De Volkskrant, 27-10-2012, boekrecensie door Anet Bleich. 2010

Ed van Thijns morele testament

Over zijn ervaringen als kind in de oorlog durfde Ed van Thijn pas decennia later te praten. Zijn coming-out als Jood beschrijft hij op fascinerende wijze.


Tussentitel: 'Nederland is van een voorbeeldland op het gebied van mensenrechten een achterstandsgebied geworden'

In Blessuretijd snijdt de Joodse sociaal-democraat Ed van Thijn van alles tegelijk aan. Dat maakt dit boek tot een rusteloos, maar vooral boeiend avontuur. Het ene moment bevind je je als lezer in de ambtswoning van de burgemeester van Amsterdam, het volgende ogenblik woon je met de auteur de premiŤre bij van de film SŁskind over het heimelijk in veiligheid brengen van Joodse kinderen door illegale werkers. Dan weer verplaatst het decor zich naar de grens tussen IsraŽl en de Gazastrook, aan de vooravond van een bezoek aan Arafat.

Steeds weer duikt de herinnering op aan Westerbork, het kamp waar de kleine Ed met zijn moeder in 1943 aan deportatie ontkwam en waar hij, weer opgebracht na een omzwerving langs achttien onderduikadressen, in 1945 door de Canadezen werd bevrijd. Om er als 10-jarige een dag lang te moeten optreden als bewaker van zojuist geÔnterneerde helpers van de Duitsers. Saai is Van Thijns leven zeker niet geweest, maar het is ook geen wonder dat de schimmen uit zijn verleden hem op onverwachte momenten overvallen en kwellen.

Van Thijn is een van de weinige Nederlandse politici die tijdens zijn actieve loopbaan boeken heeft geschreven. Zijn Dagboek van een onderhandelaar (met als thema de mislukte onderhandelingen over de vorming van een tweede kabinet-Den Uyl) en Retour Den Haag (over zijn kortstondig ministerschap in het derde kabinet-Lubbers) zijn klassiekers, Het verhaal en Achttien adressen werpen een ontroerend licht op het leven van de auteur. Welke plaats neemt Blessuretijd in binnen dit oeuvre? Een autobiografie is het niet, veeleer een hartekreet, een poging tot rechtvaardiging van het eigen bestaan en een moreel testament.

Waarom zou een 78-jarige, succesvolle, alom gewaardeerde Joods-Nederlandse oud-politicus in 's hemelsnaam behoefte hebben om zichzelf te rechtvaardigen? Omdat, schrijft Van Thijn, het niet eenvoudig is te leven in het besef dat anderen voor jou gestorven zijn. Hij mocht niet bestaan, van de nazi's. Maar anders dan de lotgenoten die het niet gehaald hebben, is hij er toch. In blessuretijd. Dankzij de inzet van moedige mensen, van wie sommigen dat niet hebben overleefd. Dat schept verplichtingen, of in elk geval voelt hij dat zo.

Grote zorgen maakt Van Thijn zich om het mogelijk teloorgaan van wat hij het 'acquis humanitaire' van na de Tweede Wereldoorlog noemt. Hij doelt op naoorlogse pogingen om normen vast te leggen die een opnieuw vervallen in discriminatie, uitstoting en massamoord zouden moeten verhinderen. Concreet gaat het om verdragen als de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het verdrag inzake uitbanning van rassendiscriminatie, de Vluchtelingenconventie, de verboden op genocide en foltering, 'waarmee dezer dagen te achteloos wordt omgesprongen'. Op wereldschaal, maar ook in eigen land. Want, constateert Van Thijn tamelijk bitter: 'Nederland is van een voorbeeldland op het gebied van mensenrechten een achterstandsgebied geworden. Van trots symbool van tolerantie nu een schrijnend thuisland van intolerantie.'

Hij illustreert deze stelling met beleidsvoornemens van het aftredende kabinet, zoals het dreigen met uitzetting van migranten die hun inburgeringsexamen niet op tijd halen. Laat hij zich zo kennen als 'politiek correct'? Van Thijn kan daar niet erg mee zitten. Sarcastisch noemt hij politieke correctheid 'een ernstig verwijt in een tijd dat thee drinken erger lijkt te zijn dan comazuipen'.

Fascinerend is de manier waarop Van Thijn zijn eigen coming-out als Jood beschrijft. Hij zoekt antwoord op de vraag waarom hij pas decennia later over zijn ervaringen als kind in de oorlog durfde te schrijven en te praten. Hij komt tot de conclusie dat hij nog lang ondergedoken is gebleven, daartoe van huis uit gestimuleerd. Zoals zijn vader het uitdrukte: 'Wij gaan niet meer op lijsten staan.' Hoe onopvallender, hoe beter, want minder gevaarlijk.

Het zogeheten Rathenau-complex is in Joodse kring een bekend fenomeen. De naamgever, Walter Rathenau, minister ten tijde van de Republiek van Weimar, was voorstander van volledige assimilatie. Hij beschouwde zichzelf als volbloed Duitser en hechtte geen betekenis aan zijn Joodse achtergrond. Toch werd hij in 1922 door antisemitische rechtse extremisten vermoord. De kern van het naar Rathenau vernoemde credo werd tegenover Van Thijn verwoord door zijn oudere, eveneens Joodse, partijgenoot Ivo Samkalden. Hij betoogde dat 'juist een Joods politicus zich in Joodse kwesties uiterst terughoudend diende op te stellen'. Dat leek de jonge Van Thijn destijds een uitmuntend advies.

De omslag kwam tijdens de emotionele hoorzitting in de Tweede Kamer over de voorgenomen vrijlating van de 'Drie van Breda', de laatste Duitse oorlogsmisdadigers die in Nederland een levenslange gevangenisstraf uitzaten. Van Thijn: 'Na meer dan een uur ademloos luisteren, begaf ook mijn pantser het. Het waren met name de sprekers namens de Joodse jongerenorganisaties die mijn laatste restjes weerstand braken. (...) Niet dat die jongeren nieuwe dingen vertelden, integendeel. Alles, hoe verschrikkelijk ook, was mij bekend. (...) Nee, juist het feit dat het niet nieuw was, greep mij naar de keel. Waarom had ik die verhalen nooit verteld? Waarom had ik gezwegen als het graf? (...) Waarom moesten mijn collega-Kamerleden deze verhalen uit de mond van deze jongeren horen?'

Voor Ed van Thijn was dit het begin van een zich bewust ook als Jood profileren. Hij leerde Hebreeuws, werd lid van het liberaal Joodse kerkgenootschap, bezocht IsraŽl en besefte dat dit land meer voor hem betekende dan ItaliŽ of Spanje. Hoogtepunt was onlangs de 13de verjaardag van kleinzoon Noah die, anders dan hijzelf op die leeftijd, bar mitswa deed. 'Die bar mitswa-plechtigheid behoort, naast de bevrijding in 1945 en de geboorte van mijn beide dochters (...) tot de mooiste gebeurtenissen in mijn leven.' De cirkel was rond, Van Thijn zag zich opgenomen in een eeuwenoude traditie waarin hij zich thuis voelde.

Toch kwam daarmee nog lang geen eind aan de dilemma's. Want lang niet iedereen in Joodse kring onderschrijft Van Thijns overtuiging dat wie voor de rechten van Joden opkomt dat ook voor die van andere minderheden hoort te doen. De opvattingen van de huidige IsraŽlische minister van Buitenlandse Zaken, Lieberman, laten zich veeleer omschrijven als 'eigen volk eerst'. Een visie die Van Thijn met afkeer vervult. Want 'waren wij niet zelf vreemdelingen in Egypte'? Zoals elk jaar met Joods Pasen wordt gememoreerd? Jood zijn en daarom ook Mensch, het is tegenwoordig geen bijzonder populaire positie. Maar wel een die door Ed van Thijn met verve wordt uitgedragen.


Ed van Thijn: Blessuretijd - Dilemma's van een Joods politicus. Atlas Contact; 269 pagina's; Ä 19,95.

 


IRP:   Even dagen: wel cultuur - oneven dagen : niet


Naar Cultuur, gelijkheid , Albanese cultuur , Sociologie lijst , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]