Evolutie versus ID: de kansberekening
| 4 aug.2005 |
Het belangrijkste argument van de voorstanders van Intelligent Design (ID) als
oorsprong van het leven, is dat van de ingewikkeldheid van biologische
structuren, en de hoeveelheid samenwerking die nodig is om het geheel draaiende
te krijgen en te houden. In mechanische termen: als alle radertjes van zo'n belang zijn, moet er er wel
iemand geweest zijn die de radertjes op hun juiste plaats in het horloge heeft
gezet. Want kansberekening laat zien dat het onmogelijk is dat zo'n ingewikkelde
structuur door puur toeval ontstaat. Wat we hier gaan doen, is dat
kansberekeningsargument analyseren.
Uiteindelijk kan ieder kansberekeningsargument altijd vertaald worden in dobbelen,
in dit geval, in woorden: "Wanneer iemand twintig keer een dobbelsteen werpt en
deze komt twintig keer op 6 neer, zijn we niet geneigd om aan toeval te denken."
. Als uitspraak over
wat mensen denken is dit juist. Maar als uitspraak over de wetten van de
kansberekening is dit natuurlijk onjuist, want het is equivalent aan de bewering
dat een reeks van twintig zessen niet voorkomt. De wetten van de kansberekening
zeggen dat iedere reeks voorkomt, dus ook twintig zessen achter elkaar. Wel is
het zo dat van alle keren dat men twintig worpen achter elkaar doet, de reeks
van twintig zessen heel zelden voorkomt.
Dit punt kan zonder probleem aan de ID'ers gegeven worden: er zijn
structuren waarvan het ondenkbaar is dat ze binnen de leeftijd van het heelal
door puur toeval zouden zijn ontstaan.
De reden dat dit punt gegeven kan worden, is omdat op de ingewikkelde
biologische structuren de pure kansberekening helemaal niet van toepassing is. Dat wil zeggen, in
de zin dat je alle losse onderdelen neemt, de cellen, of nog lager, de moleculen
of atomen, en daarop de kansberekening toepast. De kansberekening moet toegepast
worden op een niveau onder het niveau van het samen-functioneren van het geheel.
Om het bekende voorbeeld van het oog te nemen: je mag niet praten over de kans
dat de eiwit moleculen gerangschikt worden in een patroon dat een transparante
bolvormige gelei, een harde transparante huid, en een vlies gevuld met
lichtgevoelige elementen oplevert (om maar een paar onderdelen te noemen), maar de
kans dat lichtgevoelig element ontstaat, de kans dat een lichtgevoelig uit
lichtgevoelige elementen ontstaat, de kans dat een klein transparant stukje huid
boven ontstaat, de kans dat er een beetje transparante gelei tussen huis en
vlies ontstaat, enzovoort.
Neem nu de eerste stap in dit proces. Het lichtgevoelige element is bekend van
bacteriën (en een op zich geheel niet bijzondere chemische zaak, want
bijvoorbeeld alle kleurstoffen zijn lichtgevoelig). Volgens de logica van hoe
meer lichtgevoelige elementen, hoe meer zicht, is dus het evolutionaire ontstaan
van een verzameling
lichtgevoelige elementen een logische ontwikkeling. En volgens het argument: hoe
regelmatiger die naast liggen, hoe duidelijker informatie, komt ook een laagje
of vlies in zicht. Enzovoort. In computermodellen is dit allemaal treffend
geïllustreerd, uitgaande van een paar lichtelementen en een beetje variatie in
hun positie, en een passende versterkingsfactor overeenkomend met betere
informatie over de omgeving. De ontwikkeling van een enkel lichtgevoelig element naar een
lichtgevoelig vlies is dus een volkomen evolutionair verklaarbaar proces. Hier
is zeker geen ID nodig. Voor een voorbeeld van hoe de natuur dit gedaan heeft, zie
de illustratie en verder hier
.
Het essentiële punt is dit: zodra het stadium van het lichtgevoelige vlies is ontstaan,
hoeven in de kansberekening al die mogelijke situaties waarin
dat vlies niet bestaat, niet meer meegenomen worden - het vlies is er
al,en zal niet meer uit elkaars vallen.
Ook dit is te vertalen in dobbelstenentaal: neem het ontstaan van het oog volgens
strikt toeval gelijk aan twintig worpen van zes op een rij, waarbij dus alle mogelijke
ordeningen van moleculen gelijk behandeld worden, zoals dat moet van de
kansberekening.
Het ontstaan van de tussensituatie van het lichtgevende vlies als vaststaand
element is gelijk aan het uitschakelen van een heleboel worpen, bijvoorbeeld:
alle vijven mogen niet meer. Dit geldt voor ieder mogelijke tussenstap, en het
is duidelijk dat dit bij slechts een paar mogelijke tussenstappen het aantal
mogelijkheden drastisch vermindert, en de kans op een bepaalde uitkomst drastisch verhoogt.
Hoe drastisch dat verschil is, kan men ook snel berekenen. Neem het ontstaan van
het lichtgevoelig element, een redelijk aannemelijk proces, als het opeenvolgend
werpen van drie zessen. En het ontstaan van een lichtgevoelig vlies bestaande
uit lichtgevoelige elementen, ook een redelijk aannemelijk proces, ook met een
worp van drie opeenvolgden zessen. Voor het ontstaan van een lichtgevoelig vlies
is dan niet een worp van zes zessen nodig, maar twee van drie zessen. De kans op
het eerste is één op 6x6x6x6x6x6, is
ongeveer één op 50.000. De kans op het tweede is
één op 6x6x6 + 6x6x6 , is ongeveer één op 500 . Dat is al een honderd maal zo
grote kans.
Neem nu het ontstaan van het oog via puur toeval
als een reeks van eenentwintig opeenvolgende zessen. En neem als voorstelling
van het ontstaan van het oog in logische tussenfasen zeven maal een reeks van
drie zessen op een rij. De kans op het eerste is één
op 6x6x6x6x6x6x6x6x6x6x6x6x6x6x6x6x6x6x6x6, en de kans op het tweede is
één op
6x6x6 + 6x6x6 + 6x6x6 + 6x6x6 + 6x6x6 + 6x6x6 + 6x6x6 . Het eerste getal
is microscopisch klein. Het tweede is 1/1512 ; klein, maar vele werelden van
verschil met het eerste.
Hoe groot die werelden van verschil zijn kan duidelijk gemaakt worden door het
in tijd uit te drukken: neem voor iedere worp een seconde, of doe iedere
seconde een worp. Voor het geval van volledig willekeurige kansen duurt dit iets
van 700 miljoen jaar. In de situatie met tussenstappen is de kans in de
tientallen procenten na een klein half uur werpen (een uur heeft 3600 seconden).
Het argument van de ID'ers is nu volkomen duidelijk: neem nog een
tweeëntwintigste dobbelsteen erbij, en je bent bij de leeftijd van de aarde - het
ontstaan van het oog via puur toeval met betrekking op alle samenstellende
elementen is uiterst uiterst onwaarschijnlijk, ook wetenschappelijk gezien, omdat er meer tijd nodig zou zijn dan er is gedurende het bestaan van de
aarde.
De weerlegging ervan is even duidelijk: in werkelijkheid verloopt de
ontwikkeling van ingewikkelde biologische structuren in tussenstappen, hetgeen de tijd die
ervoor nodig is, terugbrengt naar hoeveelheden die minuscuul zijn in vergelijking
tot de leeftijd van de aarde. Ruim genoeg om vele malen te gebeuren, zoals er
ook vele soorten van oog zijn, bij vele verschillende diersoorten, en de
buidelversies van vele bekende zoogdieren
.
Naar Religie vs. ratio
, Psychologie lijst
, Psychologie
overzicht
, of
site home
.
|