De Volkskrant, 23-06-2012, door Naima El Bezaz 2011

Een noodlottige dag

Op een kwade dag werd schrijfster Naima EI Bezaz (38) - ze noemt zich graag 'de buurvrouw from hell' - wakker in een onbekend ziekenhuis. Haar hoofd en nek waren vastgeschroefd in een stalen frame. 'Er snerpte een ondraaglijke pijn door me heen.' Een fragment uit haar nieuwste boek 'Meer Vinexvrouwen'.

'Je hebt je nek gebroken en je draagt een haloframe in je nek te fixeren'

Op een nacht in juni gebeurde er iets ergs. Ik weet niet meer wat precies, dat is in een zwart gat verdwenen. Ik weet alleen dat toen ik wakker werd ik niet thuis in mijn bed maar in een ziekenhuis lag. Alles aan mijn lijf deed pijn. Er zat iets aan mijn hoofd vast. Iets zwaars. Ik kon me niet bewegen. Dit moest een nachtmerrie zijn, dus kneep ik mijn ogen dicht. Maar toen ik die weer opende, lag ik nog steeds op die vreemde plek. En ik was daar niet alleen. Ik hoorde mensen praten en heen en weer lopen. Door dat zware ding aan mijn lijf dat me tegen het bed gedrukt hield, kon ik niet opkijken. Ik zag alleen maar een wit plafond en recht tegenover me een televisietoestel. Iemand in de kamer kermde van de pijn. Tot mijn schrik besefte ik dat ik dat was. Het was alsof mijn lichaam en geest volkomen van elkaar gescheiden waren. Ik zat buiten mezelf en in mezelf, zonder enige controle over mijn handelen. En toen kwam de paniek.
    Op deze ochtend, 6 juni 2011 om precies te zijn, werd ik wakker in het VU Ziekenhuis in Amsterdam. Dat is althans wat ze me vertelden. Wie dat waren weet ik niet meer. Artsen, verpleegkundigen; iedereen in het wit. Ze kalmeerden me. Ik huilde zonder te weten dat ik huilde. Het was een volkomen surrealistische werkelijkheid waaraan ik gekoppeld was, zoals een Amerikaanse gevangene in de death row.
    Stukje bij beetje werd me duidelijk wat er met me aan de hand was. Er snerpte een ondraaglijke pijn door me heen. Het was alsof een bot mes over mijn vlees sneed en mijn nek doormidden probeerde te zagen. Ik gilde het uit. Vlak daarna prikte iemand iets in mijn been. Vloeistof    brandde door mijn spieren. Daarna was er rust. Even. Totdat de pijn weer toesloeg en ik opnieuw een prik kreeg.
    'Wat is dat?' vroeg ik hysterisch. 'Waar ben ik? Wat is er gebeurd?'  
    'Dit is morfine,' antwoordde de zuster. 'Je ligt in het ziekenhuis. Je bent vannacht binnengebracht. Je hebt je nek gebroken en je draagt een haloframe om je nek te fixeren. Je tweede nekwervel van boven is gebroken. De C2. Je hebt erg veel geluk gehad. Een normaal mens overleeft dit niet en als dat al gebeurt, dan met een totale dwarslaesie. Dus doe heel rustig aan. Alles aan je is nu ontzettend kwetsbaar. Maar je leeft. Wees blij, je leeft!'
    'Het doet zo'n pijn,' jammerde ik. 'Zo vreselijk veel pijn.' De verpleegster streelde over mijn arm, troostte me en beloofde dat ze met de arts zou praten om te zien of ik een hogere dosis pijnstilling kon krijgen.
    'Natuurlijk heb je pijn. Maar wees blij dat je die pijn kunt voelen. Dat betekent dat je niet verlamd bent. Het scheelde geen millimeter of je ruggenmerg was beschadigd. Dan zou je nu aan de beademing hebben gelegen met een hoge dwarslaesie, dame! Je hebt ongetwijfeld een heel leger engeltjes op je schouders. Denk aan je dochters. Die hebben hun moeder nodig.'

Ik ben bang. Ontzettend bang. Ik kan alleen recht voor me uit kijken. Mijn lichaam zit in een metalen harnas dat zwaar op mijn borst drukt. Ik kan niet stoppen met huilen. Ik denk aan mijn man en mijn dochters en voel me alleen. Heel erg alleen.
    In mijn voorhoofd zitten twee schroeven tegen mijn schedel aan. Die houdt een metalen boog vast waaraan dat haloframe vastzit. Achter mijn oren zitten ook schroeven gedraaid. Het haar is daar weggeschoren, is me verteld.

Die eerste dag zal ik nooit vergeten. Daarom schrijf ik er nu over. Om het daadwerkelijk nooit te vergeten.
Maar ik heb het moment lang voor me uitgeschoven. Terwijl ik dit schrijf klopt mijn hart in mijn keel en kan ik amper ademhalen. Ik zit op mijn bed. De deur staat open en ik zie de trap waar ik die nacht van af ben gevallen. De nacht dat ik mijn nek brak. Het liefst wil ik stoppen met dit verhaal en het over iets heel anders hebben. Maar ik moet hier doorheen, juist omdat die noodlottige dag mijn leven heeft veranderd.

Ik was opgenomen in een ziekenhuis ver van mijn woonplaats vandaan. Daarom wilde ik daar niet blijven. AI enkele dagen lag ik daar, op dat bed. Ik deelde mijn kamer met drie andere patiŽnten. Mensen waarvan ik het gezicht nog steeds niet kende, maar hun slaapgeluiden daarentegen helaas maar al te goed. Ik vroeg om overplaatsing naar het ziekenhuis in mijn woonplaats. De neurochirurg vond dat geen goed plan, omdat ze daar volgens hem niet gespecialiseerd zijn in mijn gecompliceerde nekbreuk. Bovendien moest ik me realiseren hoe kwetsbaar ik op dat moment was: als ik me zou stoten of zou struikelen en vallen dan zou ik alsnog verlamd kunnen raken. Maar ik bleef bij mijn standpunt. Ik wilde daar niet blijven. De chirurg liep zuchtend weg. Een verpleegster kwam naast mijn bed staan en boog zich naar me toe zodat ik haar kon zien.
'Het is niet echt verstandig. Ze hebben in dat ziekenhuis vrijwel geen ervaring met dit soort breuken. En op hun afdeling neurologie hebben ze geen plaats en daarom zou je naar een andere afdeling moeten. ..





Denk er alsjeblieft goed over na. Je moet minimaal drie maanden in deze stalen constructie blijven en daar heb je specialistische zorg bij nodig. In dat streekziekenhuis kunnen ze je dat niet bieden.' 'Ik wil bij mijn gezin zijn.' De verpleegster kneep in mijn hand en zei: 'Het is onverstandig, maar ik ben zelf ook moeder en begrijp watje voelt. Ik ga voor je uitzoeken wat er mogelijk is. Waarschijnlijk zullen onze arts en met dat ziekenhuis gaan overleggen. Je zult hier nog een tijdje opgenomen moeten blijven totje nek redelijk stabiel is en je vervoerd kunt worden.'

In het VU Ziekenhuis had ik veel tijd om na te denken. Met alIe macht probeerde ik de beelden terug te halen van die fatale nacht. Ik wilde weten hoe ik was gevalIen, wat er precies was gebeurd. Maar alIes bleef gehuld in een zwarte waas, alsof het stuk van mijn hersenen met die herinnering op de vinextrap was achtergebleven.
Maar ik weet nu wel precies wat voor nekbreuk ik heb gehad. Een C2-dens fractuur, ook wel hangman's fracture genoemd. In de va werden in het verleden de ter dood veroordeelden opgehangen, waarbij de strop zodanig om de nek werd vastgemaakt dat er bij de ophanging een perfecte C2-breuk ontstond die voor een directe dood zorgde.
Normale mensen overlijden dus aan zo'n ongeluk. Dit is dus het bewijs dat ik niet normaal ben. Of het is het bewijs dat God de pik op me heeft. En denkt: blijfjij maar lekker hier, gevangen in die ijzeren kooi die is vastgeschroefd inje schedel.
De neurochirurg veroordeelde mij tot minimaal drie maanden in dat metalen vest. Ik maakte me druk om het feit dat er een stuk van mijn haar was afgeschoren om plaats te maken voor de schroeven achter mijn oor. Ik hoopte maar dat het snel weer zou aangroeien. Erger vond ik het vooruitzicht dat er voor de rest van mijn leven twee littekens op mijn voorhoofd te zien zouden zijn. Ik was somber en opgefokt. Maar gelukkig modht ik, na veel gezeur, toch naar het ziekenhuis bij mij in de buurt.

Het streekziekenhuis was inderdaad wat primitiefvergeleken met mijn eerste verblijfPlaats. De verpleegkundigen wisten niet goed wat ze met me aan moesten. Het was voor het eerst dat er iemand was opgenomen die was gevangen in een kooL De afdeling neurologie had dan wel ervaring met patienten die neurologisch het een en ander mankeerden, maar ik was toch van een geheel andere orde. Daarnaast was ik chagrijnig, woedend en vaak intens verdrietig. En de pijn was vreselijk.
De fYsiotherapeut, die dagelijks bij me langskwam, deed oefeningen met me zodat ik sterk genoeg werd om zelf mijn bed uit te kunnen en rond te kunnen lopen. Maar dat ding, die metalen kooi, woog ruim vijf kilo en als ik me maar een klein beetjje bewoog trokken de spieren in mijn nek zich zodanig samen dat ik een schreeuwende pijn in mijn botbreuk kreeg. Ook kreeg ik een rollator waarmee ik over de afdeling moest lopen. Ik zag er niet uit en schaamde me rot.
'Over drie maanden mag dat frame eraf, maar nu moeten we veel oefenen. Het komt alIemaal goed. Je moet gewoon positief denken,' zei de Indische therapeut die altijd vrolijk uit zijn ogen keek. Dat maakte me nog bozer.
Als de pijn me te veel werd, snelde er een verpleegster naar me toe om een spuit in mijn been te drukken.
Ik kreeg het gevoel dat ze me plat wilden spuiten. Zouden ze me soms lastig vinden?

Na een week in het streekziekenhuis kreeg ik een kamergenoot. Hij vertelde me dat hij zich had bezeerd toen hij zich wilde ophangen.
'Hoe komt het dan datje nog leeft?' vroeg ik, terwijl ik naar de striemen in zijn nek staarde.
'Omdat ik een strak en gespierd lijfwilde hebben, was ik dagelijks in de sportschool te vinden. En wat krijg je dan, afgezien van een lekker lijf? Krachtige nekspierenl Die krengen zorgden ervoor dat ik maar niet stikte. Zwaar klote! ' Ik wees naar zijn kruin waar geen haartjje meer op te zien was. 'Benje uitgeschoten metje tondeuse?' Het was een oprechte, serieuze vraag, maar het schoot bij hem in het verkeerde keelgat.
'Doe niet zo bijdehand trut. Dat komt door dat kuttouw. Mijn haren zijn daardoor weggebrand en die krijg ik nooit meer terug. Ik loop nu gewoon voor gek.' 'Ik loop gekker danjij voor gek loopt,' pareerde ik.
'Wat is dat nou voor raar Nederlands, trut?' 'Alsje me nog een keer trut noemt geefikje een kopstoot. Dan weetje zeker datje niet meer wakker wordt. Lull En waarom ligje eigenlijk op deze afdeling?' 'lets met zuurstofgebrek in mijn hersenen en zo,' zei hij kortaf. Zijn stem klonk wat zachter, angstig haast.


'lk kreeg het gevoel dat ze plat wilden spuiten.
Zouden ze me lastig vinden ?'


'Zeg, waar hebbenjullie het eigenJ.jjk over?' klonk een stem vanaf de andere kant van IIlljn bed. Daar lag nog een kamergenoot, die gisteren was binnengebracht. Ik was hem helemaal vergeten. Om hem goed te kunnen zien trok ik me omhoog. Ik zag dat ~ een verband om zijn hoofd had. Zijn armen lagen onder de deken. De man fronste toen ~ merkte dat ik naar hem staarde.
'Kunje het zien, zendmast? 0 misscmen heb ik nu wel bereik met IIlljn gsm.' Hij lachte luid om zijn eigen grap.
C...) De meuweling staarde gefascineerd naar de metalen constructie die om me heen was gebouwd.
'Goh,' zei ~. 'Je ziet er echt met uit.' 'Wordje sorns door iemand betaald om dit te zeggen? Door IIlljn buren of zo? Die hebben de pik op me sinds dat boek is verschenen.' 'Waar heb jij het nou weer over?' vroeg ~ boos. 'Jij hebt echt een klap op je kop gekregen.' Ik keek naar het verband om zijn hoofd en zijn armen. Hij volgde IIlljn blik.
'Ik kreeg ruzie met IIlljn vrouw. Ze tergde me gewoon. Ik was zo boos op dat mens dat ik naar de schuur liep om daar met IIlljn zaag in IIlljn polsen te snijden. Zij kan namelijk slecht tegen schuldgevoelens, dus uit wraak wilde ik zorgen dat ze die flink zou krijgen. Ik werd wakker in het ziekenhuis. Ik was per ongeluk te ver doorgegaan. Overal bloed man. Ik viel, stootte m'n kop en toen werd ik mer wakker. Een chirurg was al zo lang bezig om IIlljn wonden te hechten, dat ~ op het laatst tegen me zei: "Er komt gewoon geen einde aan die sneden. Ik word er doodmoe van. Ik ga even koffie halen, jij gaat voorlopig toch met dood." En toen ging ~ doodleuk naar de kantine toe. Aso!' Coo.)

In die maanden in het ziekenhuis maakte ik ruzie met bijna iedereen van de verpleging. Ik vond dat de meeste tergend langzaam waren. Daarnaast viel het me op dat sommige artsen verwijde pupillen hadden en een beetje hyper deden. Het waren vooral de arts-assistenten. Van Erik hoorde ik dat veel dokters z6 veel uren achter elkaar moesten werken, dat ze wel een pillejJe oftwee moesten slikken om op de been te blijven. Ik vond het eerst moeilijk te geloven, maar doordat ik dag en nacht in het ziekenhuis doorbracht en met eigen ogen zag hoeveel uren ze draaiden, leek het me inderdaad met logisch dat zulke mensen dat puur op wilskracht deden. Vooral degenen die op hoog mveau presteerden. Ik vroeg me af of er ziekenhuizen waren die bij hun eigen personeel drugstests afuamen. Maar wellicht was ook de directie constant onder invloed.
Karin vertelde me dat ze haar leven lang veel tijd doorbracht in ziekenhuizen. Zodoende wist ze de geheimen en hoorde ze de nodige roddels.
Er was een apotheek die flink wat kalmeringsmiddelen afleverde. Morfme en andere pijnstillers werden wel goed gedocumenteerd om misbruik te voorkomen, maar veel andere pillen waren makkelijk te verkrijgen. Er waren genoeg verpleegkundigen en artsen die een greep in de medicijnkast deden. Voor eigen gebruik of om uit te delen of zelfs te verkopen in hun buurt.
De romantiek, ofbeter gezegd lust, hing ook in de lucht. Hoewel er op de afdeling tv's waren, was het veel leuker om de soap te volgen die in het echt plaatsvond. De heimelijke blikken tussen artsen en ander personeel. De roddels die de zusters elkaar vertelden als ze in IIlljn kamer waren en ik deed alsofik sliep. Ik genoot ervan.

Maar ik genoot pas echt als IIlljn man en kinderen bij me op bezoek kwamen. Ook IIlljn beste vriendin kwam bijna dagelijks langs. Zij logeerde bij ons thuis om er voor de kinderen te zijn als IIlljn man moest werken.
Vaak als ik rond het bezoekuur uit het raam keek, zag ik haar met mijn dochters aankomen. Ze reed op een enorme bakfiets, die ze ~gend en puffend en met een knalrood hoofd van de inspanning voortbewoog. De kinderen zaten echter vrolijk en ontspannen in de bak. Ze genoten van die tochtjes. In het ziekenhuis renden ze door de gangen en aten ze friejJes. Mijn haloframe noemden zij het 'vogelnest'. Dat vond ik een prattiger woord dan zendmast...
Geleidelijk aan genas IIlljn nek en werd de dosis morfme verlaagd. Ik kwam steeds meer bij mezelf. De chemische troep zorgde voor wanorde in IIlljn hersenen en door het af te bouwen werd ik rustiger en stabieler.
Eens in de twee weken bezocht ik de neurochirurg in het VU Ziekenhuis. Die bekeek de ct-scans en zag dat de wervels zich heelden. Het ergste van die onderzoeken was het moment waarop ik naar de gipskamer moest, waar de gipsmeesters de schroeven in IIlljn schedel aandraaiden om ervoor te zorgen dat IIlljn nek goed geflXeerd bleef. Het was dan net alsof IIlljn hoofd implodeerde en ik kermde van die pijnJ.jjke druk. Maar ik bleef mezelf voorhouden dat ik dankbaar mocht zijn dat ik nog leefde en dat het met lang meer zou duren voordat ik van dat vervloekte harnas afwas. De wonden in IIlljn voorhoofd zouden echter zichtbaar+


'De romantiek, of beter gezegd lust, hing in de lucht'


b~ven, maar dat betekende ook dat ik daar altijd naar kon ldjken op momenten dat ik het even niet zou zien zitten. Om me eraan te herinneren hoe makke~k het fout kon gaan.

Het lopen ging nu soepel en pijnloos. Zelfs aan het gewicht van het metaal aan ~n ~fwas ik gewend geraakt. Maar wennen aan de blikken van de bezoekers in het ziekenhuis kon ik niet. Die verbijsterde gezichten, het gefluister van mensen die net iets te hard zeiden: '0 wat vrese~k. Hoe zou ze slapen met die spijlen om haar hoofd?' Een oude vrouw kwam bij me staan en vroeg: 'Alsje gaat slapen. Doeje dat ding dan a!?' 'Ja klopt,' zei ik. 'Dan pak ik een schroevendraaier uit ~n gereedschapskist, schroefik de boellos, til dat ding van ~n hoofd, zet 'm op een stoel en ga dan lekker op een zacht kussen liggen.' '0, gelukkig maar,' zei ze en ze liep tevreden weg. Ik keek ik haar na en dacht: wijsheid komt dus niet met de jaren.

Mijn medepatienten Anton en Pieter werden, zoals ik al eerder zei, ~n beste maatjes. Vooral Pieter was dol op me omdat ~n moeder om de dag met lekker eten kwam. Ik kreeg dan van hem een reep chocolade en een blikje cola en hij at de couscous op. Na het eten wandelden we met z'n drieen in het park achter het ziekenhuis. Ik zag de blikken van de mensen op straat al niet meer. Of deed alsof ik ze niet zag. De pijn in ~n nek verdween. En ik deed aardig tegen de verplegers. Die dat op hun beurt verdacht vonden. Ze wantrouwden ~n vriende~kheid.
De verandering in ~n gedrag kwam doordat ik na al die weken vrede kreeg met ~n situatie. Ik besefte dat dit alles slechts van tijde~ke aard was. De ellende zou verdwijnen en ik besloot te genieten van het leven. Daarnaast had ik lange gesprekken met ~n maten over de zin en nog meer de onzin van het leven.
Vooral dat laatste zorgde voor de draag~kheid van het bestaan. Iedereen ging door een klotetijd. Enje moest immers eerst vallen om op te kunnen staan.

Met ~n man ging ik eind augustus terug naar het VU Ziekenhuis om bij ~n neurochirurg de foto's van ~n nek te beldjken. Het zou spannend worden. Het was nu drie maanden geleden dat ik ~n nek brak.
Drie maanden leefde ik al in dat haloframe, waarmee ik sliep en weer opstond. Het wende nooit. Ik hoopte dat de chirurg zou zeggen dat het martelwerktuig afmocht. Ik vreesde dat ze echter zou besluiten dat ik het nog een week oflanger zou moeten dragen. Er waren mensen die wel zes of negen maanden in zo'n ding rondliepen. Telkens als ik daar was, benadrukte ze hoe ernstig die breuk wel niet was. Alsof ik dat zou vergeten.
We zaten tegenover haar. Mijn man hield ~n hand stevig vast. De neurochirurg keek in haar computer.
Ze glimlachte en zei: 'Hij mag eraf.' Ik schreeuwde het uit van pure opluchting en geluk.
Meteen liepen we naar de gipskamer. Daar wachtten ze me al op.
'De schroeven gaan pijn doen inje schedel als we ze losdraaien. Het voelt alsofwe ze er juist weer in draaien. Maar wanneer ze uitje hoofd zijn is dat nare gevoel snel weer weg.' De pijn viel mee. De euforie van het moment haalde de scherpte er vanaf. Ik kreeg de schroeven mee, als herinnering voor later. Ik wees naar de voorhoofdwoncljes en zei: 'De herinnering zit hier voor altijd en ik vind het niet eens erg.' 'De littekens zullen vervagen. Ze zullen niet helemaal verdwijnen, maar het zal wel minder worden.'

De kinderen waren dolb~ toen ze me zagen. Voor het eerst in al die tijd kon ik ze weer omhelzen zonder dat er metalen spijlen tussen ons in stonden.
De voIgende dag liep ik naar buiten om met de jongste te wandelen. De oudste zat op school. De buurman, met wie ik sinds het verschijnen van Vinexvrouwen ruzie had, was zijn stoep aan het vegen. Hij keek me aan. Ik glimlachte. Na alles wat er gebeurd was, hoopte ik dat we de ellende konden vergeten. Hij was immers vroeger een vriend geweest en daarnaast had ik niet over hem of zijn vrouw geschreven. Toch was hij beledigd en vond hij dat ik de wijk belache~k had gemaakt.
'Dag buurman,' zei ik. 'Gaat het goed met je?' 'Prima,' zei hij. 'Enjij?' Hij wees naar de achterkant van zijn nek.
'Helemaal genezen.' 'Jammer."

Toch wens ikjou het beste toe,' antwoordde ik rustig.
Sindsdien hebben we geen woord meer gewisseld. En ik koester geen wrok. Daar is het leven te kort en kostbaar voor. ..


'lk kreeg de schroeven mee. Als herinnering voor later. I


Naar Religie en psyche , Psychologie lijst , Psychologie overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]