De Volkskrant, 25-06-2011, door Arnon Grunberg 2010

Het morele beest

Het verlangen naar het 'echte' en 'ware' maakt de mens gevoelig voor zwendel. Die vermomt zich als kunst of politiek, en kan beter niet bestreden worden, betoogt Arnon Grunberg. Dit weekeinde leidt hij een marathondebat met filosofen over goed en kwaad.

Toen ik onlangs de filosoof Peter Sloterdijk interviewde, zei hij, en dat was ook meteen het eerste: 'Als de filosofen doorgaan met schrijven zoals ze nu doen, is er over vijftig jaar geen filosofie meer.' Of Sloterdijk gelijk heeft, kan ik niet bevestigen, maar na afloop van dat interview, tijdens de lunch, waarbij goede wijn werd geschonken, verklaarde hij over de hedendaagse filosofen: 'Jeder lŁgt fŁr sich allein.'
    De uitspraak van Sloterdijk is wat mij betreft niet alleen geldig voor filosofen, maar ook voor schrijvers en misschien wel voor de mensen in het algemeen, die de socioloog Joop Goudsblom definieerde als 'morele beesten'.
    Wie alleen voor zichzelf liegt, voert een schertsvertoning op. Om daaraan te ontkomen draagt de mens zijn moraal uit zoals een marskramer.
    Wij weten amper wat goed is voor onszelf en om dat te verhullen hebben wij een noodsprong gemaakt: wij weten wat goed is voor de ander.
    De leugenaar heeft het liefst een stadion vol met mensen die zijn leugens geloven, maar ťťn gelovige, of iemand die veinst te geloven, volstaat in noodgevallen ook al.
    Nationalisme, populisme en religieus fundamentalisme kunnen als volgt worden begrepen: wij willen niet alleen voor onszelf liegen, wij willen samen met anderen liegen. Dat is onze vlucht uit de eenzaamheid. En precies dat bedoelde Max Weber toen hij het had over de 'onttovering van de wereld': het langzame vergaan van collectieve leugens.
~
De eerste mens zou zijn verleid door zijn vrouw om van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten. Eva beweert op haar beurt misleid te zijn door de slang, die een geweldige ontdekking deed: dat de mens verlangt.
    De filosoof en Lacan-deskundige Marc De Kesel omschrijft de mens in zijn boek Eros and Ethics ook als een 'pleasure animal' (in het Nederlands heeft hij het over een 'lustkonijn' en een 'lustwezen' - ik geef de voorkeur aan 'lust konijn'). De mens, zegt hij, is alleen maar ver langen en wie aan dat verlangen een eind maakt, maakt een eind aan de mens.
    In Goden breken zegt De Kesel dat volgens Lacan, net als volgens Freud, 'de plaats van waaruit we leven niet de reŽle werkelijkheid is'.
    De mens kan het reŽle niet betreden, maar het verlangen naar dat reŽle blijft uiteraard bestaan en dat maakt hem gevoelig voor de verleiding van bijvoorbeeld de slang. Je zou kunnen zeggen dat de slang Eva verleidt met de onuitgesproken belofte dat zij echt zal leven als zij van de boom eet.
    Het is het verlangen dat de mens gevoelig maakt voor zwendel, hem er zelfs naar doet uitzien. Sommige zwendel vermomt zich als kunst, andere als filosofie, weer andere als religie of als wetenschap, de zwendel die nog meer dan religie ervan overtuigd is boven alle zwendel uit te kunnen stijgen. Ook politiek is voor alles een komedie van bedriegers en bedrogenen.
    Wij doen er goed aan de zwendel serieus te nemen, niet alleen op te vatten als iets wat ontmaskerd en bestreden dient te worden. Deze zwendel is alles wat er is. Wie deze zwendel niet wil, wil het niets
 

De slang speelt met ons

De slang vertelde aan Eva: 'God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.'
    Hij wist waarop hij Eva moest aanspreken. Op haar fantasie. Wie nieuwsgierig is naar de boom waarvan hij niet mag eten, heeft ook een voorstelling van wat er gebeuren gaat als ervan gegeten wordt, hoe vaag en onbestemd ook.
    Velen zien fantasie als iets voor kinderen en 'creatievelingen', waarmee volwassenen worden bedoeld die kennelijk kind zijn gebleven maar toch in staat zijn voor zichzelf te zorgen. Een misvatting. Het menselijke leven speelt zich slechts voor een gedeelte af in de ruimte die wij werkelijkheid noemen. Het andere leven, dat vermoedelijk belangrijker en reŽler is, is onze fantasie, de voorstellingen die wij maken van onszelf en van de ander.
    Dat wij ons niet altijd bewust zijn van het feit dat onze voorstellingen voorstellingen zijn blijkt al uit het verhaal over Adam en Eva.
    Wat er precies gezien zal worden na het eten van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarover doet de slang geen uitspraken. Hij belooft niets concreets.
    Maar wanneer hun ogen opengaan, ontdekken Adam en Eva slechts hun eigen naaktheid. Een desillusie.
    Het staat er niet en toch begrijpen wij, zo goed zit deze tekst in elkaar, dat Eva van alles had verwacht te zullen zien maar niet haar naaktheid en die van Adam. Pas later wordt de teleurstelling expliciet gemaakt als zij zegt dat de slang haar misleid heeft. Strikt genomen is dat helemaal niet waar, zij heeft in de woorden van de slang dingen gehoord die hij nooit heeft gezegd. Eva heeft zichzelf misleid, de slang heeft haar slechts een handje geholpen.
    De zondeval kan worden opgevat als een val uit de fantasie, als een confrontatie met de noodzakelijke tekortkoming van die fantasie. De werkelijkheid trekt zich nu eenmaal weinig aan van onze fantasieŽn.
    Zoals een verliefde het object van zijn liefde plotseling in nuchtere, niet verliefde toestand kan zien, zo ziet Eva zichzelf en haar man na het eten van de verboden vrucht.
    Dan gebeurt er iets interessants. De mens en zijn vrouw, zo staat er, horen God 'in de koelte van de avondwind' door de tuin wandelen.
    Zelden wordt God op deze manier in het Oude Testament opgevoerd, als een bedaagde heer die 's avonds door zijn tuin wandelt. Hier heeft hij niets van de wraakzuchtige, jaloerse, onzekere God die later in het Oude Testament opduikt. De God die wetten laat optekenen die niet of niet voldoende worden nageleefd, de God die een onverzadigbare behoefte aan liefde heeft, de God die door zijn volk bedrogen wordt, de God die zich in de steek gelaten voelt en in woede ontsteekt zoals de meeste mensen die zich in de steek gelaten voelen. Aan het begin van Genesis is God nog een wandelaar.
    Hij roept: 'Waar ben je?'
   Dit is cruciaal: het is God die de mens roept, niet omgekeerd. God wil weten waar wij zijn. Hij zoekt ons.
    De God aan het begin van de Bijbel lijkt last te hebben van het driftleven van de Griekse goden. Hij heeft zin in een verzetje in de aangename koelte van de avondwind. Hij is alleen, hij zoekt een mens.
    Adam antwoordt: 'Ik hoorde u in de tuin en werd bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.'
    Adam en Eva verstoppen zich niet omdat ze naakt zijn, ze verstoppen zich omdat ze beseffen dat die naaktheid iets doet met de ander, in dit geval God. Het eten van de boom van de kennis van goed en kwaad resulteert in het besef een seksueel object te zijn.
    Voor elkaar schamen Adam en Eva zich niet. De ontdekking van de mens die van de verboden vrucht heeft gegeten is niet zijn eigen verlangen, het is het verlangen van de ander, God in dit geval.
    En meteen daarna zijn Adam en Eva bang dat ze tekort zullen schieten. Ze vrezen dat hun lichamen niet voldoen aan de eisen van de Heer, want de mens is er om de Heer te plezieren.
    Schaamte, zo legt Goudsblom uit, is het besef te falen. De eerste mens schaamde zich omdat hij vindt dat hij gefaald heeft het verlangen van God te bevredigen.
    Het besef de ander niet te kunnen bevredigen, geconfronteerd te worden met zijn verlangen en er niets of niet genoeg aan te kunnen doen, leidt tot de overtuiging: ik faal.
    Maar waarom faal ik?
   Omdat de ander zich niet laat bevredigen, omdat zijn verlangen dat hij op mij geprojecteerd heeft zo groot is dat ik het niet kan bevredigen.
   

Daaruit concludeer ik dat het tekort in de ander zit. Dat het de ander is die mij schuldig maakt. Mijn eigen tekort kan ik daarom alleen opheffen als ik het tekort van de ander ophef.
    Het morele beest is geboren.
    Het tekort van de ander opheffen is zijn verlangen doen uitdoven. Het is immers zijn verlangen dat mij schuldig maakt, dat mij bewust doet worden van het tekort. Maar omdat wij niets anders zijn dan verlangen, omdat wij samenvallen met dat verlangen, kan ik het verlangen van de ander pas opheffen door de ander te vernietigen.
    De moraal is de behoefte het verlangen van de ander te bevredigen en omdat dat niet lukt wil zij het doven, dat wil zeggen wreed te zijn tegen de ander. Waar de beschaving dit verbiedt, keert de wreedheid zich tegen degene die de schuld voelt.
    Dit is wat Nietzsche bedoelt als hij schrijft: 'Namelijk van welke aard de lust is die de onzelfzuchtige, zichzelf verloochende, zichzelf opofferende van meet af aan ondervindt: deze lust valt onder de wreedheid.'
    Met andere woorden, het geweten is niet de poging om de wreedheid te reguleren, het geweten Ūs de wreedheid. Hooguit kunnen wij zeggen dat het geweten wreedheid is die zichzelf in de hand probeert te houden door zich tegen de drager van het geweten te keren.
~
De geschiedenis van de mens begint met Adam en Eva, leren wij. Nee, onze geschiedenis begint met de slang.
    Voordat Adam en Eva het verlangen van God ontdekken, ontdekt de slang het verlangen van Eva. Maar anders dan Adam en Eva, die zich schamen dat zij Gods verlangen niet kunnen bevredigen, schaamt de slang zich nergens voor. Hij speelt slechts met het verlangen van Eva, hij heeft geen enkel moment de aandrang of zelfs maar de illusie dat hij haar verlangen kan bevredigen.
    De slang weet dat de mens verlangt naar datgene waarvan hij zich alleen voorstellingen kan maken. Dat noemt de mens het reŽle, ook wel: het echte leven. Hoe groter de fantasie over het echte leven, hoe gevoeliger men is voor bedrog.
    De slang is de oervader van alle verleidingskunst. En de verleidingskunstenaar is de sadist die de ander niet hoeft te vernietigen omdat het hem niets kan schelen dat hij het verlangen van de ander niet kan bevredigen. De ander maakt hem niet schuldig en daarom mag de ander blijven bestaan.
    In het Bijbelverhaal is de slang degene die het meeste aanspraak kan maken op zelfrespect. Hij heeft geen geweten of moraal, hij speelt slechts een spel.
    Zoals Nietzsche en Freud wisten, is de moraal het cadeaupapier waaronder dat andere, veel diepere en werkelijkere verlangen schuilgaat: het verlangen naar macht, seks en vernietiging.
    Alleen al daarom is de zwendel van de verleidingskunst de enige redding waarop wij mogen hopen.
 

Tussenstuk:
Symposium 'Voorbij goed en kwaad'

Voor de Internationale School voor Wijsbegeerte gaat Arnon Grunberg dit weekeinde in debat met filosofen over de vraag of er rechtvaardigheid bestaat 'voorbij goed en kwaad'. Gespreksgenoten in het tweedaagse programma zijn onder anderen Avishai Cohen, Marc De Kesel, Paul Cobben, Stine Jensen en Eric Schliesser. Met de socioloog Joop Goudsblom spreekt Grunberg over de evolutionaire kant van het kwaad.
    Tevens wordt een eerder opgenomen interview vertoond dat Grunberg voor deze bijeenkomst had met de Duitse filosoof Peter Sloterdijk.
    Opnamen van het hele programma zullen later op dvd worden uitgebracht.
    De conferentie vindt plaats op het landgoed van de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden.


IRP:   AG schrijft over moraal. Vraag: hoe lang duurt het voordat de afgoden van de joodse cultuur voorbij komen: Jahweh en cynisme? Antwoord: het cynisme wint: na 68 woorden (begin tweede alinea) - op totaal van 1754. Jahweh goede tweede: na 231 woorden (begin zevende alinea). De hoeveelheid Jahweh: 997 woorden. Rest: Nietzsche, Freud en heel veel Grunberg. Hoeveelheid evolutie: nul.


Naar Cultuur, gelijkheid , Sociologie lijst  , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]