De Volkskrant, 15-06-2013, boekrecensie door Arnon Grunberg .2010

De ontmaskering van alles

Op de vlucht voor de nazi's vond de Duitse filosoof Adorno onderdak in Amerika. Daar schreef hij de briljante, ongenadige aforismen van Minima Moralia.


De beroemdste uitspraak van de Duitse filosoof Theodor Wiesengrund Adorno (1903-1969) luidt: 'Nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch.' Een uitspraak die hij later herroepen heeft en die zoals dat gaat met iconisch geworden citaten al te makkelijk verkeerd kan worden begrepen.

Adorno was beďnvloed door Marx en de marxistische literatuurkritiek van de Hongaar Georg Lukács. In die traditie zou Adorno's uitspraak moeten worden geplaatst. Voor Adorno was Auschwitz een gevolg van een economisch denken dat zich tot in de verste uithoeken van de maatschappij had genesteld. In zijn recentelijk door Hans Driessen vertaalde Minima Moralia omschrijft hij de genocide van de nazi's als massaproductie en 'prijsverlaging van de dood'; het nazisme had 'de absolute irrelevantie van het natuurlijke levende wezen tegenover de maatschappelijke absoluutheid' hooguit vervolmaakt.

De Hongaarse schrijver en Auschwitz-overlevende Imre Kertész - hij zou de ironicus van de Holocaustliteratuur kunnen worden genoemd - is het ten minste gedeeltelijk met Adorno eens. In zijn roman Kaddisj voor een niet geboren kind schrijft Kertész: 'Het zou juist onverklaarbaar zijn geweest als Auschwitz niet had bestaan, als Auschwitz niet was ontstaan, als de wereldtoestand geen feit had voortgebracht dat we Auschwitz noemen (...) Auschwitz hing immers al heel lang - wie weet hoe lang al? - in de lucht, misschien al eeuwen.'

En hoewel Primo Levi waarschuwt voor de gemakkelijke en onjuiste gelijkstelling van fabriek = kamp, erkent ook hij dat de kiemen van het concentratiekamp te vinden zijn in onze scholen, fabrieken en kazernes.

Minima Moralia - de titel zinspeelt op de Magna Moralia van Aristoteles - heeft als ondertitel Reflecties uit het beschadigde leven en is onderverdeeld in drie delen, die alle drie met een jaartal zijn gemarkeerd: 1944, 1945, en 1946-1947.

Volgens Adorno zelf gaan de mini-essays in deze bundel, 153 in totaal, over de 'intellectueel in de emigratie' - Adorno was voor de nazi's naar Amerika uitgeweken - maar het werkelijke thema is de tot ding gemaakte mens, oftewel de 'verdinging' van de mens. Adorno's these is dat deze verdinging geenszins beperkt blijft tot de intellectueel in de emigratie of de slachtoffers van de nazi's, de verdinging is totaal.

Misschien is het beter om de stukken in Minima Moralia, die van alles behandelen, van Proust via de vrouw en seksualiteit tot het fascisme, de cultuurindustrie en de astrologie, geen mini-essays te noemen, maar aforismen.

Het is een woord dat Adorno zelf laat vallen in zijn opdracht, die in het origineel vooraan staat maar die in de Nederlandse uitgave helemaal achterin is gezet. Hij geeft toe dat een serieus denker, dat wil zeggen een systematisch denker, zich niet aan aforismen hoort te bezondigen omdat die volgens Hegel hooguit geschikt zouden zijn voor conversatie, maar nu 'het subject aan het verdwijnen is' zijn de aforismen eraan gaan hechten ('nehmen die Aphorismen es schwer') het 'verdwijnende zelf als wezenlijk te beschouwen'.

Hoe kunnen wij ons verhouden tot ons eigen verdwenen zijn? Als je eenmaal tot ding bent gemaakt en toch nog menselijkheid predikt, vervul je dan niet precies de rol die de maatschappij, die jou verdingd heeft, van jou verlangt? Dat is een van de wezenlijke vragen die Adorno in dit boek stelt.

In zijn visie is de maatschappij volledig verziekt, maar tegenover 'de ziekte van de normaliteit' staat niet meer de 'gezondheid van het zieke'.

In aforisme na aforisme, het ene vaak nog briljanter dan het andere, wrijft hij de lezer de impasse in en hij vergeet daarbij niet, vrijwel alle profeten en instituten - van wie de lezer nog heil verwacht - te ontmaskeren als handlangers van de verdinging. De journalistiek bijvoorbeeld geeft 'de begrijpelijkheid voor de dommen de hoogste prioriteit'.

Het fascisme zou slechts een uitwas zijn van de roes waarop het late kapitalisme drijft: 'De bewering dat Hitler de cultuur heeft vernietigd, is niet meer dan een reclametruc van degenen die haar weer vanaf hun telefoontafeltje willen opbouwen.'

Adorno citeert Goebbels, die tijdens de eerste pogrom gezegd zou hebben dat de nationaal-socialisten in elk geval niet saai waren. Heden ten dage geldt het succesvol bestrijden van saaiheid eveneens als het hoogst haalbare in de cultuurindustrie, zij het dat men bij de bestrijding ervan geen gebruik meer maakt van pogroms.

Bij Adorno moeten ook de ironie en de satire het ontgelden; en passant worden korte metten gemaakt met de Weense satiricus Karl Kraus. In de wereld waar 'het leven is verworden tot de ideologie van zijn eigen absentie' kan de ironie alleen nog maar het bestaande bevestigen. Er is geen consensus meer waarop de ironie zich kan beroepen, behalve de afwezigheid van het subject, het tot in het oneindige doorgevoerde universum van de ruilhandel waarbij zelfs de dood op cynische wijze is overwonnen omdat het ene leven gewoon wordt ingeruild voor het andere.

Dat Adorno zelf regelmatig van ironie gebruikmaakt mag duidelijk zijn, maar een aforist kan zich bezondigen aan inconsequenties en paradoxen, ook als die aforist Theodor W. Adorno heet.

Zijn oordeel is vaak ongenadig en misschien niet altijd even afgewogen. Een schrijver als Hans Fallada wordt in één zin afgedaan als collaborateur van de bestaande orde. Brecht wordt afgeserveerd, zij het zonder zijn naam te noemen, als iemand die het ware karakter van de misstanden verhult. Meer waardering weet Adorno op te brengen voor schrijvers als Proust en Ibsen.

Maar de kunst kan zich zich uiteraard niet aan de verdinging en de impasse onttrekken, omdat het fascisme volgens Adorno niet uit te beelden is en vrijheid alleen optreedt 'als ideologie, als spreken over vrijheid'. Dat laatste komt ons bekend voor.

Dan volgt een aforisme dat veel lijkt op zijn beroemde uitspraak over Auschwitz: 'Het enige object dat tegenwoordig de kunst waardig zou zijn, namelijk het zuivere onmenselijke, onttrekt zich aan de kunst, zowel door zijn buitensporigheid als zijn onmenselijkheid.'

Het uitbeelden van het zuivere onmenselijke ('das reine Unmenschliche') is een van de belangrijkste, misschien wel de belangrijkste taak geweest van kunstenaars en schrijvers na het fascisme. En sommige schrijvers hebben Adorno's bewering dat het zuivere onmenselijke zich aan de kunst onttrekt door middel van hun werk succesvol weerlegd. Ik denk bijvoorbeeld aan Borowski, Levi, Camus, Grass, Coetzee, maar ook Kellendonk en Hermans, en misschien nog wel het meest van allemaal: Beckett. Die is er zelfs zo goed in geslaagd dat ik zijn werk soms onverteerbaar vind.

Ook wie het Duits redelijk beheerst, zal af en toe moeite hebben met de soms gedragen, ietwat pompeuze stijl van Adorno. Geregeld wordt Adorno meegesleept door het esthetische karakter van het aforisme, maar hij blijft de schoonheid van de taal wantrouwen. Het is knap van Driessen dat hij er leesbaar Nederlands van heeft weten te maken, en hij voegde er bovendien een hilarisch en oneerbiedig personenregister aan toe (zo staat er bij Kafka: 'Zijn verhalen zijn onovertroffen, zijn romans mislukt.')

Adorno gebruikt zijn eruditie en intelligentie ook om tegen windmolens te vechten. Zoals in zijn tirade tegen de film. De lezer heeft dan het gevoel dat niet langer denken, observatie of ervaring ten grondslag ligt aan de tirade, maar dat Adorno's visie is vertroebeld door een slecht humeur.

In zijn nawoord beschrijft Driessen hoe Adorno in 1949 terugkeert naar Duitsland en samen met Max Horkheimer het beroemde Institut für Sozialforschung in Frankfurt in ere herstelt.

Op 22 april 1969 maken studenten Adorno het onmogelijk college te geven. Ze verspreiden vlugschriften waarop staat: 'Adorno als institutie is dood.' De studenten verwijten de oude meester slechts radicaal te zijn in het diepst van zijn gedachten.

Als het enkele maanden later bij een college weer tot incidenten komt, staakt Adorno het lesgeven. In augustus 1969 sterft hij in Zwitserland aan een hartinfarct.

Een denker kan per definitie alleen radicaal zijn in het diepst van zijn gedachten, al zijn er denkers geweest die met hun radicaliteit, gewild of ongewild, het voetvolk hebben opzweept die radicaliteit in praktijk te brengen.

Maar tegenwoordig heeft het voetvolk geen denker meer nodig om radicaal te zijn: men is radicaal tegen contante betaling. Ironischerwijs kan ter illustratie van deze stelling gelden dat de Nederlandse uitgever van Minima Moralia op de flap heeft gezet dat van dit boek wereldwijd meer dan een half miljoen exemplaren werden verkocht.

Nog altijd marcheert de cultuurindustrie hartstochtelijk voort.


Theodor W. Adorno: Minima Moralia - Reflecties uit het beschadigde leven. Uit het Duits vertaald door Hans Driessen. Vantilt; 285 pagina's; euro 19,95.


Tussenstukken:
Kolendamp

De eerste Nederlandse vertaler van Minima Moralia was Maurits Mok, voor een Aula-pocket in 1971. Volgens Hans Driessen was Moks vertaling onleesbaar. Een voorbeeld: het woord Kohldampf werd bij Mok 'kolendamp'. Het is echter Zwabisch dialect voor 'honger als een paard'. Driessen vond de betekenis via internet: 'Dat bestond in Moks tijd niet, dus ik heb makkelijk praten.'


Citaten
'Goed geschreven teksten zijn als spinnewebben: dicht, concentrisch, transparant, kunstig gesponnen en stevig. Ze trekken alles naar zich toe wat kruipt en vliegt.'

'Aan het begin van het Duitse imperialisme staat de Götterdämmerung van Wagner, de geestdriftige profetie van de eigen ondergang.'

Uit: Minima Moralia, vertaling Hans Driessen


IRP:   


Naar Cultuur, gelijkheid , Sociologie lijst  , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]