De Volkskrant, 28-03-2015, door Maud Effting okt.2011

Mitchells mond begrijpt zijn hoofd niet

Een op de twintig kinderen heeft een taalontwikkelingsstoornis. Die wordt vaak niet of veel te laat gesignaleerd. Mitchell is zo'n kind. Zijn moeder vertelt.
 

Mitchell is pas tweenhalf jaar oud als hij aanvalt. Hij staat onder de douche met zijn grote broer en hij wil iets. Maar wat precies, dat is onduidelijk. Hij brabbelt iets over 'auti'.
    'Wat zeg je?', zegt zijn vier jaar oudere broer.
Het kleine jongetje stelt zijn vraag opnieuw. Steeds herhaalt hij hem, telkens wat harder. Maar zijn broer begrijpt er niets van. 'Mitchell', zegt hij. 'Wat bedoel je nou?'
    Dan pakt Mitchell de arm van zijn broer met twee handen vast. Met kracht zet hij zijn tanden erin en bijt zo hard als hij kan. Zijn broer gilt.
    'Dat', zegt zijn moeder Ria van Wier uit Amsterdam, 'was het moment waarop we dachten: dit kan niet meer.'

Al tweenhalf jaar vraagt zijn moeder zich af wat er met Mitchell is.
    Het is een zoet jongetje. Rustig. Vrolijk. Stil. 'Hij protesteerde nooit, brabbelde nooit. Als er wat was, dan huilde hij. Maar ook dat deed hij bijna niet.'
    Toch knaagt er iets. 'Ik dacht: ik weet niet wat er is, maar ergens klopt er iets niet.'
Als Mitchell anderhalf jaar oud is, zegt hij drie woorden.
    Ja.
    Nee.
    Mama.
    'Maar nee sprak hij niet uit als nee', zegt zijn moeder. 'Hij zei iets van n. En ook zijn ja klonk niet echt als een ja. Hij sprak klanken raar uit. Nasaal. Alsof er iets blokkeerde.'
    Op het consultatiebureau vertelt ze dat ze zich zorgen maakt. Maar de verpleegkundige wuift het weg. 'Ze zei: nee, mevrouw, maakt u zich niet zo veel zorgen - hij is gewoon laat, dat komt vaker voor.
    Op zijn tweede verjaardag spreekt Mitchell acht woordjes. In een jaar heeft hij er vijf bijgeleerd. Als hij praat, is hij onverstaanbaar.
    Zijn ouders begrijpen het niet. 'Als ik zei: loop naar de keuken, pak een beker en zet hem op tafel, dan deed hij dat. Hij mest die taal wel begrijpen. Aan alles merkten we dat hij een slim mannetje was.'
    Ze vraagt het consultatiebureau om een verwijzing naar de logopedist. Tevergeefs. Ook de huisarts weigert. 'Hij zei: Mitchell is nog veel te jong. Je bent veel te bezorgd, het komt wel goed. Het standaardverhaal.'
    Hetzelfde horen ze van vrienden en bekenden. 'Iedereen kende wel een neefje van een vriend van de buurman die op zijn derde nog niet praatte en bij wie het ook goed kwam. Iedereen zei: maak je niet zo druk.'
    Dan beginnen er woorden te verdwijnen. 'Hij begon ook dingen om te draaien. In plaats van kip zei hij pip. Maar zelf dacht hij dat hij wl kip zei. Hij snapte niet dat anderen dat niet hoorden.'
    Mitchell wordt stil. 'Hij praatte niet meer met andere kinderen, want die begrepen hem toch niet. Ze stonden hem alleen maar raar aan te kijken. Als kinderen iets afpakten, liet hij hen begaan. Eigenlijk kon hij zich nooit verstaanbaar maken. In geen enkele situatie. '
    'Soms probeerden we het te negeren. Dan wisten we best dat hij wilde drinken, maar dan zeiden we: nee, je moet het zelf zeggen. Dan zei hij: pfff. En dan haalde hij het zelf uit de koelkast, zo klein als hij was.'
    Hij zegt zinnetjes als: 'Mama, ik wizj muffele omme kekkes me kukkets.'
Met moeite ontdekt ze wat dat betekent: 'Mama, ik wil onder de dekens knuffelen met de kuikentjes.' Ria: 'Dat wist ik dan alleen omdat we naar een boerderij waren geweest.'
    Ze proberen alles. In het VU medisch centrum in Amsterdam maakt een neuroloog een scan van zijn hersenen. 'Ook hij zei: maakt u zich niet zo druk, het komt wel. Alweer dat verhaal.'
    Na het bijtincident is ze het zat. 'Ik zei: we gaan naar de logopedist, dan betaal ik het zelf wel.' Met tweenhalf jaar wordt hij getest. Zijn taalbegrip blijkt hoog. 'Hij zat op een niveau ver boven zijn leeftijd en had een bovengemiddeld hoog IQ.'
    'Mitchell', vraagt de logopediste. 'Klopt het dat je hoofd het goed weet, maar dat je mond het niet begrijpt?'
    'Ja', zegt Mitchell.
    Dan volgt de conclusie: Mitchell heeft een taalontwikkelingsstoornis, een taal- en spraakstoornis die bij 5 procent van de kinderen voorkomt - evenveel als adhd.
    Dan gaat het snel. Hij komt in behandeling bij het NSDSK, een gespecialiseerd instituut in Amsterdam. 'Zij waren de eersten die zeiden: je hebt het goed gezien.'
    Als ouders horen ze hoe ze ermee moeten omgaan. 'We leerden af hem continu te verbeteren. Dat maakte hem alleen maar onzeker. In plaats daarvan herhaalden we zijn zinnen. Eerst zeiden we bijvoorbeeld: n, het is geen pip. En nu: ja, dat is een kip.'
    Ze stoppen met testen. 'Eerst vroegen we bij alles: Mitchell, wat is dit? Hoe heet dat? Nu speelden we met hem mee. Uren lagen we op de grond. Ooh, wat een mooie blauwe auto, zeiden we dan. En dan wachtten we tot hij begon te praten.' Ook leren ze - tijdelijk - gebarentaal. 'Dat stimuleert hersenen om taal te gebruiken. Ineens leerde hij elke dag nieuwe woorden.'

'Eieluk', zegt Mitchell, 'wjj ik een barsmitvachtwagge.'
    'O', zegt Ria. 'Wil je eigenlijk een Bart Smit-vrachtwagen?'
    Mitchell is nu vier. Zijn woorden zijn soms nog moeilijk verstaanbaar, maar hij maakt wel hele zinnen, zegt Ria. 'Eindelijk voelt hij zich begrepen. Hij praat van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat.'
    Deze stoornis moet echt bekender worden, zegt ze. 'Waarom liggen er geen folders bij het consultatiebureau? Ik had er nog nooit van gehoord. Ik denk dat hij zonder hulp wel meer was gaan praten, dan was het nooit zo goed geweest als nu. Bovendien had ik dan een onzeker en ongelukkig kind gehad. Ik geloof nu dat hij later net zo zal praten als zijn leeftijdgenootjes.'
    In een jaar tijd is hij zo vooruit gegaan dat hij naar een normale basisschool mag, met begeleiding. 'In het begin was er een jongetje dat hem pestte. Hij duwde en sloeg. Even heb ik getwijfeld of we er wel goed aan gedaan. Maar Mitchell heeft geleerd wat hij dan moet zeggen. Dat jongetje is nu zijn beste vriend.'


Tussenstuk:

Stoornis ontwikkeling taal slecht herkend

Kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) worden vaak niet of te laat gesignaleerd. De stoornis komt relatief vaak voor en heeft grote gevolgen voor de rest van hun leven. Toch denken artsen soms onterecht dat de ernstige spraak- en taalproblemen bij deze kinderen vanzelf overgaan.

Dat stellen hoogleraar orthopedagogiek Harry Knoors (Radboud Universiteit) en hoogleraar logopediewetenschap Ellen Gerrits (Universiteit Utrecht).

Kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) hebben grote moeite om zich uit te drukken, terwijl ze meestal wel een normale intelligentie hebben. Bij baby's met TOS komt het praten traag op gang. Later vallen kinderen op doordat ze woorden verhaspelen, vreemd uitspreken, kromme zinnen maken of langzaam praten. Vaak begrijpen ze wel wat anderen zeggen, maar verwerken ze informatie trager.

Onder specialisten is TOS al jaren bekend, maar niet bij het grote publiek. Mogelijk komt dit ook doordat pas anderhalf jaar een eenduidige naam wordt gehanteerd.

'Nogal wat artsen bij consultatiebureaus denken dat dit vanzelf goedkomt', zegt Knoors. 'Ze stellen ouders gerust. Daardoor wordt het vaak pas ontdekt als kinderen allang op school zitten. Dan zijn ze zeven, acht en lopen ze helemaal vast.'

Na het achtste jaar wordt het steeds moeilijker er nog iets aan te doen. 'Dan zijn er kostbare jaren verloren', zegt onderzoeker Nolle Uilenburg van behandelinstituut NSDSK. 'Je kunt de stoornis niet wegnemen, maar als je er vroeg bij bent kun je hem wel beperken.'

Uit verschillende onderzoeken volgt dat zo'n 5 procent van de kinderen een taalontwikkelingsstoornis heeft, zegt Knoors, verbonden aan behandelinstituut Kentalis. 'En dit is nog een conservatieve schatting.' Daarmee zou TOS ongeveer even vaak voorkomen als adhd, en vaker dan autisme. Toch wordt nu maar eenvijfde van de kinderen opgespoord, schat hij.
 

Web extra:
'Een taalstoornis is even beschadigend voor een kind als adhd', zegt hoogleraar Gerrits. 'Kinderen raken gefrustreerd, of worden faalangstig en trekken zich terug.' Vaak ontwikkelen ze gedragsproblemen.

Ook kunnen ze gesprekken met leeftijdgenootjes niet bijhouden. ' Als ze iets willen zeggen, dan is het gesprek al weer drie afslagen verder', vertelt Knoors. ' Als dat vaak genoeg mis gaat, beginnen ze er niet meer aan.' Volgens jeugdarts Margot van Denderen, gespecialiseerd in TOS, worden deze kinderen geregeld gepest en hebben ze later moeite met het vinden van werk.

De helft van de consultatiebureaus werkt met een verouderde screeningsmethode, zegt Knoors. Inmiddels is er een betere 'test', maar die is niet verplicht.

'Het klopt dat de signalering verbeterd kan worden', erkent het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid dat richtlijnen ontwikkelt voor consultatiebureaus. 'Het is belangrijk dat dit gebeurt, maar het kost tijd. Meer dan de helft van de bureaus is er mee bezig of heeft hem ingevoerd. Maar de kennis hierover is nog niet zo lang algemeen bekend.'

Toch zijn het juist ouders en huisartsen die vaak afwachten, zegt Lucy Smit van de vereniging van jeugdartsen. ' Met twee jaar moeten kinderen zinnetjes van twee woorden kunnen produceren, zoals: papa, kijk. Of: mama, eten. Dat is een harde grens. Maar sommige ouders vinden het lastig te zien dat minder dan dit niet voldoende is. Ook huisartsen en de omgeving zijn vaak vergoelijkend.' Probleem hiermee is wel dat ze soms gelijk hebben, zegt ze: niet elke taalachterstand betekent TOS.

Is TOS nu wr iets nieuws in het rijtje adhd, autisme, pdd-nos? 'Tja, dat zeggen mensen die tegen labelen zijn', zegt Gerrits. Wij horen heel vaak: had ik maar geweten dat mijn kind TOS had. Vage omschrijvingen helpen echt niet bij het vinden van de juiste zorg.'


 

IRP:  

 

Naar Neurologie, organisatie Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .

[an error occurred while processing this directive]