Bronnen bij Psychologische praktijktips: vergelijkingen
|
8 jun.2007 |
Onder een aantal artikelen over de vergelijking van de diverse soorten
psychologische therapie. Het eerste geeft een beschrijving van de
aandachtspunten bij zo'n vergelijking:
Psychologie Magazine, maart 2007, door Marte Kaan
Welke therapie werkt het best?
Met een spinnenfobie kun je in psychoanalyse. Maar dat is wel een omslachtige
aanpak; als een cognitief therapeut je er in drie sessies vanaf helpt. Een
overzicht van de beste behandeling voor negen psychische problemen.
Tussentitel: Elke vorm van aandacht helpt bij problemen. Maar niet elke
therapie heeft
even snel effect
Stel: u bent een promotie misgelopen, uw kind heeft problemen op school en
tussen u en uw partner botert het al een tijdje niet. U voelt zich down,
bent doodvermoeid en heeft al vijf weken achtereen uw sportafspraak afgezegd.
Het is tijd om hulp te zoeken. Maar wat voor hulp? U kunt bij een
psychoanalyticus op de divan gaan liggen en vrij associërend uw kinderjaren de
revue laten passeren, op zoek naar onverwerkte emotionele conflicten die
mogelijk ten grondslag liggen aan uw depressie. Of u kunt met een cognitief
gedragstherapeut uw negatieve gedachten onder de loep nemen: is uw situatie
werkelijk zo uitzichtloos, of zijn er genoeg positieve punten die u over het
hoofd ziet?
Waarschijnlijk zult u zich door beide therapieën beter
voelen, omdat er eindelijk aandacht wordt geschonken aan uw problemen. Het
fenomeen dat elke therapie een beetje helpt, staat bekend als het 'Dodo-effect',
naar de Dodo uit Alice in Wonderland die na een chaotische
hardloopwedstrijd roept: 'Ever body has won, and all must have prizes'.
Psycholoog Saul Rosenzweig gebruikte het citaat in 1936 als titel voor een
artikel waarin hij als eerste veronderstelde dat alle vormen van psychotherapie
effectief zijn. Later onderzoek toonde aan dat hij gelijk had.
Dat is heel mooi, maar u wilt natuurlijk weten welke therapie
het beste werkt - het snelste een blijvend effect oplevert, dus. Gelukkig wordt
dat de laatste decennia systematisch onderzocht. Niet alleen in het belang van
de cliënt, maar ook op verzoek van de verzekeraars. Want: hoe sneller iemand van
zijn klachten af is, hoe goedkoper.
En de winnaar is...
Sinds de jaren zeventig zijn er honderden gecontroleerde studies gedaan waarin
de effecten van verschillende soorten psychologische behandelingen met elkaar
zijn vergeleken. Die studies worden op verschillende manieren uitgevoerd. Soms
geven onderzoekers twee groepen mensen met dezelfde stoornis een verschillende
behandeling. De resultaten van twee behandelmethoden worden dan met elkaar
vergeleken. Bij medisch onderzoek is het gebruikelijk om de resultaten van een
bepaald medicijn te vergelijken met een groep die een placebo ontvangt. Zo
probeert men de effecten van het medicijn te onderscheiden van de psychologische
factoren die in werking treden wanneer iemand een medicijn krijgt. Ook bij
onderzoek naar de effecten van therapie wordt soms een placebogroep gebruikt.
Die groep krijgt dan een pseudo-behandeling: zogenaamd krijgen ze therapie, maar
feitelijk worden er geen psychologische interventies uitgevoerd. Een derde
mogelijkheid is een groep behandelde patiënten te vergelijken met een groep die
op de wachtlijst staat voor een behandeling.
Tot op heden zijn het vooral de gedragstherapeuten en
cognitief therapeuten die als winnaars uit de bus komen: zij kunnen bewijzen dat
hun technieken beter werken dan andere psychologische interventies. 'Maar
cognitieve gedragstherapie is zeker niet altijd de aangewezen behandelmethode,'
waarschuwt Wim Trijsburg, hoogleraar psychotherapie aan de Erasmus Universiteit
Rotterdam. Er zijn wel wat kanttekeningen te plaatsen bij dit soort
vergelijkingen. Zo is cognitieve gedragstherapie makkelijker te onderzoeken dan
bijvoorbeeld psychoanalyse. Cognitieve gedragstherapie is een kortdurende
behandeling die volgens een vast protocol verloopt, waardoor het relatief
makkelijk is om bij een grote groep proefpersonen het effect te onderzoeken.
Psychoanalyse duurt jaren, en verloopt niet volgens een standaardprotocol. Die
lange duur maakt onderzoek kostbaar, en doordat de behandeling niet
gestandaardiseerd is, zijn de onderzoeksresultaten minder betrouwbaar. Bovendien
vallen er veel mensen uit gedurende zo'n lang onderzoek. Tot slot kan de
voorkeur van de onderzoekers een rol spelen in de uitkomst van
therapieonderzoek. Daardoor kunnen bepaalde therapieën buiten de boot vallen:
niet omdat ze niet werken, maar omdat ze minder vaak en minder goed zijn
onderzocht.
Diagnose Behandel Combinaties
De gemiddelde cliënt zal daar niet wakker van liggen: die wil vooral zo snel en
goed mogelijk geholpen worden. En dat is ook in het belang van de verzekeraars,
die willen kunnen inschatten wat het kost om bijvoorbeeld een paniekstoornis te
behandelen. Daarom heeft het Trimbos Instituut richtlijnen ontwikkeld voor
huisartsen, psychologen en psychiaters, die voorschrijven welke therapie het
best werkt bij welke stoornis. Ze zijn samengevat in bovenstaand schema.
De nieuwe regels moeten ervoor zorgen dat de kwaliteit van de
zorg verbetert. Psycholoog Lourens Henkelman van het Trimbos Instituut:
'Voorheen had elke beroepsgroep - huisartsen, psychologen, psychiaters - eigen
richtlijnen. Zo bestonden er voor een depressie wel achttien verschillende
richtlijnen.' Sommige huisartsen schreven iemand met een lichte depressie
bijvoorbeeld een antidepressivum voor, terwijl anderen doorverwezen naar de
RIAGG. Allebei niet nodig, volgens de nieuwe richtlijnen: meer sporten en een
cursus 'omgaan met een depressie' blijken meestal al voldoende.
Vanaf 2007 zullen behandelaars gaan werken met deze
aanbevelingen, de zogenaamde Diagnose Behandel Combinaties (DBC). Straks kunt u
met een depressie kiezen voor cognitieve gedragstherapie, waarmee u uw manier
van denken leert onderzoeken en veranderen. Of voor interpersoonlijke
psychotherapie, waarbij de nadruk ligt op uw sociale relaties en
communicatiepatronen. Heeft u ernstige klachten, dan kunt u ook antidepressiva
voorgeschreven krijgen. Alle in de DBC genoemde behandelmethoden zijn
wetenschappelijk onderzocht en effectief bevonden, ofwel evidence based.
De juiste keuze
Hoe maakt u de juiste keuze? De meeste mensen komen via een doorverwijzing van
de huisarts terecht bij een psycholoog of psychotherapeut. In overleg met de
therapeut wordt vervolgens voor een bepaalde aanpak gekozen. Hoogleraar
psychotherapie Wim Trijsburg: 'Het kan best zo zijn dat de richtlijnen straks
voorschrijven dat cognitieve therapie de aangewezen behandeling is, maar dat u
daar als cliënt niks voor voelt. Dan zal de therapeut samen met u de bezwaren
onderzoeken en zonodig een alternatief aanbieden.'
Helemaal waterdicht zijn de DBC's natuurlijk niet. 'Voor een
fobie is gedragstherapie de aangewezen methode,' legt Lourens Henkelman van
Trimbos uit. 'Iemand die niet in een lift durft, moet je daar juist mee laten
oefenen: exposure.
Maar wanneer blijkt dat onder die fobie persoonlijkheidsproblematiek speelt, dan
kies je voor een andere methode.' Richtlijnen voor de behandeling van
persoonlijkheidsstoornissen zijn in de maak, maar het zal nog even duren voordat
daarvoor ook evidence based behandelingen kunnen worden voorgesteld.
Vergoedt de ziektekostenverzekering straks alleen nog
behandeling wanneer de gekozen therapie bewezen effectief is bij een bepaalde
stoornis? Dat ook weer niet. De DBC'S dienen nadrukkelijk als hulpmiddel, en ze
zijn niet maatgevend. Het mag dus niet zo zijn dat de verzekeraar straks beslist
welke therapie voorgeschreven wordt, waarschuwt Trijsburg.
Dus wanneer u straks geen baat blijkt te hebben bij cognitieve gedragstherapie
of een antidepressivum, dan zal er naar een andere oplossing gezocht moeten
worden. En wie weet blijkt dan dat gedragstherapeutische relatietherapie, samen
met uw partner, u uiteindelijk het beste zal helpen.
| |
CT |
GT |
CGT |
IPT |
EXP |
GTR |
EMDR |
| Depressie |
+ |
+ |
+ |
+ |
|
|
|
| Paniekstoornis, met/zonder agorafobie
(pleinvrees) |
+ |
|
|
|
+ |
|
|
| Gegeneraliseerde angststoornis
(zorgelijk over de kleinste dingen) |
+ |
|
+ |
|
|
|
|
| Sociale angststoornis (extreme
verlegenheid) |
+ |
|
|
|
+ |
|
|
| Fobie (bijvoorbeeld angst voor spinnen) |
+ |
|
|
|
+ |
|
|
| Posttraumatische stress-stoornis |
+ |
|
|
|
+ |
|
+ |
| Dwangstoornis (dwangmatig gedrag) |
+ |
+ |
|
|
+ |
|
|
| Hypochondrie [overdreven angst voor
ziekte) |
+ |
|
|
|
+ |
|
|
| Relatieproblemen |
|
|
|
|
|
+ |
|
NB: Medicatie is hier buiten beschouwing gelaten
CT: Cognitieve therapie Behandeling waarin de nadruk ligt op het veranderen van
Iemands gedachten ten aanzien van een probleem.
GT: Gedragstherapie Behandeling gestoeld op de gedachte dat nieuw gedrag kan
worden aangeleerd. .
CGT: Cognitieve gedragstherapie Een combinatie van cognitieve therapie en
gedragstherapie.
IPT: Interpersoonlijke psychotherapie Behandeling gebaseerd op het idee dat
psychische klachten ontstaan door een verstoring van persoonlijke relaties. Doel
Is deze relaties te verbeteren.
EXP: Exposure Onderdeel van gedragstherapie waarbij iemand wordt blootgesteld
aan datgene waar hiJ bang voor is. opdat gewenning optreedt en daarmee afname
van de angst GTR: Gedragstherapeutische relatietherapie Relatietherapie
gebaseerd op de principes van de gedragstherapie.
EMDR: Eye Movement Desensitization and Reprocessing Therapie waarbij een trauma
in gedachten wordt herbeleefd, terwijl de persoon een afleidende stimulus krijgt
aangeboden: hij moet bijvoorbeeld een bewegend voorwerp met zijn ogen volgen.
Red.: Een voorbeeld voor een specifieke kwaal:
Leids universiteitsblad Mare, 07-06-2007, door Arjen van
Veelen
Stamgast bij de huisarts
Cognitieve gedragstherapie helpt goed tegen hypochondrie, stelt promovenda Anja
Greeven. 'Niet meteen denken aan een tumor in je maag, maar eerst jezelf
afvragen: heb ik iets verkeerds gegeten?'
... Grofweg zijn er twee behandelingsmethoden: cognitieve
gedragstherapie en, meer recent, pillen (antidepressiva). Onderzoek naar de
effectiviteit van die behandelingen is vrij recent. Pas vanaf de jaren negentig
zijn er studies gedaan naar het effect van cognitieve gedragstherapie therapie.
Greevens gerandomiseerde studie naar het effect van medicatie is zelfs het
eerste. 'Dat is relatieflaat.' Een reden voor die late belangstelling is dat
hypochonders, anders dan de dwangneuroten, niet naar de psycholoog of psychiater
gingen.
Cognitieve gedragstherapie houdt in dat de hypochonder leert
om nuchter om te gaan met een hartslag te veel of te weinig of een verdacht
vlekje. Ook leert hij te stoppen met het controleren van zijn lichaam.
Nuchterheid kan soms bereikt worden met simpele kansberekening. 'Ze denken
bijvoorbeeld dat hun kans op een hartstilstand zeventig procent is', zegt
Greeven. 'Je gaat samen met je patiënt rekenen en komt op een veel lager
percentage. En dat helpt:
De gedachte achter de behandeling met pillen is dat die bij
dwangstoornissen, zoals eerder gezegd een vergelijkbare stoornis, erg goed bleek
te helpen. Greeven vergeleek de twee behandelingen bij een groep hypochonders
waarvan sommigen al meer dan tien jaar de stoornis hadden. Ze verdeelde de
patiënten in drie groepen. De eerste kreeg de 'traditionele' cognitieve
gedragstherapie. de tweede kreeg de SSRI Paroxetine (een antidepressivum); de
derde een placebo. Ze onderzocht of ze op korte termijn verbetering vertoonden
en ook wat de effecten waren na vijf jaar.
Beide methoden blijken te werken, maar cognitieve
gedragstherapie 'wint' het van de pillen. Na gedragstherapie herstelt een groter
percentage. 'En tot mijn verbazing helpt de therapie ook bij depressieve
hypochonders. Die knappen meer op.' Een verklaring zou kunnen zijn dat
gedragstherapie patiënten het zelfvertrouwen geeft dat ze iets bereikt hebben,
terwijl ze bij pillen geneigd zijn de verbetering niet aan zichzelf toe te
schrijven, maar op het conto van de medicijnen te schuiven. Therapie zou op de
lange termijn kosteneffectief kunnen zijn. ...
Red.: Uit een wat langere versie van ditzelfde
verhaal komt de onderstaande illustratie van de aanpak van de twee
methodes
:
Zeer goed getroffen is het proces van de cognitieve therapie: het ontwart
onproductieve denkcirkels in de hersenen. Misschien doet medicatie datzelfde,
met dit verschil dat cognitieve therapie over één onderwerp per keer gaat, en
medicatie meestal veel meer denkprocessen beïnvloedt dan hetgeen dat het
probleem veroorzaakt. Bij meer algemene problemen kan medicatie dus weer in het
voordeel zijn.
Naar Psychologische praktijktips
, Psychologie
lijst
, Psychologie overzicht
, of naar
site home
.
|