De Volkskrant, 25-05-2011, door Joost Zwagerman .2010

Zwagerman leest

Er zijn drie regels voor het schrijven van een roman. Helaas kent niemand ze.
-----------------------------------------------------------------------------------
Het geheim | Schrijven is lezen, veel lezen

De in Hongarije geboren Stephen Vizinczey schreef een even geweldig als onopgemerkt boek met essays over oude litaraire meesters; Renate Dorrestein in 2000 een handboek voor het schrijverschap. Beide werken maken een cursus overbodig.

Nederland telt een miljoen aspirant-schrijvers. In plaats van een cursus zouden ze Dorrestijn en Vizinczey moeten lezen.

Tussentitel: Een beetje stad heeft niet alleen een stadsdichter maar ook een club- of buurthuis waar je een cursus creatief schrijven kunt volgen

Sinds Geert Wilders zijn paniekzaaiende zin over 'een tsunami van islamisering' uitsprak zijn er zóveel variaties op die zin de wereld in geslingerd, dat je uit smaak-overwegingen het woord uit je repertoire wilt schrappen. Maar toch: bij de gedachte dat er in Nederland sinds 1999 meer dan een miljoen mensen aan een roman of dichtbundel werken die zij op korte of lange termijn willen publiceren, en dan bij voorkeur bij een gerenommeerde uitgeverij, kan ik er niets aan doen: ik zie een tsunami van ambitieuze aspirant-schrijvers voor me, van wie het overgrote deel gerfrustreerd zal raken omdat hun roman in wording nooit in druk zal verschijnen, althans niet bij de uitgeverijen die ze in gedachten hebben.

Maar datmiljoen aspirant-auteurs vormt wél
eenmarkt. Het aantal handboeken voor schrijvers
is een sub-tsunami. Een beetje stad heeft
niet alleen een stadsdichtermaar ook een clubof
buurthuis waar je een workshop creatief
schrijven kunt volgen. Het toonaangevend literair
agentschap Sebes & Van Gelderen organiseert
vier keer per jaar een workshop,met voorheen
docenten als Tomas RosenboomenManon
Uphoff. Paul Sebes zelf publiceerde in 2010
een praktische schrijfgidsmet de omineuze titel:
Bestseller. Wat elke beginnende schrijver moet
weten
. Schrijversvakschool ’t Colofon krijgt ieder
jaarmeer aanmeldingen voor de cursussen
die men er uitschrijft. Ook de bv Nightwriters,
het schrijverscollectief onder aanvoering van
Kluun, heeft demarkt voor aspirant-auteurs
ontdekt en biedt workshops onder leiding van
docenten als Ronald Giphart en Kluun zelf.

In schril contrast met die overvloed staan de getallen over het lezen. Even een open deur (waardoor een harde waarheid naar binnen marcheert): de ontlezing neemt in ons land hand over hand toe. Die tegenstelling moet wel een veelzeggend tijdverschijnsel zijn. Ooit was het cruciale advies aan iemand die de droom koesterde een boek te schrijven: eerst lezen, heel veel lezen. Bij anderen de kunst afkijken, en dan voetje voor voetje zelf aan de slag.

Voor dat advies krijg je tegenwoordig op al die schrijversworkshops de handen niet meer op elkaar. Veel lezen, hoezo? Achterhaald! Vermoedelijk bedacht in de geperverteerde hoofden van bebrilde types met hoog voorhoofd, tegenwoordig aangeduid als: zelfbenoemde kunstpausjes die geen pausen maar uitvretende luizen zijn. Het adagium 'eerst veel lezen' is door schrijfdocenten en andere cursusleiders uit opportunistische motieven ingeruild voor 'het eigen maken van de techniek van het schrijven' of soortgelijke semi-oplichterij. Alsof het schrijven van een boek niet verschilt van het in elkaar zetten van een IKEA-hoogslaper. Alsof 'techniek' het glijmiddel is waarmee je doordringt tot, om met Renate Dorrestein te spreken, 'het geheim van de schrijver'.

Kennelijk is dat geheim feitelijk zo geheim niet, want Dorrestein publiceerde in 2000 onder die titel een handboek. En een instructief, inspirerend en prettig down to earth boek, vol feiten, weetjes, anekdotes, kijkjes achter de schermen van eigen en van andermans schrijverschap, en vol met praktische en theoretische adviezen.
    Tegelijk deed en doet Dorresteins boek me vanwege de titel denken aan de oude tv-reclame van de sherry die ik nooit heb gedronken: 'het geheim dat je deelt met Sandeman'. Dorresteins geheim is het geheim dat je deelt met Dorrestein; het leidend verhaal in haar handboek is de geschiedenis van de wording van haar eigen schrijverschap, maar die wording is, hoe spannend en inspirerend ook, niet exemplarisch voor de wording en ontbolstering van ieder ander schrijverschap. Gelukkig is Dorrestein rechtschapen genoeg om aan het eind van haar handboek te benadrukken dat het 'geheim' bij iedere schrijver uniek en in essentie ongrijpbaar is, zoals geslaagde verhalen en romans zelf ongrijpbaar zijn. Dorrestein citeert in haar slotoverweging Somerset Maugham: 'Er zijn drie regels voor het schrijven van een roman. Helaas kent niemand ze.' Dorrestein voegt daar zelf aan toe: 'In feite is er maar één regel, en die luidt dat er geen regels zijn. Er bestaan wel technieken en zekere wetmatigheden, met behulp waarvan de schrijver beheersing over zijn vak krijgt. Maar het meesterschap (...) stelt hem in staat alle normen en conventies aan zijn laars te lappen. (...) Fictie is als een wild dier dat maar half gedomesticeerd is, een onberekenbaar beest vol streken en arglistigheden, dat steeds van gedaante verandert. Maar zelfs op zijn makste momenten bezit het krachten die wij nooit zullen doorgronden.'
    Dorrestein geeft hier het argument om haar eigen handboek ongelezen te laten, want over die techniek en wetmatigheden krijgt de lezer van Het geheim van de schrijver genoeg informatie overgedragen, terwijl Dorrestein zelf, zo erkent ze ruiterlijk, dat onberekenbare beest niet of nauwelijks kan temmen of zelfs maar in het vizier krijgt - en dat is maar goed ook, want ook met haar eigen romans onttrekt ze zich, indien het verhaal erom vraagt, vrolijk en vitaal aan diezelfde normen en conventies.

Zou het niet beter zijn die workshops op te
doeken en ons te beperken tot het stilletjes lezen
van een handvol Geboden en Verboden, van
schrijvers die hebben aangetoond tot de wereldtop
te behoren? Niet lang geleden las ik van
de in Hongarije geboren auteur Stephen Vizinczey
de roman Loflied op de rijpe vrouw, oorspronkelijk
in 1967 gepubliceerd en pas in 2010, in het
Nederlands verschenen. ‘Eenmeesterwerk, duizelingwekkend,
zoals alle grote romans toont
het de waarheid over het leven’, oordeelde de
criticus van LeMonde, en soms strekt het tot
aanbeveling zo’n aanprijzing klakkeloos aan te
nemen. Behalve Loflied op de rijpe vrouw schreef
Vizinczey de essaybundelWaarheid en leugen in
de literatuur, tot nog toe nauwelijks in de Nederlandse
kritiek opgemerkt, en tjokvolmet levendige,
aanstekelijke en ter zake kundige essays
over oudemeesters Stendhal, Balzac, Tolstoj,
Dostojewski en andere groten die nu zonder
enig gewetensbezwaar ongelezen worden gelaten
door datmiljoen aspirant-schrijvers.

Vizinczey opent zijn Waarheid en leugen in de literatuur met een trefzekere opsomming van 'de tien geboden voor een schrijver'. Wie de moeite neemt ze te lezen, bespaart zichzelf kapitalen aan cursusgeld. Ze snijden allemaal hout - zelfs als je moet erkennen dat je zelf als schrijver niet in staat bent je aan alle tien te houden.

Volgende week op deze plek een doorlichting van die tien geboden. Beter: schaf Waarheid en leugen aan, als u tot het miljoen behoort.

Zo. Op de valreep dan toch een advies verstrekt. Kennelijk huist zelfs in mij op onbewaakte ogenblikken zo'n cursusleider in wiens verrichtingen ik niet of nauwelijks geloof.

(wordt vervolgd)
 

De Volkskrant, 01-06-2011, door Joost Zwagerman

Zwagerman leest

Citeer nooit Connolly. Gooi het boek het huis uit. Hoogstens als cabaret op niveau mag hij meedoen.
------------------------------------------------------------------------------------

De beste tips voor de schrijver: Lees Vizinczey en Connolly

Vizinczeys instructies zijn ook instructief voor ervaren schrijvers.

De beste tips voor aankomende schrijvers:
leesWaarheid en leugen in de literatuur van
Stephen Vizinczey. Pak daarna Enemies of
Promise van Cyril Connolly en gooi dat boek
daarna het raam uit.Waar Vizinczey ons lokkende
vergezichten toont, zag Connolly alleen
maar beren op de weg.

De in Hongarije geboren schrijver
Stephen Vizinczey opent zijn essaybundelWaarheid
en leugen in de literatuurmet
‘de tien geboden voor
een schrijver’. Hij stelde die op in
de hoop ‘goede praktische adviezen te geven’
aanmensen die ‘de eerste schreden op het
schrijverspad’ nogmoeten zetten.Mij lijken Vizinczey’s
geboden óók instructief voor ervaren
schrijvers. Ze houden je bij de les, zijn niet belerend
van aard, getuigen van optimisme, goede
moed en frisse zin.Vizinczeys toelichting bij de
tien geboden – soms lange teksten, soms een
enkele zin – zijn nu en dan zelfs inspirerend. Je
krijgtmeteen zin omaan de slag te gaan. Het is
onbegonnen werk omze alle tien te noemen en
bespreken,maar sommige zijn dermate praktisch
en nuchter dat ik ze er hier graag uitlicht.

Tweede gebod: 'Gij zult u geen dure gewoonten aanmeten.' Hij bedoelt ermee dat een béétje schrijver niet op grote voet moet willen leven. Het is mijn ervaring dat aspirant-schrijvers serieus geloven dat het 'scoren' van een bestseller je een rijkdom schenkt die zich laat meten met de welstand van topmanagers, filmsterren en profvoetballers. Steenrijke schrijvers zijn op de vingers van één hand te tellen, en tegenover iedere Dan Brown en Kluun staan hele legioenen van straatarme romanciers, essayisten en dichters, die het vaak wel lastig, maar geen drama vinden om het niet breed te hebben.

Noemenswaardig is ook het zevende gebod: 'Gij zult geen dag voorbij laten gaan zonder een meesterwerk te herlezen.' Boud gesteld, maar in zijn toelichting benadrukt Vizinczey dat een schrijver er goed aan doet dagelijks een bladzijde of wat te herlezen uit het aller-, allerbeste wat de literatuur te bieden heeft. Andermans glorieuze zinnen blijven altijd inspirerend, ook, nee, juíst na een dertigste herlezing. Naar eigen zeggen heeft Vizinczey altijd boeken van Jonathan Swift, Mark Twain en Laurence Sterne binnen handbereik, maar iedere schrijver heeft natuurlijk zijn eigen favorieten. Die van mij, onder meer: Simon Vestdijk, Gustave Flaubert, John Updike en sommige titels van Nabokov.

Gebod nummer vier en vijf luiden respectievelijk 'Gij zult niet ijdel zijn' en 'Gij zult niet bescheiden zijn'. Zo op het oog lijken deze geboden elkaar tegen te spreken, maar Vizinczey legt uit dat de ijdele schrijver vaak te zeer verblind is door zijn - vermeende - uitmuntende karaktertrekken om nog op een geloofwaardige manier op papier een wereld te creëren waarin ook de drek en duisternis van het menselijk bestaan overtuigend wordt verbeeld. Tegelijk is bescheidenheid de doodssteek voor een authentiek schrijverschap. Vizinzcey zegt erover: 'Bescheidenheid is een excuus voor slordigheid, luiheid en gemakzucht. Lage ambities leiden tot povere prestaties.' Dat het uiteindelijk niet iedereen is gegeven een fantastisch schrijver te zijn, is een tweede. Het gaat om het streven. Vandaar dat Vizinczey afsluit met dit gebod: 'Gij zult niet snel tevreden zijn.'

Vizinczey's Tien Geboden vormen het fotonegatief van de tips en adviezen die de destijds invloedrijke Britse criticus Cyril Connolly (1903-1974) overreikte in zijn befaamde essay uit 1938, Enemies of Promise. Waar Vizinczey de voorwaarden formuleert voor een kansrijk schrijverschap, inventariseerde Connolly de gevaren die op de loer lagen voor de jonge, beginnende schrijver. Vizinczey toont ons lokkende vergezichten, Connolly zag alleen maar beren op de weg.

Het verraderlijke van Enemies of Promise is dat het essay zó briljant is geschreven dat je, zeker als je zelf jong en debuterend schrijver bent, geneigd bent te geloven in diens over-romantische apekool. Connolly zette uiteen waar de jonge schrijver voor moet oppassen - en dat blijkt zo'n beetje alles te zijn dat het leven de moeite waard maakt. Mijn grote fout van weleer is dat ik Connolly's dweperij met het 'ware schrijverschap' serieus nam. Daarom dit advies: lees Enemies of Promise vanwege de superieure stijl, maar laat je niet in de luren leggen.

Ik doe een greep uit Connolly's 'vijanden' van de jonge schrijver. Om te beginnen dreigt het gevaar van het 'engagement'. Een beetje schrijver hoort zich verre te houden van politieke of maatschappelijke roerselen. Dit dogma is onder Nederlandse schrijvers nog steeds heel populair, maar lees Roth, Updike, George Orwell of, in eigen land, Casino van Marja Brouwers, en je merkt direct dat Connolly veel te absolutistisch in de formulering van het 'gevaar' van direct of indirect literair engagement.

Een andere vijand van de belofte is volgens Connolly de journalistiek. Wie literatuur wil creëren, mag nooit een knieval doen voor het schrijven van reportages, literaire nonfictie, columns of kritieken.

Ook dit idee getuigt van een bevoogdend purisme. De journalistiek van Martin Amis behoort tot de hoogtepunten uit zijn oeuvre, en wat hebben schrijvers als Joris van Casteren, Nicolaas Matsier en K. Schippers aan deze idiote stelregel?

Ook huwelijk en gezinsleven vormen een vijand van de belofte, aldus Connolly. Kindermonden moeten worden gevoed, en dat kan nu eenmaal niet met uitsluitend literaire arbeid, en dus moet je je als schrijver gaan 'prostitueren' - en dan beland je weer in de valkuil van de literaire journalistiek. Bovendien sust een gelukkig huwelijk iedere echter schrijver in slaap.

Het komt erop neer dat volgens Connolly iedere échte schrijver celibatair, kinderloos, onthecht en vrij van het juk van buitenliteraire arbeid moet zijn teneinde een meesterwerk voort te kunnen brengen. Adriaan van Dis mag zeer graag Connolly citeren: 'De kinderwagen in de gang is de doodssteek voor het schrijverschap.' Geestig geformuleerd - maar mijn advies aan schrijvers-met-gezinnen zou zijn: citeer nóóit Connolly. Gooi het boek het huis uit. Zelfs de meest welwillende partner van een schrijver wordt, begrijpelijk, uiteindelijk hoorndol van die valse romantiek waarin het schrijverschap wordt bejubeld als een soort zelfkastijdend messianisme.

Hoogstens als cabaret op niveau mag Connolly meedoen. Want soms zijn diens one-liners zo over the top dat ze alsnog enige charme bezitten. Deze bijvoorbeeld: The health of a writer should not be too good. Ik mocht dat altijd graag voor me uit prevelen na een nacht te hebben doorgehaald. Zelfs deze ene zin over de noodzakelijke gebrekkige gezondheid van de ideale schrijver vormt een scherp contrast met de wereld van Vizinczey. Diens eerste gebod luidt namelijk: 'Gij zuilt niet drinken of roken of drugs gebruiken.'

Op dit gebod volgt maar één toelichtende zin: 'Een schrijver moet zijn hersens kunnen gebruiken.' Het is het enige gebod van Vizinczey dat we maar beter naast ons neer kunnen leggen, en ik spreek hier hopelijk mede namens Hafid Bouazza, A.F.Th. van der Heijden, Connie Palmen en al die andere schrijvers die graag een sigaret opsteken, een borrel nemen of een jointje draaien. Als we dit gebod echt serieus nemen, dan kunnen we de Nederlandse literatuur wel opdoeken en krimpt onze literatuur in tot de enige geheelonthouder die me zo te binnen schiet: Maarten 't Hart. Niets tegen 't Hart, maar graag lees ik naast zijn werk ook de romans en gedichten van de vele kettingrokende drankorgels die onze literatuur rijk is.


Naar Alfa en bèta, psychologisch , Alfa en bèta, sociologisch , Sociologie lijst , Sociologie overzicht , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]