunnius een paar keer beslist, het is géén boek waarin ouders kunnen opzoeken wat ‘goed’ is of ‘fout’. ‘Ik ben geen pedagoog, wij zijn geen consultatiebureau, en het boek is geen adviesboek. Bovendien: ouders doen heel veel goed uit zichzelf. Samen liedjes zingen, boekjes lezen. Ik zou het wel heel leuk vinden als mensen straks wat meer begrijpen van het gedrag van hun baby.’

Voor wie het toch wil weten: veel Mozart luisteren maakt van je baby in wording geen muzikaal wonder, maar, lacht Hunnius, ‘als het jou als zwangere ontstresst, is het voor je baby ook heel goed’. Toch kan ook een ongeboren baby wel degelijk dingen leren en onthouden. Pasgeboren baby’s herkennen dan ook niet alleen onmiddellijk de stem van hun moeder, maar – dankzij de klanken die ze al in hun moeders buik hebben kunnen horen – ook hun moedertaal.

Babyonderzoek is letterlijk in de huiskamer ontstaan: eind 19de eeuw begonnen wetenschappers het gedrag van hun kinderen te observeren en erover te schrijven. Toen de Amerikaan Robert Fanz in de jaren zestig ontdekte dat het kijkgedrag van baby’s gebruikt kan worden om te onderzoeken hoe ze de wereld waarnemen, nam het onderzoek een hoge vlucht.

De habituatiemethode wordt gebruikt om te onderzoeken welke verschillen baby’s tussen plaatjes kunnen zien, en welke niet. De lengte van de kijkduur is bepalend: een nieuwe of onverwachte prikkel zal tot een langere kijkduur leiden dan een bekende of verwachte. Zo is ontdekt dat baby’s veel actiever hun omgeving verkennen dan eerst werd aangenomen: de baby bleek geen hulpeloos, door instincten gedreven wezentje, maar een competent kind.

Geavanceerdere onderzoeksmethoden laten zien dat baby’s met hun blik ook vooruit kunnen lopen op een handeling, demonstreert labmanager Angela Khadar. Zij gebruikt daarvoor eye-tracking, het met de computer registreren van de oogbewegingen van de baby terwijl hij kijkt naar een beeldscherm waarop een handeling of beweging te zien is.

Het heeft heel wat voeten in de aarde voordat haar enthousiast rondkruipende, twaalf maanden oude proefpersoontje er klaar voor is, maar dan zit Wessel ook bij zijn moeder op schoot. Op het beeldscherm vóór zich ziet hij een tafel met twee schalen. Op een van de schalen is een gele smiley getekend. Achter de tafel zit een mens van wie alleen de romp zichtbaar is. Ineens komt er een geel balletje uit de lucht vallen, de smiley op de ene schaal maakt een lachend geluid, en het balletje valt in de andere schaal. Wessel kijkt steeds even om naar zijn moeder als de smiley lacht, maar houdt zijn aandacht er goed bij.

Na afloop projecteert Khadar de computerbeelden van zijn blikbeweging over de getoonde handelingen heen. Uit de richting van de rode punten en strepen blijkt dat de baby van het balletje via de smiley naar de figuur achter de tafel kijkt, en weer terug naar de schaal waar het balletje in valt. Na een paar keer doet hij dat razendsnel en is hij met zijn ogen al in de kom voordat het balletje erin is gevallen; een teken dat hij anticipeert op wat er komen gaat.

Ander eye-tracking-onderzoek laat zien dat baby’s van zes maanden met hun blikrichting aangeven dat je een kopje naar je mond moet brengen, en niet naar je oor. ‘Zo begrijpen we steeds beter hoe baby’s de wereld waarnemen en hoe die waarnemingsprocessen verlopen’, zegt Hunnius.

In het boek wordt veel verteld over de ontwikkeling en de vaardigheden van baby’s. Op het lab wordt interdisciplinair, fundamenteel, ontwikkelingspsychologisch onderzoek gedaan, waarbij vooral de sociaal-cognitieve ontwikkeling en de taalontwikkeling van baby’s worden onderzocht. Hunnius is zich ervan bewust dat het babygedrag wordt geïnterpreteerd door een volwassen brein, wat het risico van misinterpretaties reëel maakt.

‘We kunnen ons niet losmaken van ons volwassenenperspectief. Dat is met name gevaarlijk wanneer we op basis van het babygedrag proberen vast te stellen welke cognitieve processen hieraan ten grondslag liggen, zoals we dat bijvoorbeeld doen als we intenties toekennen aan gedrag.

‘Zo is er ooit een experiment gedaan waarbij baby’s van veertien maanden een vrouw te zien kregen die met haar hoofd een lichtknop vóór haar op tafel aandeed. De ene keer had ze haar handen op tafel liggen terwijl ze dit deed, de andere keer waren haar handen onder de tafel. De vraag was of de baby vervolgens zelf het licht met zijn hand of met zijn hoofd zou aandoen.

‘Wanneer de baby’s zagen dat de volwassene haar handen niet vrij had, deden ze zelf de handeling alleen maar met hun handen na en bijna nooit met hun hoofd. Het leek er dus op dat de baby’s overwogen of de andere persoon de lamp opzettelijk met het hoofd aandeed, of alleen het hoofd gebruikte omdat de handen niet vrij waren. Maar de twee handelingen die de baby’s zagen, verschilden niet alleen van elkaar in hoe rationeel ze waren, maar ook in hoe makkelijk de baby ze kon nadoen.

‘Baby’s van veertien maanden kúnnen namelijk helemaal niet zonder hun handen te gebruiken hun hoofd diep voorover buigen, want daarvoor is dat hoofd veel te zwaar. Dan vallen ze om.’


Naar Beslissingen , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]