Bronnen bij Religie en psyche: verandering
|
10 dec.2009 |
Onder persoonlijke getuigenissen van de moeilijkheid om verandering aan te
brengen in religieuze opvattingen als die eenmaal in je geest zijn ingebracht:
Uit: De Volkskrant, 23-07-2011, ingezonden brief van Anton Mullink, Haarlem
Keerpunt
Grenzeloos verbaasd was ik door het verhaal van Jim Schilder (Uitgelicht, 20
juli), die uit volle overtuiging priester wordt in de katholieke kerk. Ik werd
net als hij in een gelovig gezin met tien kinderen geboren. Met veel pijn en
moeite heb ik me aan de christelijke indoctrinatie kunnen ontworstelen. Ik was
de leeftijd van 30 jaar gepasseerd voor ik aan de relatie met een vrouw ruimte
mocht geven. ...
Uit:
De Volkskrant, 07-06-2011, door John Wanders
Profiel | Machiel de Graaf leidt de PVV in de senaat
Vlotte prater is bloedserieus over islam
Vandaag worden de Eerste Kamerleden beëdigd. Wie is de fractievoorzitter
van de PVV?
... Opgegroeid in een protestants milieu kent De Graaf uit eigen ervaring de
impact die religie kan hebben op een mens. 'Alles wat je voor je vierde
levensjaar meekrijgt, draag je een leven lang mee, óf je blijft er tegen
vechten. Voor mij geldt het laatste', bekende hij vorig jaar. ...
Uit: Leids universiteitsblad Mare, 01-1-2009, door Arjen van Veelen
Leidse alumna was bang dat God haar een onvoldoende zou geven
'Om mij heen zag ik alleen maar kwaad’
Schrijfster Naema Tahir is tegenwoordig docente op de universiteit waar ze
als student haar orthodoxie liet varen. ‘Diep in mijzelf wist ik dat mijn
huisgenoten niet het kwaad waren’.
Tussentitel: 'Vijf keer per dag mijn voeten wassen, durfde ik niet meer'
...Toen Tahir in de jaren negentig in Leiden rechten kwam studeren, was ze, zegt
ze zelf, een ‘hypervrome’ moslima. Die strengheid liet ze tijdens haar
studententijd varen.
‘Het eerste anderhalf jaar woonde ik bij een hospita in
Valkenburg. Dat zagen mijn ouders graag. Zij wilden niet dat ik te westers werd.
Vreselijk was het! Ik was er alleen in een klein kamertje met een keukentje en
ik kookte er elke dag, meestal alleen voor mijzelf.
‘Ik herinner me de impact van de eerste collegezaal met
vierhonderd mensen daarin. Wow, dacht ik, er komt een massa mensen af op kennis.
Ik was ook onder de indruk van de oudheid van de
bibliotheken: eeuwenlang was daar kennis bewaard en bewaakt. ...
‘Via de Rechtswinkel hoorde ik dat er een kamer vrijkwam op
de Raamsteeg. Hartje centrum, vlak bij het Rapenburg, spot on. En het was
een meisjeshuis. Pas toen ik alles had geregeld – het contract getekend, de borg
betaald – heb ik mijn ouders opgebeld met de vraag of zij het erg zouden vinden
als ik ging kijken naar een kamer in het centrum. Ik kom uit een erg
traditioneel gezin, en wilde vooral mijn vader het gevoel geven dat hij de
beslissingen nam. Ik heb uiteindelijk vier jaar in de Raamsteeg gewoond.
‘Ik was toen nog heel streng moslim. Ik dacht dat je voor het
hiernamaals moest leven. Leven op aarde telde niet. Je moest veel meer bidden
dan studeren. En om mij heen zag ik alleen maar kwaad: studenten die bier
dronken, relaties hadden voor het huwelijk, niet baden. Ongelovigen.
'Ik denk dat ik vanaf mijn puberteit al aan het losweken was
van mijn geloof, maar soms heb je voorbeelden van buiten nodig. Dat waren die
studenten. Ik zag dat zij durfden te leven. Ik was bang dat als ik niet zou
bidden God mij een onvoldoende zou geven. Maar om mij heen zag ik meisjes die
niet baden maar wel goede cijfers kregen.
'Dat was een klap voor mijn wereldbeeld. Hoe kan dat, vroeg
ik mij af. Waarom straft God mij? Toen besefte ik: ik belemmer mijzelf door te
denken dat God mij wel goede cijfers zal geven en die anderen zal straffen in de
hel. Ik moest toen vaak denken aan mijn tijd in Pakistan. Toen ik in Pakistan op
school zat, kalligrafeerde ik op de achterkant van mijn proefwerken Allahu
akbar. Ik dacht dat je een extra punt kreeg als je dat deed. Totdat mijn
juffrouw zei dat ze dat niet meer wilde zien. En dat als ik goede cijfers wilde
halen, ik gewoon hard moest studeren.
‘Ik was vroom. Hypervroom. In de Raamsteeg was de douche in
de keuken. Vijf keer per dag ging ik bidden. Dat betekende vijf keer per dag
mijn voeten wassen. Dat durfde ik op een gegeven moment niet meer, omdat mijn
huisgenoten het overdreven vonden. Om praktische redenen ben ik er toen mee
gestopt. Als ik kookte voor het huis ging ik altijd naar de Islamitische slager
bij de Doesastraat. Die had gelukkig gewoon heel goed vlees. Of we bakten
vissticks of pannenkoeken. Toevallig woonde er in huis ook een veganist. Die was
nog radicaler dan ik.
‘Ik moest altijd om negen uur thuis zijn, want mijn vader kon
bellen. Mijn huisgenoten vonden dat ik alleen maar studeerde en bad. Zij vonden
dat ik ook van leven moest genieten. Daar had ik flinke ruzies. Ga nou mee!
Moet je weer naar huis om negen uur! Wat geeft het nou als je een biertje
drinkt? Wees niet zo bang voor je vader!
‘Het vreemde is dat ik op mijn vijftiende, toen ik heel vroom
was, wel heel gretig las over bijvoorbeeld de geschiedenis van de islam. Over de
oorlogen die Mohammed gevoerd had, bijvoorbeeld. Dat hij ook kwade, menselijke
kanten had. En dat er verschillende versies van de Koran bestaan. Ik wilde dat
weten. Maar mijn levensstijl was heel streng. Nog steeds kan ik de rust voelen
die levensstijl gaf. Maar het was een schijnrust, die allerlei negatieve
gevoelens met zich meebracht. Het gevoel er niet bij te horen. En afgunst.
“Jullie lachen, terwijl ik hier zit te lijden. Maar God zal jullie wel
straffen”, dacht ik.
‘Natuurlijk wist ik diep in mijzelf dat mijn huisgenoten niet
het kwaad waren. Rond mijn tweeëntwintigste heb ik die strenge religie en vooral
mijn angst voor God weggedaan. Ik ging er beter van studeren. Gretiger, kennis
om de kennis. Ik leefde eindelijk op aarde, zag de aarde als mijn paradijs. Mijn
cijfers bleven ongeveer gelijk, maar ik genoot meer van de studie. En ik voelde
me geprivilegieerd om te mogen studeren en om zoveel verschillende studenten hun
te leren kennen. ...
‘Mijn huisgenoten ben ik mijn hele leven dankbaar. Ik spreek
ze nog wel eens, via LinkedIn. Ze zagen toen in mij niet de schrijver die ik ben
geworden. Ze zagen mij als jurist in spe die naar Pakistan wilde om de armen te
helpen. Een filantroop. Ze vonden me een beetje een Britse lady, een porseleinen
popje. Als er in keuken een kop koffie omviel, stond ik er naar te staren van o,
o, help, wat moet ik nou doen. Tot iemand zei: gewoon een doek pakken. Hollandse
meisjes zijn lekker straight forward.
Nu ik hier lesgeef en weer door Leiden loop heb ik een enorm
gevoel van dankbaarheid en nederigheid. Deze stad heeft me opener gemaakt. Hier
ben ik ontkiemd. ...
Tussenstuk:
Wie is Naema Tahir?
Schrijfster Naema Tahir werd in 1970 in Engeland geboren uit Pakistaanse ouders.
Als kind woonde ze in Engeland, Pakistan en Etten-Leur. Ze ging naar Leiden voor
een studie rechten en studeerde af bij de bekende hoogleraar Pieter Kooijmans.
Vervolgens werkte ze als mensenrechtenexpert voor de Raad van Europa in
Straatsburg. In 2002 begon ze opiniestukken te schrijven. Daarna volgden boeken,
waaronder de romans Een moslima ontsluiert, Kostbaar bezit, Eenzaam
heden. Haar volgende roman speelt zich in Leiden af en wordt in 2010
verwacht.
Red.: Wat een fraai portret ook van de geestelijke
weerzinwekkendheid van het ding dat geloof, en specifiek islam, heet.
Uit:
Leids universiteitsblad Mare, 01-1-2009, door Franca Treur
Tijdens haar studie Nederlands verloor schrijfster Franca Treur haar geloof
Hoe God verdween in Leiden
Franca Treur schreef een boek over een meisje dat opgroeit in een
orthodox-gereformeerde gezin op het Zeeuwse platteland. Tijdens haar studie in
Leiden viel ze zelf van haar geloof. ‘God ziet en weet alles.’
‘Kind, waar begin je aan? Psychologie studeren nogal liefst. Ik snap niet dat je
vader en moeder je laten gaan. Wat moet je dan met je psychologie?’
‘Mensen helpen, oma. Als ze in de problemen zitten.’
‘Ach, denk toch niet dat je ook maar iets kan klaarmaken.
“Een verslagen geest, wie zal dien opheffen?” staat er in de Bijbel. Psychische
mensen zijn niet te helpen. Alleen als ze hulp van Boven krijgen, en daar hoef
je glad niet voor te studeren, m’n kind. Ik heb je niet over voor de wereld,
weet je dat?’
De volgende dag vertrok ik, net 18 jaar oud, per trein naar
Leiden. Mijn studententijd was begonnen.
Ik was voorbereid. In Leiden zou ik geconfronteerd worden met
onchristelijke medestudenten. Tot die tijd had ik op reformatorische scholen
gezeten en was ik alleen met mensen van de kerk omgegaan. Maar in de lange
vakantie had ik in een Italiaans restaurant gewerkt om alvast te weten hoe het
was om ‘voor mijn geloof uit te moeten komen’.
De eerste dagen was ik ’s avonds huilend terug naar huis
gefietst. Mijn collega’s waren nogal pissed omdat ik als enige elke
zondag vrij kreeg van de baas. Zij wilden ook wel standaard een vrije dag in het
weekend. Ze vroegen of ik al eens seks had gehad en of ik aan de pil was. Of ze
me daar achter die kratten niet eens ‘het een en ander’ moesten leren, en of ik
dan helemaal nooit een broek aan mocht. Een jongen uit de keuken had zich ten
doel gesteld om mij ‘van mijn geloof te trekken’. Het was hem na drie maanden
nog steeds niet gelukt. Daar was ik trots op. Ik vertelde het tegen mijn oma,
die het vreselijk vond dat ik in zo’n plaats van zonde had gewerkt. Ze keek me
treurig aan. ‘Wie meent te staan,’ zei ze, ‘ziet toe dat hij niet valle.’
Ze zou gelijk krijgen.
Ik had een kamer via via in een reformatorisch studentenhuis.
Mijn medestudenten namen me in de eerste week al ’s avonds mee naar een lezing
van een reformatorische studentenvereniging: Panoplia. Panoplia betekent in het
Grieks ‘volledige wapenrusting’. Ik word nergens lid van, had ik me voorgenomen.
Dat kon ik er niet naast hebben, meende ik. Maar van mijn huisgenoten moest ik
toch mee om te weten ‘waar ik nee tegen zei’.
De lezing was in een collegezaal in de rechtenfaculteit aan
de Hugo de Grootstraat. De praeses sloeg met een houten hamer op tafel en ging
voor in gebed. Na het amen ging iedereen staan en er werd een lied ingezet.
‘Doet aan Gods wapenrusting, weerstaat des bozen macht,’ was een van de regels.
Het ging over ‘het schild van het geloof’ en over Gods Woord dat scherper was
dan een zwaard. Ze zongen het vierstemmig. Prachtig. Even moest ik aan mijn oma
denken. Ik zou me wapenen tegen de verlokkingen van de wereld. ...
Bijbelkringen, studiekringen, verenigingsweekenden, er werd
wat afgediscussieerd, gezongen, gebrald en geborreld. Toen ik later niet meer
elk weekend naar mijn ouders ging, kerkte ik ook in Leiden. Na elke dienst werd
er gezamenlijk koffie gedronken op de kamer van een verenigingslid. Ik had een
tweede thuis gevonden.
Een zondagavond. We zaten met een student of vier te risken.
Thuis mochten we nooit spelletjes doen op zondag. Daarover kon je van mening
verschillen. Net als over de broek voor een meisje en wel of geen hoedje in de
kerk. Over de wezenlijke dingen waren we het wel met elkaar eens. Dat dacht ik
tenminste.
‘Zou God nu weten wie van ons gaat winnen?’ vroeg een
ouderejaars die ’s zondags weleens een dienst durfde over te slaan.
‘Natuurlijk,’ zei ik. ‘God ziet en weet alles. Hij weet dat al van eeuwigheid.’
Ik wist het zeker. Zo was ik dat thuis geleerd en op school en op de
catechisatie: Zonder Zijn wil zou er geen haar van mijn hoofd vallen. Hem
ontging niets en Hij zag geen enkele zonde door de vingers. Ik kreeg het even
warm van het idee dat Hij er misschien toch niet zo voor was, voor dat Risken.
De jongen keek mij aan. ‘Hij heeft toch wel iets anders aan Zijn hoofd, zou je
denken. Honger in Afrika, allerlei politieke beslissingen die genomen moeten
worden. Denk je echt dat Hij zich met zoiets futiels als ons potje Risken
bezighoudt?’ ‘Ja,’ antwoordde ik stellig. Maar ’s avonds in bed dacht ik er nog
lang over na.
Intussen was ik van studie gewisseld. Ik studeerde Nederlands
en volgde vakken bij literatuurwetenschap. Mijn eerste tentamen bestond uit
algemene kennis van de Griekse en Romeinse mythologie en van de Bijbelse en de
vaderlandse geschiedenis. De mythen, ze waren nieuw voor me, werden net als de
Bijbel behandeld als verhalen van mensen die de wereld om zich heen hadden
geprobeerd te duiden. Voor alles waar ze geen fysische verklaring voor wisten,
hadden ze goden verzonnen. Dat was natuurlijk je reinste onzin. Wat in de Bijbel
staat klopte; die mythen, dat waren gewoon verhaaltjes.
‘Iets bovennatuurlijk had ik zelf nooit meegemaakt’
Zeker, de Bijbel bevatte ook dingen die moeilijk echt gebeurd
konden zijn, zoals de passage in het Bijbelboek Jozua, waarin de zon een dag
lang stilstond. Het antwoord daarop is dat God almachtig is, machtig genoeg dus
om de zonsondergang uit te stellen. Waarom lazen we dan niet dat de aarde een
dag stilstond? De aarde draaide immers om de zon en niet andersom? Op de
middelbare school was ik getraind om dit soort vragen te pareren. Dat was omdat
God in Zijn openbaring rekening hield met het beperkte bevattingsvermogen van de
mens.
Die mythen, dat waren trouwens wel interessante verhaaltjes.
Ik kon er geen genoeg van krijgen. Ik begon er ook andere boeken over te lezen.
In musea herkende ik op schildersdoeken nu ook de taferelen uit de klassieke
oudheid. Toen las ik over de Enuma Elish, de Babylonische mythe waarin onder
meer stond hoe de aarde geschapen is. Ik zag de grote overeenkomsten met het
scheppingsverhaal uit Genesis. Het verhaal over de God Marduk bleek veel ouder
dan zijn Bijbelse tegenhanger. Ik schrok want dat kon maar één ding betekenen:
de Bijbel is beïnvloed door mythologische teksten die destijds circuleerden. Ook
het verhaal van de zondvloed was zo’n verhaal dat ook in andere culturen
bestond. In het veel oudere Gilgamesj-epos komt zelfs de eropuit gestuurde vogel
voor.
Bij literatuurwetenschap hadden we het op een gegeven moment
over hoe Bijbelse verhalen in de geschiedenis politiek zijn ingezet om vrouwen
achter te stellen. Adam was eerst geschapen, daarna Eva pas. Hij was het hoofd
van de vrouw. Zo’n verhaal kwam mannen goed uit. Daarmee konden ze hun
controlezucht legitimeren. Door controle waren ze ervan verzekerd dat de
kinderen die hun vrouwen baarden daadwerkelijk de hunne waren.
De Bijbelse woorden zijn Gods woorden. De heilige mensen
Gods, door de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. Geloofde ik
dat nog?
Ik nam kennis van de Schriftkritiek, waarin getwijfeld werd
aan de historische betrouwbaarheid van de Bijbel. Met het geloof in de Bijbel
als het ware Woord van God stond of viel alles. Er was Zijn Woord en er waren
individuele openbaringen. Veel mensen die ik kende uit de kerk of via Panoplia
hadden een bijzondere ervaring met God gehad. Meestal ging het om iets dat
moeilijk met woorden te beschrijven was. Iets bovennatuurlijks waar ze dikwijls
met veel terughoudendheid over spraken. Iets dergelijks had ik tot mijn grote
spijt zelf nooit meegemaakt.
De scepsis tegenover het gezag van de Heilige Schrift deed me
ook twijfelen aan het bestaan van God. Was hij niet een product van mensen?
Hadden mensen hem niet geschapen omdat zij een verklaring nodig hadden voor
fenomenen die ze anders niet verklaren konden? Als dat zo was, kon ik bidden tot
ik een ons woog, maar een bovennatuurlijke ervaring zou uitblijven.
De periode van hevige twijfel duurde zo’n anderhalf jaar.
Anderhalf jaar waarin ik wel gewoon meezong en –bad bij groepsactiviteiten van
de studentenvereniging. Dat voelde als huichelen. Toen hakte ik de knoop door.
Ik belde een bestuurslid van Panoplia. Toen hij langskwam, vertelde ik dat ik
geen christen meer kon zijn. Hoe jammer ik het ook vond, ik zou de vereniging
verlaten.
Na ons gesprek riep mijn hospita me naar beneden. ‘Moet je
toch eens kijken,’ zei ze, naar haar tv wijzend. Op het scherm zag ik een
vliegtuig die zich in een toren boorde. ‘Nu staat de wereld op zijn kop,’ zei
ze.
Red.: Daar zit inderdaad natuurlijk de sleutel: het woord
Gods. Wie kan dat weten?
Een in wat ruimer verband bekende vergelijking:
Uit:
De Volkskrant, 18-11-2011, column door Sylvia Witteman
Geloof
Tussentitel: Zodra je jongste niet meer in Sinterklaas gelooft, ben je
weer een stapje dichter bij het graf
Dat sinterklaasgedoe is weer in volle gang. ...
Mijn dochter en oudste zoon zijn inmiddels al geruime tijd
geleden van hun geloof gevallen, maar het kleintje van 7 houdt stug vol, ondanks
de lage laster waarmee hij door vroegwijze schoolmakkertjes wordt bestookt. 'Ze
zeggen allemaal dat júllie de cadeautjes kopen...', zegt hij schamper. 'Maar dan
zeg ik gewoon terug dat jullie daar veels te gierig voor zijn.' ...
Red.: Maar binnenkort lijkt die kous dus af, en het geloof
weg. Maar niet helemaal:
| |
Diep ontroerd ben ik intussen door mijn dochter. Zij wordt spoedig
14. Haar schoen zet ze natuurlijk nog steeds, naast die van haar
broertjes, om het sprookje voor het kleintje niet te verstoren. Zo ook
gisteren. Tegen tienen dacht ik: 'Kom, even de schoentjes vullen, voor
ik het vergeet.' Die lange lijs hing nog met haar laptop op de bank. Ik
nam wat lukrake happen van de worteltjes, en morste wat met het
waterbakje voor het paard. Mijn dochter keek verstoord op. Toen liep ik
naar de kast, om het lekkers te pakken. 'Niet doen!', riep het kind.
'Wacht, ik ga al naar bed. Ik wéét het wel, maar ik wil het niet
zien...'.
Ze rende de kamer uit, naar haar veilige bed, waar
Sinterklaas nog steeds bestaat. |
Zo diep zit Sinterklaas. Die andere afgod, Jahweh, God of Allah, zit nog veel
dieper.
Naar Religie en psyche
, Psychologie lijst
, Psychologie
overzicht
, of site home
.
|