Bronnen bij Neurologie, taal, ontstaan: evolutie

Het aangeboren zijn van taal is één van het soort stellingen die onwaarschijnlijk zijn omdat het ingaat tegen de meest bewezen theorie omtrent het ontstaan van wat dan ook: de evolutietheorie. En prompt wordt op een gegeven moment ook bewijs gevonden dat in evolutionaire richting wijst (de Volkskrant, 16-04-2011, door Mieke Zijlmans):
  Niks zwarte doos: taal heeft evolutie en tijd nodig

Volgens vier onderzoekers uit Nijmegen en Nieuw-Zeeland kan het hele verhaal over ons aangeboren taalvermogen de prullenbak in.

Dat baby's elke willekeurige taal van de wereld kunnen leren heeft niets te maken met een aangeboren taalvermogen, zoals taalkundigen de aflopen vijftig jaar betoogden. ...
    De Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky (1928) lanceerde in de jaren vijftig zijn theorie over de universele grammatica: talen lijken op elkaar omdat mensen een aangeboren taalvermogen hebben. Dat taalvermogen wordt beeldend voorgesteld als een zwarte doos in de hersenen. Wanneer baby's hun moedertaal gaan leren, kunnen ze de knoppen van die doos instellen op de eigenschappen die kenmerkend zijn voor die taal.   ...

Het oude verhaal, dat enige overeenkomsten heeft met het monotheïstische, Joodse, scheppingsverhaal. En alleen al daarom minder waarschijnlijk is.
  Vier onderzoekers uit Nijmegen en Auckland (Nieuw-Zeeland) hebben een evolutietheorie opgesteld over het ontstaan van talen. Ze gebruiken geavanceerde computerprogramma's, gepikt van de moleculaire biologie, en voeden die met de grammaticale kenmerken. Zo laten ze zien hoe talen evolueren. Daarmee kan wat hen betreft het hele verhaal over het aangeboren taalvermogen de prullenbak in.   ...
    Wereldwijd worden vermoedelijk 7.000 talen gesproken. Van zo'n 2.400 talen bestaan grammaticale beschrijvingen, vroeg of laat opgetekend door taalkundigen. Die grammatica's hebben ze gebruikt voor hun onderzoek.
    Ze zijn begonnen met de stambomen van de vier grote taalfamilies. De Austronesische: 1.268 stuks, met wortels tot 5.200 jaar oud. De Indo-Europese: 449 talen, tot 8.700 jaar oud. De Bantu-talen: zo'n 600, tot 4.000 jaar oud. En de Uto-Azteekse familie: 61 talen, die teruggaan tot 5.000 jaar geleden.
    De onderzoekers hebben die stambomen uitgeplozen op acht grammaticale eigenschappen die gaan over de woordvolgorde. Dat is het duidelijkste kenmerk waarmee talen zich onderling onderscheiden: de volgorde waarin de woorden in een zin moeten staan.
    Een voorbeeld: zeggen mensen 'ik zag de jongen', of 'ik de jongen zag'? De plaats in de zin waar de persoonsvorm komt te staan, kan per taalfamilie verschillen. Nog een voorbeeld. De plaats van het voorzetsel kan variëren: in de ene taal is het 'in de boot', in de andere 'de boot in'. Op die manier ligt ook de plaats in de zin van het lijdend voorwerp niet vast, of die van bijzinnen. En het bijvoeglijk naamwoord kan voor of achter het zelfstandig naamwoord komen te staan: 'een mooie dag' of 'een dag mooi'.
    Michael Dunn: 'Wij proberen te voorspellen hoe dit soort eigenschappen door de tijden heen evolueert. We bekijken met elkaar samenhangende veranderingen, per taal of per taalfamilie.' De taalkundigen concluderen dat niet alleen de regels per taalfamilie sterk verschillen, maar dat die ook op heel verschillende manieren veranderen. 'Talen evolueren langs verschillende paden, afhankelijk van de eigenschappen van de familie en van de dagelijkse gebruiken van de uiteindelijke sprekers.'   ...
    Als je de veranderingen analyseert, is die evolutie taalkundig verklaarbaar. Er is daarentegen geen biologische verklaring voor te geven. 'Als we allemaal eenzelfde zwarte doos in ons hoofd zouden hebben, zou die evolutie in alle talen hetzelfde verlopen.'
    Conclusie: de talen verschillen grammaticaal dermate veel van elkaar, dat je met geen mogelijkheid kunt volhouden dat er zoiets bestaat als een universele grammatica, een beperkte structuur waarop alle grammatica's kunnen worden teruggevoerd. Talen zijn gewoon per familie in de loop der tijden geëvolueerd, net als planten, dieren en mensen.


Het lijkt er op dat de mens zich in ieder geval onbewust gewaar is van het idee van de koppeling tussen gebaren en taal, in de vorm: hoe verder in de evolutie, hoe minder gebruik van gebaar (de Volkskrant, 28-05-2011, door Malou van Hintum):
  Praten met je handen

Gebaren maken tijdens het spreken doet iedereen en altijd. Toch vinden veel taalwetenschappers dat taal en lichaam niets met elkaar te maken hebben. Een misvatting, zegt Asli Özyürek, hoogleraar gesture language and cognition (Radboud Universiteit Nijmegen). Ze hield afgelopen donderdag haar oratie.

Gebaren maken is belangrijk voor degene die ze ziet, maar ook voor degene die ze maakt, zegt u.
'Mensen maken bijvoorbeeld gebaren wanneer ze telefoneren. Dat helpt ze om greep te houden op hun gedachten. Gebaren zijn een soort externe hulp. Uitgesproken woorden verdwijnen in het niets, maar een gebaar is visueel, het geeft je feedback.
...
Maken mensen die verschillende talen spreken ook verschillende gebaren?
'Als tweetalige mensen hetzelfde zeggen in de ene taal en in de andere, maken ze daarbij verschillende gebaren. In de hersenen moet sprake zijn van een soort interface tussen het taalproductiegebied en het gebarenproductiegebied, waarbij de selectie van de woorden en de manier waarop je over iets praat, het type gebaren beïnvloedt. Daarnaast is er sprake van sociaal-culturele invloed. Mensen die in een andere dan hun oorspronkelijke cultuur leven, veranderen hun gebaren.'

U bent van origine Turks. Merkt u zelf verschillen?
'Als persoon - ik heb dit niet wetenschappelijk onderzocht - heb ik de indruk dat Nederlanders denken dat Turken die veel gebaren maken tijdens het spreken, de taal niet goed beheersen. Zelfs als die Turken zonder accent en grammaticaal correct spreken. Het valt me op dat Nederlanders terughoudend zijn tegenover gebaren maken. Ze hebben een individuele lichamelijke ruimte waarin je niet mag treden. In Turkije is het heel normaal om tijdens het spreken iemand aan te raken, maar hier mag dat niet. Als ik hier gebaar, dan houd ik me in.'

Dit in lijn met het feit dat lezen zonder daarbij het geschreven uit te spreken een redelijk recente ontwikkeling - men veronderstelt ergens rond de Middeleeuwen. Iets dat je dan ook in de ontwikkeling in het lezen van het kind ziet - natuurlijk.

Een andere theorie (de Volkskrant, 11-10-2012 van verslaggever Ronald Veldhuizen):
  Knutselen ging vooraf aan praten

Taal is geëvolueerd nadat mensen zich met hun rechterhand hadden gespecialiseerd in gereedschapsgebruik. Dit schrijven Britse wetenschappers onder leiding van psychologe Gillian Forrester, op basis van nieuwe experimenten, in een onlinepublicatie van het tijdschrift Behavioural Brain Research.
    Ze halen daarmee een theorie onderuit die stelt dat oermensen pas rechtshandig werden nadat ze gebarentaal hadden geleerd.
    Forrester toont in haar nieuwe onderzoek aan dat rechtshandigheid niet een uniek menselijke eigenschap is. Ze observeerde duizenden handelingen van negen chimpansees in een dierentuin, twaalf gorilla's in een wildpark en tien kinderen in een kleuterklas. Alle drie blijken hun voorkeurshand - de rechter - op dezelfde manier in te zetten. Raken ze een soortgenoot aan, dan gebeurt dat even zo vaak met beide handen. Maar gaan de kinderen of apen spelen met objecten - gereedschapsgebruik dus - dan doen ze dat ze vaker met rechts.
    Aangezien apen niks van taal bakken maar toch enigszins rechtshandig blijken te zijn wanneer ze met objecten aan de slag gaan, vermoedt de psycholoog dat gereedschapsgebruik en het inzetten van een voorkeurshand eerder in de evolutie van mensapen ontstond dan taal.
    Forrester denkt dat haar vondsten passen in de tool theory. Dat is een idee uit de jaren tachtig dat stelt dat de eigenschappen die nodig zijn voor complex gereedschapsgebruik met een voorkeurshand, ook handig zijn voor taalvermogen. Hersentechnisch lijken de twee in ieder geval op elkaar. Wanneer je gereedschap hanteert om voedsel te vangen, moet je in complexe stappen vooruitdenken en heb je fijne motoriek nodig. Bij taal gebeurt dat ook: je schakelt van de ene betekenis naar de andere en deelt deze mee met precieze bewegingen van je tong.
    Taal evolueerde volgens de tool theory daarom op basis van rechtshandig gereedschapsgebruik. Dat verklaart ook waarom vooral onze linkerhersenhelft taal beoefent.  ...

Maar het verklaart niet het belangrijkste probleem: hoe kan "veel taal" het ontstaan uit "een beetje taal"?

Nieuwe onderzoeksresultaten. De kop van het artikel is misleidend (de Volkskrant, 24-03-2016, van verslaggeefster Margreet Vermeulen):
  Gebaren komen voort uit taal

Blinden kunnen gebaren niet afkijken en toch gesticuleren ze tijdens het praten op dezelf de manier als zienden. Als ze tenminste dezelfde taal spreken, blijkt uit een nieuwe studie.

De gebaren die we maken bij het praten, kijken we niet af van anderen, maar komen rechtstreeks voort uit de taal die we spreken. Dat blijkt uit een experiment met Turks- en Engelssprekende zienden en blinden. De blinde proefpersonen zijn zonder zicht geboren en dus niet in staat gebaren kopiëren. Toch gesticuleren ze op dezelfde manier als hun taalgenoten.
    Dat het ene volk drukker en anders met de handen praat dan het andere, is bekend. Maar hoe dat komt, is onduidelijk. Een kwestie van cultuur? Of kopieergedrag? Taalwetenschappers van de universiteit van Chicago denken het antwoord te hebben gevonden door de gebaren van blinden en zienden met dezelfde taal te vergelijken. Het blijkt dat taalgenoten dezelfde gebaren maken, of ze nu kunnen zien of niet.
    De studie van de Universiteit van Chicago, Is seeing gesture necessary to gesture like a native speaker, staat in het nieuwste nummer van Psychological Science. ...
    Voor het experiment maakten de onderzoekers een maquette van een poppetje dat over een paadje naar een huisje rent. De blinden konden de maquette betasten, de zienden konden hem bekijken. Daarna moesten ze de situatie beschrijven. Of ze nu blind waren of niet, de Engelstaligen maakten veelal samengestelde gebaren - met twee handen - om zowel de manier van lopen weer te geven als de beweging zelf. De Turkssprekenden maakten enkelvoudige gebaren - met één hand - doorgaans om de beweging aan te geven.



Het frappante is dat de gebaren precies reflecteren hoe de taal in elkaar zit, meent Claartje Levelt, hoogleraar taalverwerving aan de Universiteit Leiden. 'De Engelsen maken niet alleen samengestelde gebaren, maar kozen ook werkwoorden met een samengestelde betekenis. In het Engels luidt de omschrijving: het meisje rent het huis in. In het Turks wordt de situatie in mootjes gehakt: 'het meisje gaat het huis binnen, rennend.'    ...

Wat men gevonden heeft is meer bewijs voor een relatie tussen taal en gebaren. Maar uit niets in dit onderzoek blijkt wat de oorzakelijkheid is van de relatie. De kop suggereert: taal stuurt gebaren. De evolutie maakt het veel aannemelijker dat het andersom is: taal is ingewikkelder.


Naar Neurologie, taal  , Neurologie, cerebrum  , of site home  ·.

16 apr.2011