De Volkskrant, 25-08-2012, door Olaf Tempelman .2011

Mao krijgt te veel eer

Het is nog veel erger met Mao dan we dachten, zegt Frank Dikötter. Maar nog overal in China hangen portretten van de dictator. Westerse investeerders komen toch wel.


Tussentitel: 'Ik ben gewend geraakt aan de hatelijke emails van de oude maoïsten van de Universiteit van Wenen tot die van de Universiteit van Melbourne. Ik bedreig hun innerlijke comfort'

Van de drie grote massamoordenaars van de 20ste eeuw is Mao verantwoordelijk voor de meeste doden. 'Mensen zeggen dan: ja, in China heb je al snel hoge aantallen in absolute zin.' Op het gelaat van de Brits-Nederlandse sinoloog en historicus Frank Dikötter verschijnt een zwart soort grijns. 'Maar kijk je naar het percentage van de bevolking dat omkwam door toedoen van het regime, dus niet door oorlogshandelingen, dan zit Mao ook boven Hitler en Stalin.'

Toch, als enige van 'de grote drie' wordt Mao nog officieel geëerd. Waar Hitlerparafernalia circuleren in schimmige clubjes en de Stalincultus zich beperkt tot zijn Georgische geboortestad, hangt Mao in 2013 nog boven het Plein van de Hemelse Vrede en in overheidsgebouwen van de Volksrepubliek.

Voor Mao gelden andere maatstaven dan voor Hitler en Stalin. Sympathieën voor Mao zijn westerse intellectuelen, bijvoorbeeld, niet zwaar aangerekend. Dat Sartre tot het eind van zijn leven Maopropaganda uitdeelde, is een voetnoot in zijn biografie, terwijl het Derde Rijk is blijven kleven aan Heidegger. Daniel Cohn-Bendit spreekt in 2013 met evenveel zelfvertrouwen als in 1968, toen hij op het podium werd geflankeerd door een portret van Mao. Van Jean-François Revel is de constatering dat 'tweederde van de Franse intellectuelen mooi is weggekomen met het feit dat ze tien jaar lang aan de met bloed besmeurde voeten van Mao hebben gelegen'. Idem in Nederland. Paul Rosenmöller - 'van Mao kun je gewoon ontzettend veel leren' - werd na zijn Maoperiode nog fractievoorzitter van Groen Links, inburgeraar van Máxima en tv-persoonlijkheid.

'Mao's westerse bewonderaars leden aan een vorm van oriëntalisme', zegt Frank Dikötter (1962), verbonden aan de Universiteit van Hongkong. 'Het idee dat het communisme in China wel anders en beter móést zijn. Het was de behoefte aan een onbezoedeld bastion. De Sovjet-Unie was overduidelijk gecorrumpeerd. China was ver weg, exotischer en geschikter om dromen en visioenen op te projecteren. Veel soixante-huitards zeiden dat letterlijk tegen hun reactionaire critici: jullie begrijpen China niet!'

In het eerste deel van zijn trilogie over het Chinese communisme, Mao's Massamoord, bekroond met de Samuel Johnson Price, bestudeerde Dikötter de Grote Sprong Voorwaarts uit de jaren 1958-1962. Landbouwwerktuigen werden omgesmolten tot ovens, rijstvelden verwaarloosd, hongersnood volgde. Schattingen van het aantal slachtoffers liepen uiteen van 15 tot 30 miljoen. Dat heeft Dikötter flink naar boven bijgesteld: het waren er ten minste 45 miljoen, concludeerde hij na onderzoek in archieven van de Communistische Partij. Sinds enkele jaren zijn die, sporadisch, toegankelijk: de Partij is nog steeds aan de macht.

Dat zich op het hoogtepunt van Mao's westerse populariteit door zijn toedoen catastrofes voltrokken, wordt tegenwoordig vrij algemeen erkend. Maar mensen verdedigen Mao's begintijd nog, de jaren 1949-1957. Die goede beginperiode, ook aangeduid als 'de gouden jaren' of 'de wittebroodsweken', is niet alleen een strohalm van oude maoïsten. Het is ook de lezing van Jung Chang in haar boek Wilde Zwanen, vijftien miljoen maal verkocht in 37 taalgebieden, en meer dan welk ander boek bepalend voor het westerse beeld van China's recente geschiedenis.

Jung Chang beschrijft op aangrijpende wijze de hongersnood van de Grote Sprong en de terreur van de Culturele Revolutie (1966-1973), aan de gevolgen waarvan ook haar eigen vader bezweek. Maar bepaald anders schetst zij de periode 1949-1957: als een tijd van hoop, emancipatie en bevrijding. Het zojuist verschenen tweede deel van Frank Dikötters trilogie heet De tragiek van de bevrijding. Het behandelt die eerste tien jaar, op grond van archiefonderzoek, met hoofdstuktitels die boekdelen spreken: De Grote Terreur; De zuivering; Gedachtecorrectie; De goelag.

'Ik ken Jung Chang goed en bewonder haar', zegt Frank Dikötter. 'Wilde Zwanen is een persoonlijk boek, ze schreef het toen ze nog niet zo lang weg was uit China. Tegenwoordig is ze veel kritischer over Mao's beginjaren. Lees de Maobiografie maar die ze samen met haar man Jon Halliday schreef. We zitten op dezelfde lijn.'

Hebben de Chinese communisten in de jaren 1949-1957 ook maar íéts goeds gedaan?
'Het is goed mogelijk dat er dingen waren die je op zichzelf genomen heel waardevol zou kunnen noemen. De campagne tegen analfabetisme was lovenswaardig, tot ze werd afgeblazen. Maar dit waren op zichzelf staande verbeteringen. Als je alles wat er tussen 1949 en 1957 in het land was gebeurd bij elkaar nam, kon je geen ontwikkeling ontwaren naar meer gelijkheid, rechtvaardigheid en vrijheid, zaken die het regime hoog in het vaandel had staan.'

De eerste twee delen van uw trilogie geven een ontluisterend beeld van de Volksrepubliek. U woont en werkt ondertussen op haar grondgebied, in Hongkong.
'De grootste critici van de Volksrepubliek China wonen en werken in Hongkong. De stad is gebouwd door golven en golven vluchtelingen. In Hongkong hebben inwoners een veel groter besef van de aard van de Volksrepubliek dan buiten China. Er is ook een groter bewustzijn van de kostbaarheid van vrijheid en democratie. In intellectueel opzicht is Hongkong volledig vrij.'

Officiële Chinese historici beschuldigen u van revisionisme en geschiedvervalsing.
'Al mijn onderzoek is gebaseerd op documenten van de Partij zelf. In Mao's massamoord citeer ik uit een document uit 1958 waarin Mao zegt: 'Het is beter om de helft van de bevolking dood te laten gaan, opdat de andere helft zich vol kan eten.' Ik gaf een keer college en er werd vanuit de zaal geroepen: dat is gelogen, dat heeft Mao nooit gezegd. Dat kon ik ter plekke pareren met een kopie van dat document. Ik krijg ook veel kritiek dat mijn onderzoek is gebaseerd op een beperkt aantal documenten dat de Partij heeft vrijgegeven. Die kritiek pareer ik retorisch: zullen de documenten die de Partij achter slot en grendel laat liggen het beeld er beter op maken?'

Nog ongeliefder dan bij officiële Chinese geschiedschrijvers bent u bij een aantal westerse intellectuelen.
'Ik ben gewend geraakt aan haatdragende e-mails, van oude maoïsten van de Universiteit van Wenen tot die van de Universiteit van Melbourne. Ik noem ze leunstoelsinologen. Ze hebben simpelweg te veel in hun sympathie voor de Volksrepubliek geïnvesteerd om daar na vier of vijf decennia nog op terug te kunnen komen. Mijn onderzoek is een bedreiging voor hun innerlijk comfort. Bij vrijwel al mijn westerse critici speelt ideologie een belangrijke rol. Neem Noam Chomsky: hij heeft met praktisch alle beulenregimes van na 1945 gesympathiseerd - altijd om ideologische redenen.

'Voor mijn Chinese critici is die ideologische dimensie minder belangrijk, het gaat hun om eventuele reputatieschade. De vaders en grootvaders van de leiders van nu waren betrokken bij Mao's grote project, maar de zonen en kleinzonen zijn pragmatisch, gespeend van ideologische interesse. Dat is meteen het antwoord op de vraag of ik mijn werk veilig kan doen: ja, want voor de huidige Chinese leiders is het eigenlijk allemaal oude koek. Ze zijn geïnteresseerd in hun persoonlijke macht en fortuin, niet in de jaren vijftig en zestig van de Volksrepubliek.'

Waarom is het voor deze generatie dan zo moeilijk Mao's portretten weg te halen en een eind te maken aan wat in laatste instantie toch een cultus rond een massamoordenaar blijft? In de Sovjet-Unie haalden ze Stalin drie jaar na zijn dood al weg.
'En de Sovjet-Unie bestaat niet meer en de Volksrepubliek China wel, ha! In de Sovjet-Unie konden ze Lenin als founding father laten hangen. Mao is de Chinese Lenin en Stalin ineen. De symbolische betekenis van zijn portret is te groot, hij verpersoonlijkt de macht van de Partij.

'De ironie van de geschiedenis is dat de Partij over Mao hetzelfde oordeel heeft uitgesproken als over Stalin destijds: 70 procent goed, 30 procent slecht. Mao weghalen zou een zwaktebod zijn ten opzichte van de buitenwereld. Bovendien: wat heeft de Partij ermee te winnen? Ze staan niet onder druk van nakomelingen van slachtoffers. Voor wie zouden ze Mao weghalen? Voor een paar historici? Voor een handjevol dissidenten? Westerse investeerders komen ook wel mét Mao aan de muur. Westerse leiders hebben er nooit aanstoot aan genomen.'

Uw nieuwe boek geeft een weinig vleiend beeld van de vader van het moderne kapitalistische China, Deng Xiaoping, bij zijn dood in 1997 unaniem geprezen door westerse leiders. Bill Clinton sprak van 'een buitengewone figuur', Chirac stelde dat 'weinig mensen zulke veranderingen hebben geïnitieerd'. Acht jaar eerder had Deng het Tiananmenprotest neergeslagen. Dat was, kun je zeggen, een kleinschalige operatie vergeleken bij de antireactionaire campagne die hij in 1957 leidde tegen studenten en intellectuelen.
'Deng was destijds Mao's waakhond. Ik heb al die latere lof voor Deng nooit zo begrepen. Zeker, hij verdient krediet voor het feit dat hij de bevolking na Mao's dood uit een diepe zwarte kuil heeft laten kruipen. Maar die kuil had de Partij wel zelf gegraven. Toen Mao in september 1976 eindelijk stierf, was iedereen ziek en moe van alles wat hij had durven doen. Iedereen snakte naar normaliteit, Deng, de Partij, de bevolking.

'Het is een wet van totalitaire regimes dat de wreedste figuur de top bereikt. Stalin en Mao waren in de eerste plaats meedogenlozer dan hun concurrenten. Maar de nummer twee, drie en vier van de regimes zitten er ook niet toevallig. Het voornaamste verschil tussen Deng en Mao was pragmatisme. Mao was een ambitieuze dromer, een wrede utopist, Deng was in staat onder ogen te zien dat iets niet werkte, dat een boer het niet leuk vindt als je zijn land afpakt.'

In The Age of Openness - China before Mao (2008, nog niet vertaald) breekt u een lans voor de Chinese republiek uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Die is in en buiten China verguisd als een ongelukkig intermezzo tussen het keizerrijk en de Volksrepubliek.
'En waarom is die zo verguisd? Omdat mensen er belang bij hebben die periode negatief af te schilderen. Historici van de Volksrepubliek maakten van het pre-communistische China een arm en achterlijk land. Dat was het niet. Het pre-communistisch China was in de context van de tijd behoorlijk democratisch, een samenleving die zich opende voor de wereld. Chinezen hebben tegenwoordig meer vrijheid dan ooit tevoren, met uitzondering van de periode van de Chinese republiek. Chinezen kunnen makkelijker reizen; opnieuw: de periode van de republiek uitgezonderd.'

Hoe ziet u de Volksrepubliek zich ontwikkelen in de nabije toekomst?
'Ik ben een pessimist, al was het maar omdat sinds 1949 degenen met pessimistische voorspellingen meestal gelijk hebben gekregen. Al sinds 1949 wordt het einde van de Volksrepubliek voorspeld. Overdreven euforische uitspraken - dat China de wereld gaat veroveren en de nieuwe wereldorde Chinees zal zijn - worden trouwens ook al sinds 1949 gedaan. Die komen evenmin ooit uit. De Partij heeft de dood van Mao overleefd én de ineenstorting van het Europese communisme - dankzij een slimme combinatie van hervorming en repressie. Soms laat je de teugels vieren, vervolgens trek je ze weer wat aan. Het blijkt een succesvolle techniek waarmee ze nog een tijd vooruit kunnen. De Partij profiteert daarbij van een breed gedeeld verlangen naar stabiliteit en normaliteit, het psychologische gevolg van het tumult en de excessen van de Mao-jaren.

EEN RECENSIE VAN DE TRAGIEK VAN DE BEVRIJDING - DE GESCHIEDENIS VAN DE CHINESE REVOLUTIE 1945-1957 STAAT VANDAAG IN BOEKEN (P. V7).


red.:  Hebben de Chinese communisten in de jaren 1949-1957 ook maar íéts goeds gedaan?
Antwoord: nee dus. China is er slechter aan toe dan in 1945

Terug naar Politiek lijst , Politiek & Media overzicht  , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]