De Volkskrant, 14-01-2012, door Robin te Slaa .2011

Baanbrekende studie naar Jodenvervolging

Eindelijk antwoorden op de vraag waarom 3 van de 5 Nederlandse Joden in de oorlog werden vermoord.

Tussentitel: Franse autoriteiten werkten nauwelijks mee aan deportaties

'Die rare cijfers, zoveel beschamender voor Nederland dan voor welk land in West-Europa ook. Zelfs in Duitsland had je nog iets meer kans de vernietiging te overleven dan in Nederland. We waren niet antisemitisch, we waren alleen maar laf.' Deze aanklacht schreef Renate Rubinstein in 1990. Dit beschamende beeld van nationale lafheid ten opzichte van een groep vervolgde burgers heeft zich sindsdien in ons collectieve geheugen genesteld. Maar in hoeverre klopt dit beeld?

De cijfers lijken Rubinstein gelijk te geven. Niet alleen het aantal maar ook het percentage Joodse slachtoffers in ons land was het hoogst van West-Europa. Ongeveer 104 duizend van de 140 duizend Joden hier overleefden de oorlog niet. In BelgiŽ kwamen er ruim 25 duizend van de ongeveer 65 duizend Joden om. Het aantal slachtoffers in Frankrijk bedroeg ongeveer 80 duizend van de naar schatting 320 duizend Joden.

Dezelfde cijfers roepen ook vragen op. Hoe is het mogelijk dat het percentage Joodse slachtoffers - op Denemarken na - in Frankrijk het laagste was van heel Europa? Hetzelfde Frankrijk dat een langdurige antisemitische traditie kende en waar het collaborerende Vichy-regime in de onbezette zone zonder enige Duitse aandrang in oktober 1940 anti-Joodse wetgeving invoerde?

Vanzelfsprekend zijn Griffioen en Zeller niet de eerste onderzoekers die zich bezighouden met de opmerkelijke verschillen in aantallen en percentages Joodse slachtoffers tussen diverse West-Europese landen. Op basis van hun fenomenale kennis behandelen de auteurs uitvoerig de voorafgaande onderzoeksliteratuur over de Jodenvervolging in Frankrijk, BelgiŽ en Nederland. Tot dusverre ontbrak een evenwichtige vergelijking die de sterk uiteenlopende percentages slachtoffers tussen de genoemde landen afdoende verklaart. Het naslagwerk van Griffioen en Zeller (een enigszins bewerkte versie van hun geprezen dissertatie uit 2008) heeft deze witte plek in de geschiedschrijving van de Holocaust nu ingekleurd.

In hun comparatieve studie beschrijven de auteurs minutieus de overeenkomsten en verschillen tussen de drie bestudeerde landen. Nauwgezet analyseren Griffioen en Zeller onder meer de positie van het autochtone bestuur, de handelingsvrijheid van de Duitse organisaties die zich met de Jodenvervolging bezighielden, de methoden die zij toepasten en de mate van integratie, assimilatie en organisatiegraad van de Joodse bevolkingsgroepen.

De voornaamste oorzaak van het bijzonder hoge aantal en percentages Joodse slachtoffers in ons land, constateren Griffioen en Zeller, was de vrijwel ongelimiteerde macht waarover het Duitse politieapparaat hier beschikte voor het organiseren van deportaties. Zowel het bezettingsbestuur (Reichskommissariat) als de hoogste Nederlandse bestuurders waren buitenspel gezet. Het laatste geschiedde overigens zonder al te veel tegenstribbelen.

De Nederlandse situatie verschilde daardoor radicaal van die in Frankrijk en BelgiŽ. De hoogste Franse autoriteiten, die hun gezag over de politie behielden, waren vanaf het najaar van 1942 nauwelijks bereid mee te werken aan deportaties. De kerende krijgskansen voor nazi-Duitsland, mogelijke kerkelijke protesten en de internationale pressie waren daar debet aan. Met het oog op de bijzondere bezettingsconstructie in Frankrijk en de essentiŽle economische bijdrage van dit land aan de Duitse oorlogsinspanningen, schikte de SS-top zich hier voorlopig in.

In BelgiŽ leidden de protesten van de autoriteiten tegen de razzia's in 1942 ertoe dat deze tijdelijk werden opgeschort. De Joden verdwenen onderwijl massaal in de 'clandestiniteit'. Voor massale opsporingsacties ontbrak het de Sipo-SD aan voldoende mankracht. Ter voorkoming van maatschappelijke onrust verbood het militaire bezettingsbestuur de inzet van Belgische agenten daarvoor.

Een tweede belangrijke oorzaak was de latere opkomst in ons land van georganiseerd verzet en onderduikmogelijkheden. Dit was vooral het gevolg van de gunstige economische omstandigheden tijdens de eerste twee bezettingsjaren, de afschrikwekkende repressie na de Februaristaking van 1941 en de geleidelijke invoering van de gedwongen tewerkstellingen in Duitsland. De schok over de tewerkstellingen (die de solidariteit met de eveneens met deportatie bedreigde Joden bevorderde) kwam in BelgiŽ en Frankrijk eerder dan bij ons. Toen in Nederland hiertegen massaal protest ontstond (de april-mei-stakingen van 1943) waren de deportaties van Joden al tien maanden bezig.

Ten slotte werd het aantal en het percentage Joodse slachtoffers in Nederland gedeeltelijk bepaald door de inschakeling van de Joodse Raad bij de deportaties (oproepen voor 'tewerkstelling in het Oosten') en de aanvankelijke reacties van de Joodse bevolking op de Duitse methoden van misleiding en intimidatie. Terwijl in Frankrijk en BelgiŽ een aanzienlijk deel van de aanwezige Joden door hun Duitse of Oost-Europese achtergrond zich weinig illusies maakte over het nazi-antisemitisme, was dat bij de sterk geÔntegreerde Joodse bevolking hier veel minder het geval. Velen waren daardoor langere tijd geneigd vast te houden aan legale ontsnappingsmogelijkheden: vrijstellingen (waarvoor aanvankelijk bijna een derde deel van de Nederlandse joden in aanmerking kwam) en Arbeitseinsatz in het 'permanente' werkkamp Vught. Deze legale 'ontsnappingsmogelijkheden' weerhielden veel Joden van onderduiken maar bleken uiteindelijk een verraderlijk onderdeel te vormen van het deportatiesysteem. De vrijgestelden en bewoners van kamp Vught werden alsnog op transport gezet.

Het is onmiskenbaar de verdienste van Griffioen en Zeller dat zij op overtuigende wijze de doorslaggevende oorzaken van het uitzonderlijk hoge aantal en percentage Joodse slachtoffers in Nederland aantonen. Niet zozeer om ons bezwaarde geweten te sussen. Veel belangrijker is dat hun standaardwerk duidelijk maakt dat historische processen uiterst complex zijn.

P. Griffioen en R. Zeller: Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en BelgiŽ - Overeenkomsten, verschillen, oorzaken.

Boom; 1045 pagina's; Ä 49,50.

ISBN 978 90 850 6811 2.
 

IRP: 

Naar Cultuur, gelijkheid , Albanese cultuur , Sociologie lijst , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]