De Volkskrant, 10-12-2011, door Paul Scheffer 2010

Amerika wikt, China beschikt

China, India, IndonesiŽ en BraziliŽ domineren de wereldeconomie. Die machtsverschuiving moet zijn weerslag krijgen in de internationale bestuursorganen, betoogt Paul Scheffer.

Tussentitels: Het Westen moet inschikken
                   Het IMF dreigt snel aan betekenis te verliezen

Alles is zo onvoorspelbaar geworden, dat niemand zich nog lijkt te herinneren hoe de wereld er kort geleden uitzag. Jarenlang werd de euro gevierd als de kroon op de integratie, maar sinds een half jaar gaat het alleen nog over de 'redding' van die munt. En niemand kijkt nog vreemd op wanneer Europese landen een beroep doen op 'ontwikkelingslanden' als China en BraziliŽ om bij te dragen aan een noodfonds dat ons door de monetaire winter moet loodsen.
    Of neem het topoverleg van zeven rijke geÔndustrialiseerde landen, de zogenaamde G7. Vanaf het midden van de jaren zeventig was dat hťt forum waarin de voornaamste problemen van de wereldeconomie werden besproken. Tot enkele jaren geleden was het onvoorstelbaar dat China bij die onderhandelingen zou aanschuiven als gelijkwaardige deelnemer. En nu, midden in de eurocrisis, kan niemand zich meer voorstellen dat zonder dat land wordt vergaderd. De G7 lijkt wel te zijn opgelost en de G20 is plotseling de plek waarin wordt gesproken over de geldzorgen van de wereld.
    Niet alleen in Europa heeft de schuldencrisis een verschuiving in de machtsverhoudingen blootgelegd, ook de veel grotere Amerikaanse schuldenberg heeft het landschap veranderd. Want achter de 'kredietorgie' aan de andere kant van de oceaan schuilt China, dat met zijn enorme dollarreserves deze schuld mogelijk heeft gemaakt. Daardoor is tussen China en de Verenigde Staten een afhankelijkheidsrelatie ontstaan die tien jaar geleden moeilijk denkbaar was.
    Het verbaast dan ook niet de twee bekende Amerikaanse publicisten - Thomas Friedman en Michael Mandelbaum - een tamelijk zwartgallige diagnose over hun land beginnen met de zin: 'This is a book about America that begins in China.' Wat volgt is een pakkende beschrijving van de snelle verbetering van de infrastructuur in China, die wordt afgezet tegen de langzame verloedering van de wegen en het openbaar vervoer in Amerika.
    Friedman en Mandelbaum maken zonder veel omwegen een pijnlijke balans op van de staat waarin Amerika verkeert: 'We rijden in het rond zonder bumper, zonder een reservewiel en met een bijna lege tank.' Dat beeld onderbouwen ze heel goed. Een voorbeeld: de minister van onderwijs meldde niet lang geleden dat van de jongeren tussen de 17 en 24 momenteel driekwart niet meer in aanmerking komt voor dienst in het leger. Of ze zijn drop-outs van de middelbare school, of ze hebben een strafblad of hun lichamelijke conditie is onder de maat.
    En zo gaat de adembenemende litanie bladzijde na bladzijde door. Vooral over het onderwijs worden harde oordelen geveld. Het vergelijkende onderzoek naar schoolresultaten - de zogeheten Pisa-studie - laat inderdaad zien dat Amerika snel is gedaald op de ranglijst van geÔndustrialiseerde landen en nu qua resultaten op het gebied van wiskunde en taalbeheersing niet meer dan de middelmaat is.

That used to be us is een afrekening met de generatie van de babyboomers, die is geboren tussen 1946 en 1964. De auteurs zelf behoren tot dat cohort: 'onze eigen generatie is nogal zelfzuchtig geweest, verwend en soms roekeloos en onverantwoordelijk'. Het contract tussen de generaties is verbroken, aldus Friedman en Mandelbaum. In plaats van te investeren hebben we jaren lang boven onze stand geleefd. Wanneer de 78 miljoen babyboomers met pensioen gaan in de komende jaren zal blijken dat de kosten daarvan niet te dragen zijn.
    Het onvermogen om iets te doen aan de staatsschuld - nu al meer dan 100 procent - belooft op korte termijn weinig goeds. Friedman en Mandelbaum spreken over een 'oorlog tegen de wis- en natuurkunde' in hun land: de schuldencrisis laat zien dat de meerderheid niet meer kan tellen; de klimaatcrisis toont een miskenning van eenvoudige natuurwetten. En de groeiende ongelijkheid - nu al leeft meer dan 15 procent in armoede, dat wil zeggen 46 miljoen mensen - staat gemeenschappelijk handelen in de weg.
    Het recept is helder: 'Amerikanen moeten meer sparen, minder consumeren, langer studeren en harder werken.' De succesformule van het land moet opnieuw worden vormgegeven. Ze presenteren een overtuigende agenda van besparingen op onder meer de gezondheidszorg, van belastingverhoging om de kosten van bijvoorbeeld de infrastructuur te dragen en van investeringen in onderwijs en onderzoek.
    Gaat deze heruitvinding van Amerika lukken? Friedman en Mandelbaum presenteren zichzelf als 'gefrustreerde optimisten'. Vooral de verlamming van het Amerikaanse politieke bestel baart hen zorgen. Maar de oplossing die ze voor dat bestel aandragen, overtuigt niet. Ze pleiten voor een ongebonden derde kandidaat uit het 'radicale midden' die bij de komende presidentsverkiezingen voor een doorbraak moet zorgen. Het is een veeg teken dat ze Obama nauwelijks noemen. Is het teleurstelling of willen ze boven de partijen staan? Hoe het ook zij, nog maar drie jaar geleden belichaamde de huidige president de hoop op verandering.
    Het appŤl op de Amerikaanse vernieuwingszin is waardevol, maar ze zien te weinig dat de 'leidende rol' van Amerika niet meer van deze tijd is. Friedman en Mandelbaum begonnen hun diagnose over Amerika in China, maar eindigen met de opmerking dat Amerika vooral niet China moet gaan imiteren: 'Het lot van China, wat het ook moge zijn, is niet bepalend voor het onze.' Amerika blijft een 'baken' in een woelige wereld.

Dat ze op die manier voorbijgaan aan de veranderingen in de wereld wordt wel duidelijk uit het met economische statistieken volgepropte en inmiddels veel gelezen boek Eclipse van de gerespecteerde Indiase econoom Aravind Subramanian, voormalig onderzoeker bij het IMF en nu bij het Peterson Institute in Washington. Hij keert het beeld om en zegt dat het in de komende twee decennia vooral aan China zelf zal liggen of het de grootste economie zal worden.
    Subramanian heeft een index ontwikkeld waarmee economische dominantie kan worden gemeten. Ook al is elke maat omstreden - er is bijvoorbeeld kritiek op zijn gebruik van 'koopkrachtpariteit', dat verschillen tussen rijke en arme landen afvlakt - zijn stelling heeft de charme van de eenvoud. Zelfs als we uitgaan van een veel mindere groei, dan nog zal de omvang van de Chinese economie in 2030 veruit die van Amerika overtreffen. Een cijfer kan dat illustreren: al in 2020 schat hij het Chinese aandeel in de wereldhandel op 12,1, dat van Amerika op 8,8 en dat van de Europese Unie op 8,3 procent.
    Zo gezien zijn de schuldencrisis in het Westen en het overschot in China een aanwijzing voor een dieperliggende verandering in de wereld, die zijn weerga niet kent. China staat niet op zichzelf. Er vindt volgens Subramanian een langzame convergentie plaats: de groei in de armere delen van de wereld gaat aanmerkelijk sneller dan in de rijkere delen. Meer dan driekwart van de landen in ontwikkeling liet in de afgelopen tien jaar een hogere groei zien dan Amerika of Europa.
    Het beginpunt van die groei ligt op een laag niveau, maar door het demografische gewicht van de nieuwe economieŽn heeft die verschuiving toch enorme gevolgen. Subramanian laat goed zien hoe ver China al is. Het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking is vandaag de dag nog geen kwart van dat van de Verenigde Staten, maar omdat de bevolking vier maal zo groot is, is het economische gewicht van China nu al aanzienlijk.
    De kloof tussen de armere en rijke delen van de wereld krimpt. De bijdrage van een groot deel van de wereldbevolking aan de economie was in de afgelopen honderd jaar natuurlijk uitzonderlijk klein. In Eclipse wordt dat berekend voor China, India, IndonesiŽ en BraziliŽ gezamenlijk. In 1960 was hun aandeel in de wereldeconomie niet meer dan 29 procent van het gewicht van deze landen qua bevolking. Nu is dat al gegroeid naar 65 procent en zijn voorspelling voor 2030 is 95 procent. Tegen die tijd zal het aandeel van deze landen in de wereldeconomie dus bijna volledig hun aandeel in de wereldbevolking weerspiegelen.
    Er zijn zeker vragen te stellen bij de duurzaamheid van de Chinese groei en Subramanian doet dat maar mondjesmaat. China zal vroeg of laat de geforceerde onderwaardering van de eigen munt moeten loslaten. Het land zal geconfronteerd worden met zeer ongewisse politieke hervormingen en zal na 2025 ook de gevolgen ondervinden van een snel vergrijzende bevolking. Verder heeft het nu al te kampen met de milieuschade van decennia ongehinderde groei. Tenslotte zal het land een langzamere groei of zelfs recessie in Europa en Amerika voelen, met alle risico's van sociale onrust.
    En zo is er veel meer. Want het is duidelijk: werkelijke macht in de wereld gaat natuurlijk ook over aantrekkingskracht. Zal het Engels als wereldtaal langzaam worden verdrongen door het Chinees? Zullen films en muziek, wetenschap en literatuur uit AziŽ de wereld gaan veroveren? Vooralsnog ziet het er niet naar uit dat het etnocentrische China in cultureel opzicht de smeltkroes Amerika zal overtreffen.

Maar ook al zou het minder snel gaan, dan nog is onmiskenbaar dat de relatieve gewichten in de wereldeconomie in vooral oostelijke richting aan het schuiven zijn. We leven in een multipolaire wereld, waarbij de macht van Amerika niet meer te vergelijken is met de overmacht van twintig of vijftig jaar geleden. Dat heeft grote voordelen, maar roept wel de vraag op hoe stabiliteit kan worden gewaarborgd. Stevenen we af op twee wedijverende grootmachten met hun eigen invloedssfeer? Sommigen spreken nu al over een G2.
    Maar dat is een te oppervlakkige uitleg van de nieuwe verhoudingen. Als het goed is, vormt de machtsverschuiving in de wereld vooral een aansporing om de eigen samenlevingen en instituties kritisch te bezien. De westerse hoogmoed in de jaren na de val van de Berlijnse muur zou voorgoed verleden tijd moeten zijn. Als de kredietcrisis iets heeft duidelijk gemaakt, dan is het dat de globalisering niet zonder instituties kan. Het gebrek aan regulering van de financiŽle sector is rampzalig gebleken.
    De Verenigde Staten hebben deze instituties gedomineerd - zoals de Wereldbank - en als dat niet lukte heeft het deze instellingen genegeerd, zoals in het geval van het Internationaal Strafhof. Dat kan niet meer. Subramanian is heel duidelijk: de westerse wereld moet inschikken, wil het China binden aan een vorm van internationaal bestuur. De nieuwe machtsverhoudingen moeten doorwerken in instituties als het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Daar ligt de grote verandering die nodig is. Gebeurt dat niet, en volhardt Amerika in een rol die allang is achterhaald, dan zal bijvoorbeeld het IMF snel aan betekenis verliezen. De huidige crisis komt wat dat betreft als geroepen.
    De Britse historicus Arnold Toynbee schreef al vlak na de oorlog met een vooruitziende blik: 'De paradox van onze generatie is dat de hele wereld lering heeft getrokken uit de aanraking door het Westen, behalve het Westen zelf. De westerse wereld van vandaag kijkt naar de geschiedenis vanuit het oude op zichzelf betrokken gezichtspunt, dat andere samenlevingen nu door de dwang der omstandigheden achter zich hebben gelaten.'
    Maar die zelfgenoegzame houding kon niet voortduren, want vroeg of laat zouden 'de repercussies van deze botsing onvermijdelijk op het Westen terugslaan', schreef Toynbee. In de opkomst van BraziliŽ, India en China kunnen we de bevestiging zien van deze voorspelling. We beleven het einde van de westerse wereld zoals we die kenden. Daarover gaat het eigenlijk dezer dagen, wanneer we drukke diplomaten zien onderhandelen over de schuldencrisis en de redding van de euro.

Thomas Friedman en Michael Mandelbaum: That used to be us. How America fell behind in the world it invented and how we can come back. Farrar Strauss and Giroux; 382 pagina's; ca Ä 28. ISBN 978 0 374 28890 7.

De Nederlandse vertaling van Henk Moerdijk is uitgekomen bij Nieuw Amsterdam onder de titel Wat is er mis met Amerika? 448 pagina's; Ä 27,95. ISBN 978 90 4681 126 9.

Arvind Subramanian: Eclipse. Living in the shadow of China's economic dominance. Peterson Institute for international economics. 216 pagina's; ca Ä 22. ISBN 978 0 881 32606 2.

 

IRP:   Twee joden over het gevolg van het niet weerstand bieden aan joodse invloed: het neoliberalisme.


Naar Vrijheid van meningsuiting , Sociologie lijst  , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]