De Volkskrant, 25-04-2012, door BART VAN DER BOOM, is historicus en schreef Wij weten niets van hun lot. .2011

We waren onwetend, niet onverschillig

'Nederland deportatieland' berust op onjuiste veronderstellingen. Men snapte de genocidale intentie, maar niet de praktijk.

Tussentitel: Joodse dagboekschrijvers voelden zich eerder gesteund dan in de steek gelaten

Iedereen weet hoe het zit met Nederland en de Holocaust: ons land heeft de Joden tijdens de oorlog laten stikken, met als gevolg het hoogste percentage gedeporteerden van West-Europa. Sinds journalist Max Arian in 1992 de term 'Nederland deportatieland' muntte, hebben tientallen opiniemakers - van Theo van Gogh tot Ian Buruma - herhaald hoezeer wij toen faalden. Nog in januari van dit jaar schreef de hoofdredactie van NRC Handelsblad dat het Nederland zou sieren excuses aan te bieden voor zijn 'laffe' houding en het 'wegkijken bij de Jodenvervolging'. Wij zijn niet meer het land van Miep Gies en de Februaristaking, maar een natie van schuldige omstanders.

Het verhaal van de schuldige omstander berust op twee veronderstellingen: dat de gewone Nederlander wist wat er met de Joden gebeurde - misschien niet in alle finesses, maar wel in essentie - en dat hem dat eigenlijk weinig kon schelen. Die veronderstellingen zijn begrijpelijk. Het is al lang bekend dat de Londense radio, de illegale pers en zelfs de Duitse propaganda geregeld repten van 'vernietiging' en 'uitroeiing' van de Joden. En het lijkt vanzelfsprekend dat een land dat weinig verzet pleegde tegen de deportaties en er op allerlei manieren aan meewerkte, die deportaties blijkbaar niet zo erg vond. Toch zijn beide veronderstellingen onjuist. Dat blijkt uit een grootschalig en systematisch onderzoek van oorlogsdagboeken.

Die dagboeken tonen allereerst aan dat de gewone Nederlander niet onverschillig stond tegenover de Jodenvervolging. Zo goed als alle dagboekschrijvers noemden de anti-Joodse maatregelen barbaars, on-christelijk en vooral: on-Nederlands, want strijdig met een eeuwenlange vaderlandse traditie van tolerantie. Wat je ook van Joden dacht - dat was soms weinig fraais - ze waren wel medeburgers. Dagboekschrijvers signaleerden de verontwaardiging die hun vervolging wekte en voelden zich eerder gesteund dan in de steek gelaten. Onverschilligheid was de uitzondering, woede de regel.

Het feit dat de Nederlandse maatschappij zich maar mondjesmaat tegen de Jodenvervolging verzette en er zelfs aan meewerkte, kan dus niet verklaard worden uit instemming. Hoe dan wel? Dat is een ingewikkelde vraag, maar een belangrijk, onmisbaar deel van het antwoord luidt: uit onwetendheid. Anders dan algemeen wordt aangenomen, wist men niet wat er met de Joden gebeurde. Althans: niet genoeg om adequaat te kunnen handelen.

Dat de Joden thuis werden opgehaald, naar Westerbork gebracht en vandaar naar Polen, was algemeen bekend. Wat er in Polen gebeurde, wist niemand met zekerheid. Er waren wel vermoedens en geruchten, en die waren weinig opwekkend. De Duitsers wilden de Joden uitroeien, dacht men. De gezinnen zouden uit elkaar worden gehaald, de gezonde volwassenen aan zware, waarschijnlijk te zware, arbeid gezet, de kinderen, bejaarden en zieken aan hun lot overgelaten - misschien, zo somberden sommigen, wel simpelweg vermoord. Wat men zich niet voorstelde, niet kon voorstellen, was dat de meerderheid onmiddellijk bij aankomst werd vermoord. Men snapte wel het doel dat de Duitsers voor ogen hadden, maar niet het middel dat zij hanteerden; wel de genocidale intentie, maar niet de genocidale praktijk.

Dat lijkt wellicht een al te subtiel onderscheid, maar het is cruciaal. Duizenden Joden die konden onderduiken, deden dat niet omdat ze het te gevaarlijk vonden. Wie onderdook en gepakt werd, ging immers naar Mauthausen, en in Mauthausen, zo wist iedereen, was je in drie weken dood. In Polen, zo dacht men, zou het ook zwaar zijn, maar wie werken kon, zou het daar wel een half jaar of een jaar volhouden - en tegen die tijd was de oorlog voorbij. Joden gehoorzaamden om erger te voorkomen. Als zij hadden geweten dat er geen erger was, hadden zij anders gehandeld. En niet-Joden ook. Net als de slachtoffers konden de omstanders besluiten dat gehoorzaamheid het kleinste kwaad was en verzet simpelweg onverstandig - niet uit onverschilligheid, lafheid of antisemitisme, maar uit onwetendheid.

Gewone Nederlanders keken dus niet de andere kant op toen de Joden werden gedeporteerd; ze keken geschokt toe. Ze lieten de Joden niet in de steek; ze dachten dat ze hen niet konden helpen. Zij vormden geen heldenvolk - natuurlijk niet, maar evenmin een natie van onverschillige omstanders. 'Nederland deportatieland' geldt als de ontmaskering van een mythe, maar is in werkelijkheid een nieuwe mythe.





Naar Cultuur, gelijkheid , Albanese cultuur , Sociologie lijst , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]