WERELD & DENKEN
 
 

Bronnen bij Nut van religie: bevoordeling

Onderstaand twee naast elkaar geplaatste artikelen over de bevoordeling van religie, en de (on) wenselijkheden ervan.


De Volkskrant, 15-02-2007, door Patrick van Schie, directeur van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme en de VVD.

Stop bevoordeling religie

Patrick van Schie vindt dat de grondwettelijke vrijheid van godsdienst overbodig is, omdat zij voldoende gedekt wordt door de vrijheid van meningsuiting, van vereniging en vergadering, en van betoging. Nu worden gelovigen oneigenlijk bevoordeeld.


Tussentitel: Voelen de religieus gezinden zich boven hun medeburgers verheven?

Als het aan het nieuwe kabinet ligt, wordt de nu geldende Grondwet in beton gegoten. In het coalitieakkoord tussen de Tweede Kamerfracties van CDA, PvdA en CU staat: ‘Alle burgers die zich beschermd weten door de grondwettelijke vrijheden van ons land hebben ook de plicht die grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting, te verdedigen, ook of juist in de eerste plaats voor de ander.’ Hier worden de grondrechten onveranderlijk verklaard; bovendien is blijkbaar het ter discussie stellen van de Grondwet voortaan uit den boze. De nieuwe coalitie geeft zo als haar opvatting te kennen dat in de laatste grondwetswijziging van 1983 een eeuwige wijsheid is belichaamd.
    Het smoren van discussie over de huidige Grondwet is echter ondemocratisch én innerlijk tegenstrijdig. De vrijheid van meningsuiting en van (politieke) vereniging omvatten immers het recht om te streven naar verandering van bestaande wetgeving, inclusief de grondwetgeving. Zolang de Grondwet geldt, hebben wij ons daaraan te houden, maar in een democratische rechtsstaat staat het iedereen vrij ervoor te pleiten dat bepaalde grondrechten worden gewijzigd of zelfs overboord worden gezet. Ook als deze menigeen zeer dierbaar toeschijnen.
    De vrijheid van godsdienst (art. 6 Gw) wordt wel als een categorie apart gepresenteerd. Deze vrijheid hangt ook samen met de ontstaansgeschiedenis van ons land, al is het goed te bedenken dat zij in de praktijk voor andere gezindten dan de aanvankelijk heersende gereformeerden pas geldt sinds de Bataafse tijd, en voor katholieken eigenlijk pas echt sinds de liberaal Thorbecke midden 19de eeuw het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie mogelijk maakte en vanaf de afschaffing van het processieverbod later in de 20ste eeuw. Thorbecke verankerde ook de vrijheid van meningsuiting en van vereniging en vergadering. Nadien werden deze aangevuld met de vrijheid van betoging (de huidige grondwetsartikelen 7 t/m 9).
    Deze rechten hebben de vrijheid van godsdienst als afzonderlijk te vermelden categorie overbodig gemaakt. Kerken, andere religieuze organisaties en wie ook maar aan religie hechten, kunnen onder de bovengenoemde vier vrijheden (binnen de grenzen van de wet) geheel naar eigen inzicht opereren, zonder inmenging van de staat.
    Als de vrijheid van godsdienst niet méér zou behelzen dan eenvoudigweg vrije meningsuiting, vereniging, vergadering en betoging, dan zou zij als een onschuldig ornament uit het verleden kunnen worden gehandhaafd. Mocht weer eens een herziening van de Grondwet aan de orde komen, dan kan worden bezien of artikel 6 niet gewoon kan worden weggelaten om de tekst strakker te maken.
    Maar in werkelijkheid zou het schrappen van dit artikel wel degelijk verder strekkende gevolgen hebben. Daarin is namelijk een publieke erkenning neergelegd van religie als een factor van bijzondere betekenis. Daarom ook vloeien uit dit grondrecht allerlei voorrechten voort voor burgers en instellingen die opereren vanuit een religieuze overtuiging; burgers die niet zo’n overtuiging opvoeren, ontberen deze extra rechten.
    Zo geven enkele rechterlijke vonnissen aanleiding tot de veronderstelling dat sommige uitspraken wel zijn toegestaan met een beroep op de Bijbel of de Koran terwijl zij kennelijk strafbaar zouden zijn als niet naar een of ander ‘heilig’ verklaard geschrift wordt verwezen (met als bekendste geval de vergelijking die RPF-voorman Van Dijke ooit maakte tussen homo’s en dieven). Voorts gelden de normen voor het onverdoofd slachten van dieren niet als het geschiedt in het kader van een joodse of islamitische ritus. In het Wetboek van Strafrecht staat verder op het verstoren van een religieuze bijeenkomst een hogere strafmaat dan op het verstoren van een andere bijeenkomst, en wordt godslastering apart strafbaar gesteld.
    Ruim twee jaar geleden verdedigden confessionele politici in een Kamerdebat de strafbaarstelling van godslastering met het argument dat een gelovige daardoor bijzonder kan worden gekwetst. SGP-Kamerlid Van der Staaij verklaarde ‘dat ik met hem (God) een persoonlijke verhouding heb, dat ik die God liefheb’. Terecht werd hem tegengeworpen dat iemand minstens zozeer kan worden gekwetst door opmerkingen over een eigen kind, zijn vrouw (of haar man), om maar te zwijgen over de eigen identiteit. Waarom zou dat minder erg zijn? Omdat de verdedigers van de speciale plaats voor religie zich boven hun medeburgers verheven voelen?
    De grens waar een subjectief ‘aanstoot nemen aan’ overgaat in een objectiveerbare belediging van een persoon dient, waar men haar ook wil trekken, onafhankelijk te zijn van de vraag of de gekwetste al dan niet een religieuze achtergrond heeft of aan een figuur een religieuze betekenis toekent. Evenzo dient de verenigingsvrijheid precies zo groot te zijn voor een kerk als voor een politieke partij of een sportvereniging. Of religie weer voor een groeiende groep burgers van groot belang wordt geacht – zoals de WRR beweert – of niet, dat mag voor de staat niet ter zake doen.
    Burgers moeten hun religie in vrijheid kunnen belijden zolang anderen daardoor niet in hun vrijheid worden beknot. Maar burgers moeten een even grote vrijheid hebben voor hun seculiere opvattingen en activiteiten. In een land waar het adagium ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ wordt gehanteerd, behoren religieus gezinden aan de Grondwet geen voorrechten te kunnen ontlenen. Verdediging van art. 6 van de Grondwet mag dus geen burgerplicht worden. Integendeel, wie onze rechtsstaat serieus neemt, laat dit aparte artikel liever verdwijnen.


De Volkskrant, 15-02-2007, door Cees van der Staaij, lid van de Tweede Kamer voor de SGP.

Grondwet is nog bij de tijd

Kees van der Staaij meent dat een geloofsovertuiging meer is dan ‘zomaar een mening’ en dat de godsdienstvrijheid een staatsvrije sfeer voor het domein van de kerk garandeert. ‘De Grondwet is nog helemaal bij de tijd.’


Directeur Van Schie van de Teldersstichting, de liberale denktank van de VVD, heeft revolutionaire ideeën. Als het aan hem ligt, wordt de vrijheid van godsdienst uit de Grondwet geschrapt. Dat is een vergaand pleidooi. De vrijheid van godsdienst wordt immers in alle handboeken staatsrecht gerekend tot de fundamenten van onze rechtsstaat, een hoeksteen van ons constitutionele bestel. De gewetensvrijheid die van dit artikel de kern vormt, gaat terug tot 1579, de Unie van Utrecht. Het grondrecht wordt niet alleen lang, maar ook nog eens breed erkend. Zowel in het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, als in internationale mensenrechtenverdragen ligt de godsdienstvrijheid expliciet verankerd.
    Wat beweegt Van Schie om zo drastisch in de grondrechtencatalogus te willen snijden? Dat is niet eenvoudig vast te stellen. Zijn argumentatie gaat namelijk twee kanten op. De liberalen lijken er niet uit te zijn wat de reikwijdte is van de godsdienstvrijheid. Enerzijds wordt betoogd dat de overige grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering al dezelfde bescherming bieden. Kortom: de vrijheid van godsdienst is overbodig, zij voegt niets toe. Dan kun je die maar beter schrappen.
    Anderzijds stelt Van Schie dat de vrijheid van godsdienst te veel bescherming biedt. Godsdienst heeft ten onrechte een streepje voor op seculiere meningen, waarvoor alleen de vrijheid van meningsuiting kan worden ingeroepen. In deze benadering is juist de bijzondere bescherming die de geloofsovertuiging geniet, de reden om de godsdienstvrijheid uit de Grondwet te amputeren.
    De eerste pijler van het pleidooi voor afschaffing (de godsdienstvrijheid voegt niets toe aan de andere grondrechten) strookt niet met de feiten. Hoe je die ook waardeert, godsdienstvrijheid gaat verder dan het uiten van een mening of het beleggen van een vergadering. Door de godsdienstvrijheid wordt niet zomaar een mening beschermd, maar het belijden van een integrale en diepgewortelde geloofsovertuiging, die deel uitmaakt van iemands identiteit.
    Bovendien garandeert de godsdienstvrijheid de vrije samenkomst van gelovigen, een staatsvrije sfeer voor het domein van de kerk. Dat is toch een vitaal aspect van de door liberalen zo hoog geachte scheiding van kerk en staat?
    De godsdienstvrijheid omvat verder de vrijheid ook in het maatschappelijk leven gevolgen te verbinden aan de geloofsovertuiging. Bij het zomaar schrappen van de godsdienstvrijheid uit de Grondwet is het nog maar de vraag of bijvoorbeeld een christelijke hulpverleningsorganisatie een maatschappelijk werk(st)er van christelijke signatuur mag zoeken. Zeker, als tegelijkertijd nog een andere liberale wens in vervulling gaat: de opwaardering van het gelijkheidsbeginsel tot supergrondrecht.
    Maar is het dan niet zo dat de huidige Grondwet godsdienst een bevoorrechte status heeft, die niet goed te verantwoorden is? Deze redenering overtuigt evenmin. Miskend wordt dat in het artikel over de godsdienstvrijheid in de huidige formulering ook de niet-religieuze levensovertuiging eenzelfde bescherming wordt toegekend. Dat was een aanpassing aan de eisen van de tijd om de ‘gelijkheidssstrijders’ ter wille te zijn? Dat godsdienst een constitutioneel streepje voor zou hebben, klopt in dit licht dan ook gewoonweg niet.
    Mocht het in de praktijk niettemin zo zijn dat niet-godsdienstige levensovertuigingen niet die specifieke rechtsbescherming behoeven als diepgewortelde, integrale, identiteitsbepalende overtuiging, dan is dat niet aan de godsdienst te verwijten. Wat er niet is, kan niet worden beschermd.
    Mijn conclusie is dat er geen overtuigende argumenten zijn aan te voeren voor het schrappen van de godsdienstvrijheid. Over de reikwijdte is discussie mogelijk, zeker. Ook dit grondrecht is niet absoluut. Er zijn vraagtekens te zetten bij een onhistorisch gelijkheidsdenken, waarbij elke godsdienst en elke levensovertuiging over een kam wordt geschoren. Maar wie godsdienst juridisch wil reduceren tot andere grondrechten, miskent de aard en de betekenis van godsdienst. En wie nog droomt van godsdienst als achterhaald verschijnsel, van secularisatie als eindstation van onvermijdelijke modernisering, moet maar eens wakker worden. Niet ‘de godsdienst’ is achterhaald, maar de gedachte dat godsdienst vanzelf wel zal uitsterven. Dat de Grondwet daar rekening mee houdt, bewijst dat hij nog helemaal bij de tijd is.
 

Red.:   Let op het feit dat Cees van der Staaij de bevoordeling van religie niet ontkent.


Naar Religie, nut  , Psychologie lijst  , Psychologie overzicht  , of site home  .