De Volkskrant, 06-11-2010, door Arnon Grunberg .2010

De literatuur moet de enkeling beschrijven, of die zich nu verzet of niet

Arnon Grunberg is schrijver en columnist van de Volkskrant. Onlangs verscheen zijn roman Huid en Haar.

Zolang ik mij kan herinneren, heb ik het woord crisis gehoord. Zij is er altijd geweest. Hoewel de crisis onbehagen oproept, is moeilijk vol te houden dat ons leven gekenmerkt wordt door nood en gebrek. De meesten van ons leiden een aangenaam en goed leven. De werkelijke crisis kennen wij van horen zeggen en toch hebben wij de neiging over haar te spreken alsof wij er persoonlijk door getroffen zijn.

Het beschavingsideaal eist van ons dat wij ons verantwoordelijk voelen voor misstanden, ook als wij die niet of nauwelijks kunnen veranderen. Wij kunnen ons alleen van die hoge eis bevrijden door ons niet meer als schuldige van de misstand te zien, maar als slachtoffer.

Het is nuttig eraan te herinneren dat het slachtoffer in onze tijd een speciale status heeft gekregen. Het slachtoffer heeft voorrechten en een bepaalde mystiek, die we allemaal wel zouden willen. Die voorrechten geven wij bij voorkeur niet aan ware slachtoffers zoals vluchtelingen. We houden ze liever voor onszelf.

Aan het ingebeelde slachtofferschap ligt vrijwel altijd een ondraaglijke schuld ten grondslag, waarvan men zich wenst te bevrijden. Die crisis van de beschaving kortom, dat zijn wijzelf. En als we het niet zijn, dan willen we het worden, een levensinstelling die Ilija Trojanow in zijn lezing treffend verwoordt met ‘Het gevoel een plaag te zijn’. Als mens. Als soort.

Mijn eerste gedachte na lezing van Trojanows tekst was om over die plaag te spreken, om zijn woorden letterlijk te nemen. Om hier als plaag te verschijnen, om te onderzoeken wat het betekent als plaag te worden gezien, door jezelf en door anderen.

Vrijwel meteen kwam de twijfel. Niet omdat ik het intuďtief oneens ben met Trojanows diagnose, maar omdat ik me begon af te vragen welke positie je inneemt als je de gehele mensheid als plaag voorstelt. Stel je jezelf dan niet voor als geneesheer die de ziekte diagnosticeert? Je kunt niet ziekte en geneesheer tegelijk zijn. Bovendien zijn er mensen die echt als plaag worden gezien, vluchtelingen, immigranten, illegalen. De gehele mensheid reduceren tot plaag betekent een ontkenning van een kleine maar groeiende groep mensen: vluchtelingen.

Ik was van plan uit te leggen dat de geschiedenis van de beschaving, in elk geval de moderne westerse geschiedenis, bestaat uit beschrijvingen van de crisis van de beschaving, dat die crisis permanent is en dat wij die ook nodig hebben, iets wat ons houvast geeft, een identiteit geeft.

Geenszins wilde ik de klimaatveranderingen bagatelliseren, maar ik wilde opmerken dat de behoefte en de oproep om tot actie over te gaan misschien eerder voortkomt uit de noodzaak om dat zondige gevoel kwijt te raken dan dat men zich werkelijk bekommert om de effecten die die acties zouden kunnen hebben. De grootste schade bij olierampen, berichtte de New York Times naar aanleiding van de BP-ramp in de Mexicaanse Golf, wordt veroorzaakt tijdens de schoonmaakwerkzaamheden. Het klinkt naar, maar misschien levert niets doen soms de minste schade op.

Ik was met andere woorden van plan mij aan u te presenteren als schoft; de ontkenner van de crisis, dat moet wel een schoft zijn. Maar omdat ik graag voor een scherpzinnige schoft wil doorgaan, ging ik na welke argumenten u tegen mijn betoog zou kunnen inbrengen. Dat waren er best wat. Ik hoefde de krant maar open te slaan om ze tegen te komen.

Ik las Trojanows tekst nog een keer, die hij afsluit met de wanhopige verzuchting: ‘Wat kan de literatuur anders doen dan de enkeling beschrijven die zich verzet?’ Was eerst het woord ‘crisis’ nog een verzamelbak waarin men alles kon gooien wat men wilde, zorgvuldige lezing van Trojanows betoog deed mij inzien dat we de crisis waarover hij spreekt wel degelijk van een definitie kunnen voorzien. De klimaatramp was eerder motief dan thema in zijn lezing, meer een illustratie bij de stelling dan de stelling zelf.

Wat ik uit Trojanows betoog meende te begrijpen was dat de crisis gelegen is in het feit dat een gemeenschappelijke taal ontbreekt waarmee een zinnig debat gevoerd kan worden. Zijn slotoverwegingen maken duidelijk dat argumenten te laat komen. En zelfs al zouden argumenten van een enkeling overtuigen, dan zouden de acties van die enkeling hooguit een druppel op de gloeiende plaat zijn. Bovenal spreekt uit het slot van Trojanows betoog twijfel aan een gemeenschappelijke redelijkheid.

Wat de literatuur in een van redelijkheid verstoken wereld kan doen, waarin de mens zichzelf herkend heeft als plaag en het humanisme als ideaal niet meer voldoet, is duidelijk: de enkeling beschrijven die zich verzet. Maar er is ook nog iets buiten die literatuur. Als wij Trojanows tekst serieus nemen, kunnen we niet zomaar voorbijgaan aan de subtiele maar toch betrekkelijk eenduidige uitnodiging tot revolutie waarmee hij zijn betoog afsluit.

Na het diagnosticeren van de ziekte (‘de ziektes van het kapitalisme heten consumptie en verspilling’) zegt Trojanow dat de enige kracht die deze toestand kan veranderen de kracht is die deze toestand teweeg heeft gebracht. Die kracht zal niet uit zichzelf veranderen, zij moet dus overwonnen worden. Hoe dat in zijn werk moet gaan, daarover zwijgt Trojanow. Maar dat de status quo niet kan voortduren, daarover laat hij geen twijfel bestaan.

Met Trojanows oproep is iets merkwaardigs aan de hand. Die oproep is ingebed in een betoog dat handelt over een roman in wording. Dat de schrijver van die roman tijdens het ontstaansproces voortdurend reflecteert over de wereld om zich heen doet niets af aan wat Trojanows betoog overheerst, aan wat zijn ware interesse lijkt te zijn: de roman die hij aan het schrijven is en die begon met een nachtmerrie.

De belangrijkste vraag die Trojanows tekst oproept, is hoe wij de oproep tot revolutie moeten begrijpen van iemand die niet gelooft in de voorwaarden om die revolutie gestand te doen. Vertrouwen in argumenten is afwezig en wij hebben geen redenen aan te nemen dat Trojanow in demagogie of geweld gelooft.

Zoals vaker het geval is, zal Trojanows keuze voor de literatuur een noodsprong zijn. Een noodsprong uit de patstelling, die ik even samenvat als: wat kan ik doen terwijl ik weet dat ik niets kan doen?

Laten we nog eens naar Trojanows mooie en intrigerende slotzin kijken, en vanaf de eerste regel werkt zijn betoog naar deze slotzin toe: ‘Wat kan de literatuur anders doen dan de enkeling beschrijven die zich verzet?’ De vraag nu is of de schrijver moet geloven dat de lezer na beschrijvingen van het verzet gelezen te hebben zelf tot verzet zal overgaan.

Ik vermoed van niet, ik lees in Trojanows oproep wanhopige ironie. Hij beseft dat de romanschrijver deel uitmaakt van de machten die deze toestand teweeg hebben gebracht, dat zelfs het diagnosticeren en analyseren van de crisis de machten die deze toestand teweeg hebben gebracht zal versterken.

Zeker als de schrijver de per definitie ambivalente wereld van de roman verlaat, moet hij de positie bevragen van waaruit hij spreekt. Hij moet zijn eigen autoriteit in twijfel trekken en indien nodig ondermijnen. Uiteindelijk kan hij geen ander doel dienen dan het wezen van de roman tot uitdrukking brengen: belangeloze speelsheid. En dat is niet een speelsheid die morele vragen uitsluit, het is speelsheid die eraan bijdraagt dat een morele vraag gesteld kan worden zonder die meteen te willen beantwoorden, een speelsheid die het mogelijk maakt dat morele vragen gesteld kunnen worden die elders de orde zouden verstoren.

Hiermee wil ik Trojanows slotzin nuanceren: de literatuur móet de enkeling beschrijven. Of die enkeling zich verzet of niet maakt mij eigenlijk niets uit.

Van de Tweede Wereldoorlog hebben wij geleerd dat de daders hun gang konden gaan doordat omstanders wegkeken. Het verschil tussen de wegkijker en de dader lijkt daarmee weg te zijn gevallen. Het ontkennen van dat verschil is immoreel.

Ik mag geen verzet van de ander eisen, ik kan alleen dit stellen: een fatsoenlijke staat stelt zijn burgers in de gelegenheid om onverschillig te zijn zonder hen daarmee medeplichtig te maken aan een misdaad.

 

IRP:  Bemoei je met je individualsieme dan ook niet met de maatschappij via de media.




Naar Alfa en bčta, psychologisch , Alfa en bčta, sociologisch , Sociologie lijst , Sociologie overzicht , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]