De Volkskrant, 28-12-2013, door Arnon Grunberg 2010

Zo sprak Zarathoestra tot | Arnon Grunberg

Een god die van lachen houdt

Pubers waren we, en Zarathoestra redde ons: we zetten uitroeptekens in de kantlijn. Toch past de volwassene geen meewarigheid. Dit blijft een onmisbare aanvulling op de Bijbel.


Tussentitel: Je moest met andere woorden jezelf loslaten zoals je een geliefde losliet die een ander heeft gevonden

 .

Op mijn 15de las ik Aldus sprak Zarathoestra van Friedrich Nietzsche, in de vertaling van H. Marsman en dr. P. Endt. Hoewel ik het niet uitlas - ik kwam niet verder dan een bladzijde of zestig, daarna hield ik het bij bladeren en grasduinen voor het slapengaan - maakte het diepe indruk. Ik kocht een schrift met harde kaft waarin ik de naam Genirsto schreef - Genirsto was mijn Zarathoestra - en daaronder noteerde ik het motto, duidelijk aan Nietzsche ontleend: 'Alles is vals en ware het niet vals zou het niet bestaan.' Het schrift zou gevuld worden met wijsheden en daarmee had ik het zo druk dat ik het Vossius Gymnasium vroegtijdig verliet - over de vraag in hoeverre dat vertrek vrijwillig was, lopen de meningen uiteen. Ook besloot ik dat het voor altijd december 1986 zou blijven. Proefwerken dateerde ik met bijvoorbeeld 47 december 1986. De honderdste december 1986 heb ik nog gevierd, daarna verwaterde mijn voornemen.

Ergens heb ik het gevoel dat mijn besluit van toen waarheid is geworden; met een been sta ik onmiskenbaar in het nu, met het andere been leef ik vrolijk voort in die eeuwige decembermaand van 1986. Iets in mij is nooit ouder geworden dan 15 en het lijkt me wijsheid om eindelijk de hoop op te geven dat dat ooit nog gaat veranderen. Wat de anderen schijnbaar moeiteloos voor elkaar krijgen, zal mij nooit lukken.

Over Aldus sprak Zarathoestra hoort de volwassene met enige meewarigheid en kritische distantie te spreken. Nietzsche zelf mag, zoals H. Marsman in zijn voorwoord schrijft in mijn exemplaar van de Wereldbibliotheek uit 1985, Zarathoestra als 'het hoogste geschrift, dat de mensheid tot dusver had gekend' hebben beschouwd, wij weten beter. Pubers waren we, maar inmiddels hebben we bijgeleerd en kunnen we over de Zarathoestra en de uitroeptekens die we in de kantlijn hebben geplaatst met gepaste weemoedige distantie onze eerbiedwaardige hoofden schudden. De wat pompeuze toon, de gelijkenissen, het geŰxalteerde, het van tijd tot tijd bijkans hysterische: aan ons zou het niet meer zijn besteed, zelfs als we weten dat Zarathoestra dat hoofd van ons ongetwijfeld 'het hoofd van de laatste mens' had genoemd - 'laatste mensen' zijn diegenen die slechts streven naar een al te beschaafde vorm van hedonisme.

Mijn meest recente leeservaring, dit keer integraal, weersprak het volwassen vermoeden dat de Zarathoestra iets is waar de wijs geworden mens niets meer aan heeft, zoals de doorgewinterde athe´st meent dat de wijs geworden mens niets meer aan de Bijbel heeft. Door Zarathoestra te herlezen, met andere woorden, stapte ik met dat ene been dat in 2013 stond uit het nu en werd weer van top tot teen 15. Zeker, mijn hoofd was wellicht met iets meer weetjes gevuld, ook wel kennis genoemd, maar dat deed niets af aan de door Nietzsche afgedwongen schaamteloze terugkeer naar mijn 15-jarige zelf.

In de Zarathoestra had ik gelukkig al gelezen dat redding en ondergang elkaar niet uitsloten, dat je buiten de mensheid kon staan en bespot kon worden en toch groots kon zijn en naar grootsheid kon streven. Zarathoestra had mij gered, en aangezien ik zoals gezegd niet kan veinzen dat ik niets meer te maken heb met wie ik ben geweest, moet ik opbiechten: Zarathoestra redt mij.

Natuurlijk was het in de eerste plaats de literatuur die mij heeft gered, eerst als lezer, later als schrijver - over de ware aard van die redding en de neveneffecten ervan, die mij pas jaren later geleidelijk aan duidelijk werden, is het laatste woord niet gezegd - maar in dat domein van de literatuur neemt de Zarathoestra een speciale plaats in, vooral omdat het duidelijk was dat Nietzsches ambitie zoveel verder reikte dan die van de gemiddelde romanschrijver. Hier stond iets op het spel dat door en door esthetisch en artificieel was, inclusief niet altijd even overtuigende gedichten, en dat zich toch volledig onttrok aan de smetteloze behuizing van het zuiver esthetische oordeel; hier had iemand alles, dat wil zeggen zichzelf, ingezet. De mens die zichzelf wenste te overwinnen - en dat moesten wij, zoveel begreep ik van het weinige uit de Zarathoestra dat echt tot mij als 15-jarige doordrong - kon geen genoegen nemen met louter zelfbehoud.

Wie de afwezigheid van lijden als laatste en enige ideaal omarmde, wie in de pijnstiller alles vond wat hij nodig had, stond al met beide benen in het lijkenhuis. Of, zoals het staat in de nieuwe vertaling van Ria van Hengel (die het 'Aldus' in de titel heeft veranderd in 'Zo'): 'Eens was de geest god, toen werd hij mens en nu wordt hij zelfs gepeupel.' Wie zichzelf diende te overwinnen moest bereid zijn zichzelf te verliezen.

Wat ik in 1986 niet begreep - en dat was behoorlijk wat - had ik met mijn fantasie aangevuld. Dat ik jarenlang op joodse les gedwongen was geweest het Oude Testament te lezen, kwam goed van pas; de stem van Zarathoestra was mij vertrouwd, hij leek verdacht veel op de stem van de Almachtige uit de Bijbel. Misschien moet ik zeggen dat Nietzsches stem op die van God lijkt, want ook elders in zijn werk meen ik de echo van de Almachtige te horen. Maar anders dan God hield Nietzsche van lachen. Zoals in de Zarathoestra staat geschreven, zelfs twee keer: 'Doden doe je niet met woede, maar met lachen.' En op een andere plaats: 'Ik heb het lachen heilig verklaard: o hogere mensen, leer (cursivering van Nietzsche, AG) mij - lachen.'

Ik moest dus leren lachen. Alles wat zelfbeklag was diende ik achter mij te laten. Nietzsches afkeer van het medelijden, een afkeer die hij gemeen heeft met bijvoorbeeld Spinoza, Nietzsches typering van medelijden als een inferieure vorm van liefde, als een eigenschap van mensen die nog maar een verlangen kennen, het verlangen om te worden ontzien, is bekend, maar als medelijden al zo inferieur was, dan gold dat des te meer voor zelfmedelijden.

Op een ochtend ergens rond de 200ste december 1986 vertelde mijn vader dat hij 's nachts zeker een kwartier voor mijn deur had gestaan en mij, zoals hij zei, 'hartverscheurend had horen huilen'. Hij had mij niet durven storen, maar hij kon ook niet teruggaan naar bed, begreep ik uit zijn woorden. Een onaangenaam moment voor ons allebei. Ik meende in mijn kamer mijn vertwijfeling naar hartelust te kunnen etaleren, maar ik was betrapt. We hebben er nooit meer over gesproken.

Omdat ik eigenlijk voornamelijk wilde huilen, luidde de vraag dus veeleer hoe ik moest leren lachen. Het zou overdreven zijn te zeggen dat het antwoord uitsluitend door Zarathoestra werd gegeven, en het is uiteraard ook niet zo dat de keuze volstrekt doordacht en rationeel was; maar intu´tief, met dank aan Zarathoestra, begreep ik dat wie wilde lachen moest leren spelen. De mens die zichzelf wenste te overwinnen - niet in de christelijke betekenis van het woord, waarbij zelfoverwinning er voornamelijk op neerkomt dat men het eigen lichaam afzweert als een ondeugdelijk en zondig instrument - moest ten minste kunnen veinzen zich op het standpunt van de goden te stellen. Leven alsof dit leven slechts een van de levens is die ons ter beschikking staan. Je moest met andere woorden jezelf loslaten zoals je een geliefde losliet die een ander heeft gevonden. Boven jezelf staan betekende lachen.

Overigens had ik al eerder, ter voorbereiding op een hedendaagse Lof der Zotheid die ik ging schrijven en die in 2001 verscheen (De Mensheid zij geprezen), de Zarathoestra van a tot z gelezen, maar toen, anno 2000, maakte het minder indruk. De paradoxen van Zarathoestra waren mij logischerwijs veel duidelijker dan toen ik 15 was, en juist daarom was deze leeservaring van de Zarathoestra wat lauw. Of misschien kwam dat omdat ik meende echt volwassen te zijn geworden.

Hoewel bij waarlijke grootsheid ongetwijfeld ondergang hoorde, kleefden aan zelfbehoud ook praktische voordelen. De wil tot macht uitte zich vooral in ruzie met mijn vriendin zodat ik alleen kon concluderen: wat een armzalige macht woont in mijn lichaam. Mijn lichaam was slechts de weinig comfortabele huurwoning van een doodzieke wil. Zarathoestra had evenwel niets te zeggen over wat ik in mijn huurwoning uitspookte. Bovendien kon ik niet ontkennen dat het verlangen om ontzien te worden, hoewel een teken van verval, bijzonder prettig was.

Kortom, het boek redde niet meer, maar dat was geen probleem, want ik dacht dat ik niet meer gered hoefde te worden. Volwassen worden betekent immers geloven dat je niet meer gered hoeft te worden. Dat geloof heb ik inmiddels verloren en vermoedelijk maakte de Zarathoestra toen ik het deze winter herlas een andere maar minstens zo diepe indruk als op mijn 15de. Ik las spreuken als 'pijn is ook een lust, vloek is ook een zegen' en ik begreep beter waarom Nietzsche een wegbereider was van Freud. 'Lust wil geen erfgenamen', zegt Zarathoestra, 'geen kinderen. Lust wil zichzelf, wil eeuwigheid, wil terugkeer.'

In Elizabeth Costello schrijft J.M. Coetzee over het gevaar van literatuur die geen antwoord meer wil geven op de vraag hoe wij moeten leven, die niet meer wil redden, die geen 'richtsnoer in onze verwarring' meer wil en kan zijn, die ons niet meer informatie wil verschaffen over wat Coetzee 'de herboren mens' noemt.

Dergelijke literatuur van schrijvers die de 'hunkering' van lezers niet kunnen of willen stillen - en in de filosofie dreigt hetzelfde gevaar - is hooguit een min of meer esthetisch ornament bij het verlangen van de laatste mens die geen redding meer wenst, geen antwoord op grote vragen, die alleen steeds beter, steeds effectiever wenst te worden ontzien. Omdat er al zoveel is waardoor de mens wordt ontzien is het bestaansrecht van die literatuur twijfelachtig.

Het besef dat er in ons niet alleen een noodzakelijke en ook ietwat benepen drift tot zelfbehoud woont, maar tevens een nietzscheaans verlangen om aan die benepen drift een einde te maken, doet ons vertwijfelen, wat betekent dat wij nog dagelijks gered moeten worden. Ik in elk geval wel. Of zoals we kunnen lezen in de Zarathoestra: 'Zei u ooit ja tegen een lust? O vrienden dan zei u ook ja tegen alle (cursivering van Nietzsche, AG) pijn.'

De Zarathoestra herinnert ons eraan dat wij literatuur hebben omdat wij hopen verleid te worden tot de 'laatste zonde'.

Aldus sprak Zarathoestra bleek nog altijd een bijbel, een alternatieve bijbel, of op zijn minst een onmisbare aanvulling op het Oude en Nieuwe Testament.

Friedrich Nietzsche: Zo sprak Zarathoestra - Een boek voor iedereen en niemand
Uit het Duits vertaald door Ria van Hengel, met een nawoord van Hans Driessen; Athenaeum- Polak & Van Gennep; 208 pagina's; euro 34,95 (gebonden).

De Arbeiderspers; 340 pagina's; euro 17,95 (paperback).


 

IRP:   zie op dezelfde dag Sontag


Naar Cultuur, gelijkheid , Sociologie lijst  , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]