De Volkskrant, 03-01-2012, door Wilma de Rek 2009

Beter is mijn ideaal

Waarom maken we ieder jaar weer goede voornemens, als we van tevoren weten dat de kans dat we ze waarmaken nihil is? Omdat, betoogt Wilma de Rek, het leven één grote poging is er iets beters van te maken.

Tussentitel: De mens is het vleesgeworden goede voornemen, vanaf zijn geboorte tot de dag van zijn dood
Nietzsche zou vermoedelijk de vloer aanvegen met iedereen die zich voorneemt zijn denkgroef dood te botoxen
 

Wij zagen nooit zijn ongekend gezicht
De oogappels die daarin rijpten. Maar
zijn torso gloeit nog als een kandelaar,
waarin zijn blik, met een getemperd licht,

nog glanzen blijft. Anders zou jou de boeg
der borstkas niet verblinden, en in 't zacht
draaien der lendenen was niet die lach
naar 't midden toe dat het geslachtsdeel droeg.

Anders stond deze steeds geknot, beschadigd,
in zijn doorschijnende schoudercascade,
en zou niet glinsteren als roofdierhuid,

en zou niet als een ster losbreken uit
zijn vorm: geen plek aan hem die jou niet ziet.
Zo doorgaan met je leven kun je niet.


Rainer Maria Rilke schreef dit sonnet in 1908. Hij noemde het Archaïscher Torso Apollos. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk ontleende er de titel van zijn laatste boek aan: Je moet je leven veranderen (Du musst dein Leben ändern).

Hij betoogt daarin dat mensen door gedurige oefening schijnbaar onmogelijke doelen kunnen bereiken. De oefenende mens, zegt Sloterdijk, wordt door een in hem aanwezige 'verticale spanning', die hem als het ware omhoogtrekt, aangezet tot een radicale en blijvende verandering van zijn leven. Daardoor stijgt die oefenende mens boven zichzelf uit, en trouwens ook boven al diegenen die uit gemakzucht, onmacht of onwetendheid blijven vasthouden aan het gewone leven.

Wat vat ik dat mooi samen, hè?

Eigenlijk vat ik het helemaal niet mooi samen: ik heb bovenstaande zinnetjes gemakzuchtig gejat van Hans Dijkhuis, die het boek van Sloterdijk afgelopen zomer besprak voor Trouw. Zelf heb ik Je moet je leven veranderen braaf naast mijn bed liggen, maar van de zin waarmee Sloterdijk het gedicht van Rilke inleidt, raakte ik zo in paniek dat ik het boek snel dichtsloeg: 'Ik wil allereerst een esthetisch voorbeeld geven om het fenomeen van de verticale spanningen en hun betekenis voor de heroriëntering van de confuse existentie van moderne mensen toe te lichten.' Oei.

Dus ligt het boek nu op de stapel goede voornemens voor 2012, ingeklemd tussen drie keer per week hardlopen, iets sympathieks doen voor zielige mensen, zelf paté maken, leren hoe je een gat in een muur boort, groef boven neus platbotoxen, niet meer liegen over de liefde, stoppen met sneu hunkeren naar erkenning, niet meer zo veel vloeken en podgloeiendepodverdomme eindelijk eens succesvol worden, dondert niet waarin.

Ik weet nu al dat de kans dat ik die goede voornemens ga waarmaken, nihil is. Dat staat in alle januarinummers van de vrouwenbladen en die zuigen dergelijke dingen heus niet uit hun duim. Interessanter is de vraag waarom ik die goede voornemens dan toch maak, elk jaar weer, net als iedereen die dit leest (en ook iedereen die dit niet leest omdat hij zich heeft voorgenomen geen chagrijnige kranten meer te lezen). Het antwoord is dat ik ze maak omdat ik een mens ben. En de mens is het vleesgeworden goede voornemen, vanaf zijn geboorte tot de dag van zijn dood.

Een schaap gaat onder een boom staan als het regent, met zijn kont naar de wind, en staart wat voor zich uit. Hij reageert op de regen zoals hij ook reageert op de zon en op de sterren en de nacht: die dingen zijn er, het heeft geen zin je ertegen te verzetten en bovendien gaat alles uiteindelijk vanzelf voorbij.

Een mens gaat ook onder een boom staan. Maar al schuilend bestudeert hij het prachtige hout van de boom en bedenkt hij dat hij daar best een schuurtje van zou kunnen maken, als hij tenminste een goeie zaag zou hebben, wat spijkers en een hamer. Weet je wat? Laat hij eerst eens wat ijzer gaan uitvinden.

Een paar duizend jaar later, als hij druk bezig is met timmeren en zagen en zijn vrouw voor de zoveelste keer aan zijn kop komt zeuren waarom hij toch altijd zo druk is, kijkt de mens jaloers naar het schaap. Hij zegt tegen zichzelf dat hij zou moeten leren de dingen te accepteren zoals ze zijn en besluit zich een week op te sluiten voor een stilteretraite in een boeddhistisch klooster.

Het leven is één grote poging er iets beters van te maken. The only way is up vond de eerste homo sapiens al. Dus zijn we nu al 200 duizend jaar bezig onze kennis bij te spijkeren, ons lichaam te verbeteren en verstandiger met elkaar om te gaan.

Onvermoeibaar probeert de mens zijn menselijke tekorten te overwinnen. Tegenwoordig heeft hij daarvoor meer middelen tot zijn beschikking dan vroeger. Als zijn heup het begeeft, neemt hij een kunstheup, zijn slechte ogen laat hij laseren, zijn grijze haar kleurt hij rood, bruin of blond. Zijn brein wordt in toom gehouden door ritalin, zijn bloeddruk door alfablokkers, bètablokkers of allebei. Elke dag opnieuw, en niet alleen in januari, wil de mens een beter mens worden.

Je zou denken dat goede voornemens iets van deze tijd is, de overspannen consequentie van een maatschappij die de perfectie tot hoogste doel heeft verheven en geen ruimte meer heeft voor mensen met een gebrekje. Maar de drang tot verbetering, van zichzelf, van de wereld, van het leven, gaat veel dieper.

Die drang zit in elke vezel van iedereen, al sinds den beginne. Adam en Eva hadden in het paradijs een luizenleventje kunnen hebben - beetje stoeien met de welpjes, op hun rug naar het voorbijvliegend gevogelte staren en kijken of ze in de wolken een gezichtje zagen.

Menig druk bezet mens zou er een moord voor doen. Adam en Eva niet, die wilden meer. Ze wilden per se kennis verwerven van het goede en het kwade en aten dus van de boom, hoe streng God hen dat ook had verboden.

Goede voornemens zijn van alle tijden. Mensen zijn ze gaan maken vanaf het moment dat ze konden nadenken. Volgens Aristoteles (384-322 voor Chr.) draaide het leven om karaktervorming. De mens moest een voortreffelijk karakter nastreven, wat vooral een kwestie was van het juiste midden zoeken en de goede keuzes maken.

Zijn collega Friedrich Nietzsche (1844-1900) ging een paar duizend jaar later een stuk verder en wees op de plicht van elk individu zichzelf te herscheppen. Hij verklaarde God dood en introduceerde de Übermensch, de mens die niet meer lijdzaam wacht op de zegen van Christus en zich tevreden stelt met de belofte van een hiernamaals, maar die zijn zelfverwezenlijking zoekt in het hier en nu, die zich doelen stelt, zijn grenzen verlegt en zo tot grote prestaties komt. Dat het woord Übermensch en de uitvinder ervan lelijk besmet zijn geraakt door de misdadigers achter de Tweede Wereldoorlog, kon Nietzsche ook niet helpen. 'Word wie je bent', zei hij alleen maar.

Vandaag de dag is het mantra meer: word wie je wilt zijn. Televisie, weekbladen, kranten en films schotelen ons aan de lopende band ideaalbeelden voor die als rolmodel dienen voor hoe een gelukt mens er vandaag de dag uitziet en die vermoedelijk de motor zijn achter negen van de tien goede voornemens.

En het einde is nog lang niet in zicht. In De grens van de mens (2011) beschrijft filosoof Peter Paul Verbeek hoe de hedendaagse technologische ontwikkelingen het steeds beter mogelijk maken om in te grijpen in de menselijke natuur. Daarmee lijken we langzaam maar onherroepelijk in de richting te schuiven van 'een nieuwe mens', aldus Verbeek.

Dat roept de vraag op hoe lang we de mens nog kunnen zien als een autonoom en authentiek wezen met kenmerken die we zouden kunnen doorgronden. Volgens Verbeek verandert technologie de menselijke conditie en laat ze daarmee zien hoe door en door geconstrueerd de mens is. Nieuwe technologieën zijn niet iets om voor of tegen te zijn, zegt Verbeek. De mens ontwerpt zichzelf voortdurend - dat is nu eenmaal zijn aard en wezen - dus hij gaat daar voorlopig nog wel mee door ook.

Het is zinvoller de techniek als een gegeven te zien en vervolgens de vraag te stellen hoe de ethiek die techniek moet begeleiden: door voortdurend de vraag te stellen hoe de mens bij het opnieuw ontwerpen van zichzelf te werk moet gaan en waarop hij moet letten.

Volgens de Romeinse keizer en filosoof Marcus Aurelius was de betere mens juist niet de mens die maar aan zichzelf bleef sleutelen en doen, maar was je leven geslaagd als je zonder al te veel gemekker de dingen deed die er te doen waren. 'Wanneer je 's morgens vroeg met tegenzin opstaat, heb dan deze gedachte bij de hand: ik sta op om de taak van een mens te verrichten. Moet ik dan zeuren, als ik dát ga doen waarvoor ik geboren ben en terwille waarvan ik op de wereld ben neergezet?'

Tot die conclusie kwam ook Jean-Jacques Rousseau (1712-1778), die aan het eind van zijn leven opmerkte dat de belangrijkste wetenschap die hij in zijn leven had opgedaan, was dat onwetendheid uiteindelijk boven het andere is te verkiezen. Het werd tijd, schreef hij, dat zijn ziel 'de onversluierde waarheid zag' en dat zij eindelijk zou ontdekken 'hoe armzalig alle kennis is waarop onze schijngeleerden zich zozeer beroemen, en zij zal jammeren om de ogenblikken die tijdens dit leven met het nastreven ervan verloren zijn gegaan.'

Ook Nietzsche, goedevoornemensfilosoof bij uitstek, zou vermoedelijk de vloer aanvegen met iedereen die zich voorneemt zijn denkgroef dood te botoxen, want waarom neemt iemand zich zoiets voor? Omdat je met een gerimpeld hoofd een mislukkeling bent? Welnee: omdat de norm nu eenmaal glad en mooi is en omdat niemand graag van de norm afwijkt. Maar wie zich volgzaam aan de massa aanpast, is een sukkel, want hij is niet langer de 'stuurman van zijn bestaan', iets waar je volgens Nietzsche altijd naar moet streven.

'Er is in de natuur geen saaier en weerzinwekkender schepsel dan de mens die voor zijn genie uit de weg is gegaan en nu naar rechts en naar links, naar achteren en naar alle kanten gluurt. Men mag zo iemand ten slotte niet eens meer bekritiseren, want hij is alleen maar een buitenkant zonder kern, een halfvergaan, opgeverfd, wijduitstaand gewaad, een uitgedost spook, dat geen angst, laat staan medelijden kan opwekken.'

Misschien is het stellen van doelen en het maken van goede voornemens volslagen zinloos. Maar mensen met doelen zijn vaak leuker dan mensen zonder, omdat ze iets willen, ergens naar streven, omdat diep in hen een vuurtje brandt en omdat ze tot de verbeelding spreken.

Laten we vooral goede voornemens blijven maken, elke ochtend opnieuw, en laten we 's avonds opgewekt naar onszelf kijken als we vaststellen dat we ze vandaag wéér niet hebben gehaald.

Tussenstuk:
Also Sprach Zarathustra
'Zie, ik leer u de Übermensch! De Übermensch is de zin der aarde. Ik bezweer u, mijn broeders, blijft de aarde trouw en gelooft niet degenen, die u van bovenaardse verwachtingen spreken! Giftmengers zijn zij, of zij het weten of niet. Levensverachters zijn zij, afstervenden en zelf vergiftigden, die de aarde moede is: dat zij heengaan!'

(Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathustra)





Naar Psychologische krachten, angst  , Psychologische krachten  , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]