De Volkskrant, 30-06-2006, door Luuk van Middelaar 5 jun.2006

Verdomming en infantilisering

Britse hoogleraar Frank Furedi stelt fnuikende drempelverlaging in onderwijs en cultuur aan de kaak


Een van de plannen van de nieuwe D66-leider Pechtold om de kloof tussen politiek en burger te slechten was de plaatsing van stemhokjes op stations en in winkels. Volgens de minister van Bestuurlijke Vernieuwing kon dit de kiezersopkomst bevorderen en mensen bij de politiek betrekken. Toen dit experiment bij de gemeenteraadsverkiezingen van afgelopen maart van start ging, werd er wat gegrinnikt, maar fundamentele kritiek kwam er niet. Niemand die er, in plaats van een toenaderingspoging van de politiek, een geringschatting van de burger in zag. Vote & go: wel makkelijk, toch?
    Strenger oordeelt de socioloog Frank Furedi, hoogleraar aan de Universiteit van Kent, die zulke initiatieven in Groot-Brittannië zag. Hij vindt het typerend gedrag voor een elite die in het gevlij wil komen bij de bevolking – een bevolking die er niet op zit te wachten en er niet mee is gediend. Naar aanleiding van het stemmen per post schrijft Furedi dat het wordt voorgesteld alsof ‘het maken van de tocht naar het stemlokaal en het invullen en in de stembus werpen van het stembiljet een uitdaging is die de geestelijke en morele vermogens van hedendaagse volwassenen zwaar op de proef stelt’.
    In zijn boek Waar zijn de intellectuelen? keert Furedi zich tegen dergelijke bevoogdende vormen van drempelverlaging. Daarbij neemt hij vooral het onderwijs- en cultuurbeleid op de korrel. Bibliotheken die worden verbouwd tot huiskamers waar je kunt chillen. Musea die worden ingericht op kinderpret. Universiteiten die steeds meer op middelbare scholen gaan lijken. In alle gevallen durft men aan het publiek – bezoekers, studenten – geen eisen meer te stellen uit angst voor ‘elitair’ te worden uitgemaakt.
    Het probleem is dat de grotere toegankelijkheid in de praktijk gepaard gaat met institutionele normverlaging oftewel ‘verdomming’. Die is onnodig. Furedi, een auteur met linkse sympathieën, ziet hoe de oude democratische idealen hierdoor verraden worden. Hij is ervoor dat zoveel mogelijk mensen naar de opera gaan. Daartoe kun je bijvoorbeeld de kaartjes goedkoper maken, maar liever niet de programmering ‘toegankelijker’ maken, zoals nu gebeurt. Evenzo is het prettig als zoveel mogelijk mensen een universitair diploma hebben, maar niet als dit ten koste gaat van de exameneisen. Democratisering is iets anders dan diploma-inflatie.
    Om zijn betoog te staven presenteert de auteur frappante staaltjes beleidsproza. Zo stelt de Amerikaanse organisatie voor opsteldocenten: ‘Als we onze studenten ervan kunnen overtuigen dat spelling, interpunctie en correct taalgebruik minder belangrijk zijn dan inhoud, zullen we een voornaam obstakel voor de ontwikkeling van hun schrijfvermogen uit de weg hebben geruimd.’ Spelling is een drempel, dus weg ermee, want stel je voor dat er iemand over struikelt. We wanen ons in de jaren zeventig, maar dit citaat is uit 2001.
    In Furedi’s analyse is er sprake van een ‘infantilisering’ van de cultuur. Burgers worden als kleine kinderen behandeld. Hun tere zieltjes mogen niet worden gekwetst. Stel je voor dat iemand niet aan de eisen kan voldoen. Deze geringe verwachtingen geven blijk van minachting. Ze miskennen bovendien dat plezier juist ligt in het overwinnen van obstakels. Als alle drempels geslecht zijn, is er geen verschil meer tussen binnen en buiten, tussen het ik en de wereld. Dan is er niets meer om naar te streven. Zo leidt de verdomming – hoewel Furedi niet zo ver gaat – uiteindelijk tot verveling. Een des te ernstiger maatschappelijk probleem.
    De vraag is nu wat de oorsprong ervan is. Op dit punt slaat de auteur van Waar zijn de intelelctuelen? twee verschillende paden in, een sociologisch en een filosofisch. In het eerste, sociologische perspectief wijst hij op de veranderde rol van de maatschappelijke elite. Vanouds placht die haar normen aan de rest van de samenleving (‘het volk’) ten voorbeeld te stellen. Met name sinds de Verlichting was de Europese bovenlaag doordrongen van een mission civilisatrice. De school was hiervan binnenlands het belangrijkste instrument; dorpskinderen werden er tot burgers van de natie. In de expansievere varianten werd ook het koloniaal bestuur in Afrika en Azië vanuit deze beschavingsmissie gerechtvaardigd.
    Van dat zelfvertrouwen is aan het begin van de 21ste eeuw weinig meer over. De elite gelooft er niet meer in. Beleidsmakers, museumdirecteuren en universiteitsbestuurders zijn de weg kwijt en zoeken radeloos contact met ‘de mensen’. Zo konden de anti-elitaire sentimenten juist in de elite ontstaan. Het is immers niet de gewone man of vrouw die vooroploopt in de campagne om onderwijs en de cultuur een vermeend toegankelijk en relevant karakter te geven. Furedi beticht de hedendaagse anti-elitaire elite daarom van ‘omgekeerd snobisme’.
    In het tweede, filosofische perspectief is de institutionele verdomming het onbedoelde resultaat van de intellectuele kritiek op de Verlichting vanaf de jaren zestig. Antropologen als Lévi-Strauss haalden de westerse universele pretenties onderuit. Filosofen als Foucault en Derrida betoogden dat kennis altijd verbonden is met macht en dat er geen objectieve waarheid is. Ze ontkenden de autonome positie van kunst en wetenschap. Volgens Furedi ‘komt dit neer op een epistemologische ondermijning van het hoger onderwijs’. Daarbij ging het opgeven van de waarheid ten koste van het debat. Als niemand gelijk heeft, komt insisteren op de geldigheid van een idee over als onbeleefde drammerigheid. Evenmin is er nog verschil te maken tussen literatuur en soap, tussen Mozart en musicals, tussen evolutieleer en creationisme.
    Furedi is er terecht bezorgd over dat er zo weinig weerstand is in de culturele instellingen zelf. Dat is het hedendaagse ‘verraad der klerken’ – zoals de Franse intellectueel Julien Benda het in 1927 noemde. Sommige intellectuelen werken actief aan de verdomming mee, en de verzamelde anderen lukt het niet een krachtig tegengeluid te laten klinken. Ze staan niet op de barricaden voor de autonomie van kennis, van waarheid, van schoonheid; ze miskennen dat het publiek ernaar snakt als volwassenen behandeld te worden.
    Waar zijn de intellectuelen? is een bij vlagen krachtige aanklacht tegen de verdomming van het publieke leven. Furedi is sterk in de concrete voorbeelden van dolende beleidsmakers. Heel nieuw is zijn hoofdstelling niet. Over de maatschappelijke gevolgen van een intellectuele cultuur die zichzelf verloochent, is al eerder en beter geschreven. Onovertroffen blijven de bestsellers The Closing of the American Mind van Allan Bloom en La défaite de la pensée van Alain Finkielkraut, beide uit 1987.
    Hoe kan het dat hetzelfde thema twintig jaar later opnieuw een snaar raakt? De pessimistische hypothese: de gevolgen van wat in de jaren tachtig nog een high-brow-ideeënstrijd was, zijn – met de traagheid eigen aan dalend cultuurgoed – pas nu doorgesijpeld in de haarvaten van het culturele leven: de lesboeken, de bibliotheekontwerpen, de beleidsrichtlijnen. Dus het ergste komt nog.
    De optimistische hypothese: terwijl Bloom en Finkielkraut zich destijds in het kamp van de conservatieve cultuurkritiek zagen gedrongen, lukt het Frank Furedi zichzelf als ‘links’ te blijven afficheren. Dit zou erop duiden dat het besef van de maatschappelijke schade die de verdomming aanricht, inmiddels zodanig is toegenomen, dat de tijd rijp is voor tegenactie, de partijpolitiek voorbij. Laten we dan om te beginnen de school ontdoen van narcistische pret en weer optuigen tot emancipatiemachine, waar kennis niet kwetst maar verlicht.

Frank Furedi: Waar zijn de intellectuelen? Vertaald uit het Engels door Guus Houtzager Meulenhoff, 224 pagina’s, € 18,95, ISBN 90 290 7753


Terug naar   , lijst , overzicht   , of naar site home . uitleg of detail
 

[an error occurred while processing this directive]