De Volkskrant, 10-03-2012, door Max Pam .2011

Max Pam: 'Dapperheid vinden wij niet belangrijk genoeg'

In de Nederlandse geschiedenis was dapperheid onderwerp van spot en onderwaardering.

Max Palm hield op 5 maart in perscentrum Nieuwspoort in Den Haag de Johan van Oldenbarnevelt-lezing. Dit is een ingekorte versie van zijn rede Van O Dapper naar O Donner

Tussentitels: De Hoge Raad bleef zitten toen een Joods lid weg moest
W.F. Hermans vond 'dapper' een bespottelijk woord

De 5de maart is voor mij een bijzondere dag. Op die dag, 69 jaar geleden, werden enkele van mijn voorouders, onder wie mijn grootvader, omgebracht in het vernietigingskamp Sobibor. Wie denkt dat dit een somber verhaal wordt vol Joods oorlogsleed, kan ik deels geruststellen. Voor mijn vader was 5 maart namelijk ook een bijzondere dag: op die dag, 107 jaar geleden, werd hij geboren. Bovendien wist hij de oorlog te overleven.

Journalistiek is geen beroep voor bange mensen. Nog onlangs vonden de Amerikaanse journalist Marie Colvin en de Franse fotograaf Rémi Ochlik de dood bij bombardementen in Syrië. Zij zijn de helden van de journalistiek, de helden van deze tijd. Soms heb je er een in Nederland, bijvoorbeeld Arnold Karskens, die gewapend met pen en cameraatje de gevaarlijkste oorlogshaarden bezoekt.

Laten wij teruggaan naar het jaar 1999, toen door vakgenoten 'De Journalist van de Eeuw' werd gekozen. Nu zou je kunnen denken dat de Nederlandse journalist van de 20ste eeuw iemand moet zijn die zich heeft onderscheiden tijdens de grootste calamiteit van die eeuw, de Tweede Wereldoorlog. Je zou aan Frans Goedhart kunnen denken, een van de oprichters van Het Parool, een dapper man die slechts als zevende eindigde, vermoedelijk omdat dezelfde onbuigzaamheid die hem tijdens de oorlog zo van pas was gekomen, na de oorlog tegen hem werkte.

Winnaar werd H.J.A. Hofland.

Versta mij goed: Hofland is een geweldige stilist en een groot columnist, die terecht de P.C. Hooftprijs heeft gekregen. Hij is ook een heel beminnelijk en bescheiden mens, een inspiratie voor degenen die zich in de schrijvende pers willen bekwamen. Maar de Calamiteit van de Eeuw bracht hij vooral door als waarnemer op afstand, iets wat hij na de bevrijding is gebleven. Weliswaar werd Van Randwijk tweede, maar men bekroonde uiteindelijk liever een briljant mijmeraar dan een man die met gevaar voor eigen leven de vrijheid van meningsuiting hoog hield.

Nieuwe moraal
In het culturele leven van ons land is dapperheid evenmin van grote betekenis geweest. Willem Frederik Hermans heeft de criticus H.A. Gomperts nog eens bestraffend toegesproken, omdat die had geschreven dat wij toe waren aan een nieuwe moraal, die moest bestaan uit drie woorden: considerate, sensitive and plucky. Attent, gevoelig en inderdaad: dapper.

Dapper vond Hermans, die zelf tijdens de oorlog voornamelijk op zijn kamer had gezeten, een bespottelijk woord. De hoofdpersonen uit Hermans' eigen romans doen wel pogingen dapper te zijn, maar dat streven smoort telkens in allerlei mislukkingen. Die filosofie van het menselijk onvermogen is in Nederland zo aangeslagen dat historici de Tweede Wereldoorlog alleen nog kunnen beschouwen in grijstinten.
Meer dan andere auteurs heeft Hermans het over dapperheid, of juist over het gebrek daaraan. Een van zijn experimentele romans heet Het Evangelie van O. Dapper Dapper en refereert aan Olfert Dapper, de Nederlandse arts en geschiedschrijver die leefde van 1636 tot 1689.

Waarschijnlijk is Dapper nooit arts geweest en gaf hij zich daar alleen maar voor uit. Een soort Reinout Oerlemans avant la lettre. Bovendien is Dapper als geschiedschrijver evenmin betrouwbaar, want de verre landen waarover hij zo beeldend kon vertellen, had hij nimmer bereisd. Dapper was een dappere thuiszitter, wat niet wegneemt dat hij in zijn tijd buiten Nederland tamelijk beroemd was.

Zoals u ongetwijfeld weet is in Amsterdam naar Dapper een straat genoemd, een straat waar J.C. Bloem - in de oorlog ook al geen held - nog een prachtig gedicht over heeft geschreven. Domweg gelukkig in de Dapperstraat heet het en het gaat over een man die liever thuis zit op zijn zolderkamertje, dan dat hij erop uittrekt. De paden op, de lanen in - maar niet voor J.C. Bloem. 'Natuur is voor tevredenen en legen', zegt de dichter.

Nobelprijs
In 2005 had ik een ontmoeting met Petter Aaslestad, tegenwoordig hoogleraar Noorse letteren aan de universiteit van Trondheim. In zijn jeugd had hij in Nederland gestudeerd en het werk van Hermans ontdekt. Hij had zich ook bemoeid met de Noorse vertaling van Nooit meer slapen. Een mooie roman, vond hij, maar hij begreep ook waarom het boek in Noorwegen nooit meer dan één druk had gehaald. En waarom Hermans zelfs in de verste verte niet in aanmerking was gekomen voor de Nobelprijs. 'De hoofdpersoon uit Nooit meer slapen', zei Aaslestad, 'is een onhandige figuur, die onvoorbereid aan zijn tocht begint. Voor Noren is zo iemand een sukkel, die geen enkele relatie heeft met de natuur. Een echte Nederlander. Elk jaar dondert hier wel een toerist van de rotsen of komt er eentje onder een lawine. En dat is dan heel vaak een Nederlander.'

Toch wordt er weleens - heel voorzichtig - tot dapperheid en heldhaftigheid opgeroepen. Wie herinnert zich niet de Algemene Beschouwingen van 2006, toen Jan Peter Balkenende zijn vuist balde en riep: 'Ik begrijp niet waarom u hier zo negatief en vervelend over doet. Laten we blij zijn met elkaar! Laten wij optimistisch zijn! Laten we zeggen: Nederland kan het weer! Die VOC-mentaliteit!'

Ook die oproep had een averechts effect: er werd voornamelijk om gelachen. Het hoorde bij de klunzigheden van de toenmalige premier. Een historicus schreef dat beoogd handelspartner China nooit blij is geweest met de Verenigde Oost-Indische Compagnie. De Nederlanders dwongen Chinese boeren op de suikerplantages te werken. Er waren dan ook regelmatig opstanden. In 1662 behaalden de boeren onder leiding van de piraat Cheng Cheng-Kung de overwinning. Cheng Cheng-Kung werd door de onzen Coxinga genoemd, alsof hij eigenlijk een Fries was. Zowel op Taiwan als op het vaste land zijn grote standbeelden voor Coxinga opgericht.

Schaamte
Over ons koloniale verleden voelen wij tegenwoordig vooral schaamte. In Amsterdam woon ik vlakbij het Van Heutsz-monument. Een paar jaar geleden is het zo gerenoveerd dat nog maar weinig herinnert aan de man die Atjeh heeft onderworpen. Wel is het bassin ervoor, dat werd opgesierd door fonteinen, geschikt gemaakt als pierenbadje voor de kleuters. 's Zomers is het er gezellig.
Ons koloniale verleden is niet meer iets waar wij trots op zijn. Vorige week werd de slag in de Java Zee herdacht, en hoe luidde de kop in de Volkskrant? 'Was Karel Doorman een held?' In dezelfde kop stond het antwoord: 'Nee'.

Trouwens, mijn literaire held Willem Frederik Hermans, zo werd onlangs onthuld, heeft zich aangemeld voor de Kultuurkamer.
En wat vindt men tegenwoordig van Van Oldenbarnevelt, de naamdrager van deze lezing, die door de grote dichter Vondel wel degelijk als een held werd beschouwd? Martin van Amerongen heeft nog eens uitvoerig stuk over hem geschreven. En wat luidde hier de kop? 'Misschien was Van Oldenbarnevelt een schurk.'

Toch heeft Van Oldenbarnevelt grote werken verricht. Zo richten de Staten-Generaal op instigatie van Johan van Oldenbarnevelt in 1602 de VOC op. Dat vergde schipperen en polderen. Het bestuur werd ten slotte gevormd door de Heren Zeventien. Dat geeft aan dat men enorm heeft zitten rekenen om iedereen tevreden te stellen.

Het was een van de vele gevallen waarbij Van Oldenbarnevelt door handig onderhandelen zijn zin kon doordrijven. Hij gaf de natie vorm, zoals dat tegenwoordig heet, maar omdat hij daarbij in conflict kwam met Maurits, is de natie het er na bijna vierhonderd jaar nog niet over eens of Van Oldenbarnevelt 'onverdraaglijk rechtschapen' was, dan wel dat hij een 'geslepen, koppig en hoogmoedig karakter' bezat.

Het is curieus dat de man die altijd aan het wheelen en dealen was tenslotte staande op zijn recht het graf inging, de natie in vertwijfeling achterlatend. Zelfs Maurits, die toch moet hebben gehoopt dat de oude baas gratie zou vragen, was daarna helemaal van slag. Ook zijn reputatie was geknakt en tegen de Spanjolen - waar het conflict toch eigenlijk om begonnen was - lukte het hem niet meer een deuk in een stadsmuur te schieten.

Van Oldenbarnevelt had twee belangrijke medestanders: Gillis van Ledenberg en Hugo de Groot. Beiden werden gelijktijdig met Van Oldenbarnevelt gearresteerd. Net als Van Oldenbarnevelt was Van Ledenberg van eenvoudige komaf en wist hij zich om hoog te werken door huwelijken met rijke vrouwen. In gevangenschap pleegde Van Ledenberg zelfmoord. Men zegt dat hij tot zijn daad kwam om te verhinderen dat zijn bezittingen tijdens een proces verbeurd werden verklaard, wat zijn familie zwaar zou treffen.

De zelfmoord werd als onwaardig beschouwd. Er kwam toch nog een postume veroordeling. Van Ledenbergs lijk werd in een kist gedaan en als één geheel aan een touw opgehangen.

Wonderkind
Hugo de Groot was een wonderkind. De Franse koning noemde hem: 'le miracle de la Hollande'. Al op zeer jonge leeftijd werd hij door Van Oldenbarnevelt, die hij als zijn leermeester beschouwde, ingezet als diplomaat. Uit zijn denken is het natuurrecht voortgekomen dat de mens voorstelt als een vrij wezen en de wereldzeeën als toegankelijk voor iedereen.

Maar de houding van De Groot in het proces tegen Van Oldenbarnevelt was weinig verheffend. Met een verwijzing naar zijn onbezonnen jeugd distantieerde De Groot zich van zijn leermeester door tegen zijn ondervragers te verklaren dat Van Oldenbarnevelt had gehandeld uit 'persoonlijke machtswellust'. De Groot beaamde ook beschuldigingen tegen Van Oldenbarnevelt waarvan hij wist dat het leugens waren. Toen De Groot werd gevraagd alle verdenkingen jegens Van Oldenbarnevelt nog eens op schrift te stellen, was hij meteen bereidwillig. Hij deed zelfs meer en voegde, om in het gevlei te komen bij zijn ondervragers, een aantal extra bezwaren toe. Volgens mr. dr. Jan den Tex, de biograaf van Van Oldenbarnevelt, heeft de schriftelijke getuigenis van Hugo de Groot ertoe geleid dat verschillende rechters tenslotte voor de doodstraf hebben gestemd.

Dat was dus Hugo de Groot, die bij de verkiezing Grootste Nederlander Aller Tijden op de 31ste plaats eindigde, juist achter Van Kooten en De Bie, maar voor Johan de Wit. Overigens eindigde Van Oldenbarnevelt op de 24ste plaats, tussen Prins Claus en Marco van Basten.
Het verlinken van iemand die wordt berecht, is van alle tijden, maar je kunt je afvragen of de houding van De Groot ook niet past in een bepaalde Nederlandse cultuur. Misschien heeft De Groot gedacht dat het niet zo ver zou komen met die doodstraf. Zoals Nederlanders moeite hebben met de wispelturigheid van de natuur, zo hebben zij ook moeite met de uitoefening van macht. De Groot ontsnapte in een boekenkist. Niet als held, maar wel als slimmerik. Hij keerde nooit meer terug naar de Nederlanden.

Hoge Raad
Ik maak nu een stap naar 30 september 1938, toen leden van de Hoge Raad het 150-jarig bestaan van hun instituut vierden door het gerenoveerde gebouw aan het Plein in Den Haag te betrekken. Onder de symbolen van de rechtspraak - de weegschaal, het zwaard en de geblinddoekte Justitia - had men in het Latijn een uitspraak van Hugo de Groot laten aanbrengen: 'Waar rechterlijke oordelen ontbreken, begint oorlog.'

Mooie woorden, die een extra lading kregen, toen nog geen twee jaar later de Duitsers ons land overmeesterden en van plan waren het gebouw van de Hoge Raad in te richten tot het hoofdkwartier van Seyss-Inquart. Dat ging ten slotte niet door, want de Rijkscommissaris vond Clingendael nog aantrekkelijker. Maar al snel werd de Hoge Raad gelijkgeschakeld, hetgeen leidde tot het ontslag van mr. Lodewijk Ernst Visser, die moest gaan omdat hij Joods was. De collega's van Visser - rechters uit het hoogste rechtscollege van ons land, mensen die een modelfunctie te vervullen hadden - zwegen. Zij mochten blij zijn dat Visser in 1942 stierf aan een hersenbloeding en nog niet was gedeporteerd naar een concentratiekamp.

Op de begrafenis van Visser waren leden van de Hoge Raad evenmin aanwezig. Wel schreef een aantal van hen een condoleancebrief aan de weduwe. Die brieven stonden vol lofprijzingen. Dat was gemakkelijk gedaan, die kwamen niet in de openbaarheid.

Dat alles valt te lezen in het indrukwekkende boek De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog van de historicus Corjo Jansen. Daarin staat ook dat de Hoge Raad ten opzichte van de Duitsers erg plooibaar was, heel anders dan in Noorwegen en Denemarken, waar de hoogste rechtscolleges aftraden. Meest schokkend is dat de leden van de Hoge Raad na de oorlog volhielden dat zij eigenlijk niets verkeerds hadden gedaan. Ze wilden blijven zitten en dat is hun uiteindelijk ook gelukt, vooral door toedoen van mr. Jan Donner, die het adagium 'om erger te voorkomen' tot het uiterste heeft verdedigd.

Donner werd na de bevrijding ook de nieuwe president van de Hoge Raad. Wie gedacht had dat hij op de eerste zitting enige woorden zou spreken over zijn eigenlijke voorganger mr. L.E. Visser kwam bedrogen uit. Donner zweeg.

Het is een inmiddels aanvaarde conclusie dat het Nederlanders volk tijdens de Duitse bezetting niet overmatig heldhaftig is geweest. Er is bij verzetsstrijders een grote opofferingsgezindheid en individuele moed geweest, maar over het algemeen was accommoderen de houding, vooral bij de grote instituties. Daar zijn allerlei excuses voor, maar het relatief hoge aantal Nederlandse Joden dat is weggevoerd, spreekt boekdelen.

Dat de Hoge Raad na de oorlog kon aanblijven, is tekenend voor het geestelijk klimaat. Onlangs werd een voorgedragen raadsheer bij de Hoge Raad niet aangenomen, omdat een politieke partij zich daar tegen verzette. Dat mag zo'n partij doen, maar dat de Hoge Raad die niet-benoeming zonder openlijk protest voorbij liet gaan, is misschien een teken dat er niet zo veel is veranderd.

Kliklijn
Nederlandse militairen vechten in Afghanistan, maar soms zitten ze binnen, vanwege de gevaren buiten. Intussen is Nederland in Europa het land met de meeste kliklijnen. De kliklijn, waarop je lastige Oost- en Midden-Europeanen anoniem kunt aangeven, is beslist de enige niet. Zelfs in de Babbelbox, een onderdeel van het onschuldige programma Man bijt Hond, wordt wat af geklikt over bazen, buren en zelfs over de eigen echtgenoten.

Ik wijs daarom tot slot op mr. H.W. Sandberg, een moedig man en een van de oprichters van het illegale Het Parool. In het verzet heette hij Jeroen. Hij was ook jurist en heeft na de bevrijding met een aantal medestanders geprobeerd de leden van de Hoge Raad weg te krijgen. Dat is hem niet gelukt. Later is hij hoofdredacteur van Het Parool geworden. Vier jaar geleden is hij gestorven, 89 jaar oud. Ik stel voor hem, mr. H.W. Sandberg, postuum te benoemen tot 'De Journalist van de 20ste Eeuw', niet alleen, maar samen met H.J.A. Hofland. Ik weet zeker dat Henk Hofland daartegen geen enkel bezwaar zal hebben.


 

IRP:  We kunnen een voorbeeld nemen aan de enorme hoeveelheid dapperheid die de joden hebben tentoongespreid.

Nu durven ze wel: tegen die losers in het Midden-Oosten

Naar Cultuur, gelijkheid , Albanese cultuur , Sociologie lijst , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]