De Volkskrant, 04-05-2013, door Kustaw Bessems (1977) is chef van Vonk. .2010

Vrijheid | Ruim baan voor enge ideeen

Openheid overwint de onderduik

Na een bezoek aan het oude hoofdkwartier van Hitler in München, realiseert Kustaw Bessems zich dat iedere vrij uitgesproken mening - hoe controversieel ook - een triomf is op nazicensuur en boekverbrandingen.

Tussentitels: Op de deur staat 'verboden voor onbevoegden'; ik besluit dat ik bevoegd ben
Te zelden wordt de discussie gevoerd: wát wordt er nu eigenlijk gezegd? Slaat dat ergens op?


Het is toeval, dat ik in München ben. Eerder die dag was ik in een luxehotel in de bergen, met sneeuw, op twee uur rijden van de stad, waar ik was uitgenodigd voor een conferentie over grote wereldkwesties.

Nu is het laat op de avond. Het is rokerig op de bovenverdieping van het café waar ik nu achter mijn MacBook zit. Er staan houten meubels zoals in een Duitse kroeg, maar ook beelden van nepmarmer en er hangen draperieën als in een scène uit 1001 Nacht. Dat klopt allemaal, want de Turkse eigenaren serveren hier zowel bier als pizza's als waterpijpen. Iets moeilijker te plaatsen zijn de tv's aan het plafond - zonder geluid staat de kunstzender Arte op - en de Amerikaanse jazz die te horen is, zij het af en toe doorsneden door het geluid van een boor- of schuurmachine.

Dit is nu heel erg de wereld, denk ik, terwijl ik al deze ingrediënten voor mezelf op een rij zet. Er bestaat geen binnenland meer. En ook geen buitenland.

Op het scherm van mijn MacBook lees ik de State of the Union die de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt op 6 januari 1941 uitsprak in het Amerikaanse Congres. De rede die bekend zou worden als zijn 'Four Freedoms speech'. Hij refereert aan vier vrijheden: vrijheid van godsdienst, vrijheid van armoede, vrijheid van angst en - de eerste die Roosevelt noemde - vrijheid van meningsuiting en van expressie.

Het is een dramatische tekst. 'Ik spreek u toe', begint Roosevelt, 'op een moment zoals dat zich in de geschiedenis van de Unie nooit eerder heeft voorgedaan.'

Een dik jaar eerder is Duitsland Polen binnengevallen en hebben Groot-Brittannië en Frankrijk Duitsland de oorlog verklaard. In de lente heeft Hitler met zijn blitzkrieg West-Europa veroverd, ook Nederland. In de herfst hebben de nazi's Britse steden gebombardeerd. In de bezette landen worden anti-Joodse maatregelen ingevoerd, zoals de Ariërverklaring, en worden Joodse ambtenaren ontslagen.

Roosevelt heeft met lede ogen toegezien hoe Duitsland en Italië hun vijanden onder de voet lopen, ziet dit als gevaar voor de Verenigde Staten, is solidair met de Britten en wil ingrijpen, maar hij staat tegenover een Congres waarin het isolationisme van de afgelopen decennia nog met verve wordt verdedigd. Hij spreekt vanuit zijn tenen.

Roosevelt
'Elke realist', zegt Roosevelt, 'weet dat de democratische manier van leven op dit moment overal ter wereld wordt aangevallen, zij het met wapens, zij het met giftige propaganda, door diegenen die de eenheid willen vernietigen en conflict willen zaaien tussen vreedzame naties. Ik acht het als uw president nodig te melden dat de toekomst en veiligheid van ons land en onze democratie in overweldigende mate verbonden zijn met gebeurtenissen ver buiten onze grenzen.'

Formeel wil Roosevelt alleen de wapenleveranties aan de Britten uitbreiden, de eigen wapenproductie opvoeren en het leger in staat van paraatheid brengen. Het zal nog tot de Japanse aanval op Pearl Harbour, aan het eind van het jaar, duren voordat Amerika zich in de gevechten stort. Maar het Amerika onder Roosevelt is een land op weg naar oorlog. Met zijn rede maakt Roosevelt daarvoor de weg vrij. Hij maakt achteraf gezien óók de weg vrij naar de bevrijding van Europa, van Nederland, dik vier jaar later, de bevrijding die wij jaarlijks vieren.

In de Duitse pizzeria/biergarten/ waterpijptent waar ik dit zit te lezen, gebeurt iets vervelends. De tekst, en het besef van zijn betekenis, raken mij persoonlijk.

Daar ben ik eigenlijk tegen, persoonlijk geraakt worden. Sowieso. En al helemaal wanneer ik aan het werk ben. Laat staan publiekelijk.

Dat heeft een principiële reden. Het debat over bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting moet worden gevoerd op grond van feiten en argumenten. Het is onzuiver je betoog kracht bij te zetten met sentimentele anekdotiek uit de privésfeer.

Het is ook niet per se een lolletje als je een keer wél iets persoonlijks vertelt, want ineens kun je aan de hand van één gegeven worden gedefinieerd.

Anderhalf jaar geleden brak ik bij uitzondering de ban op persoonlijke informatie. Dat was in een essay over de vrijheid van meningsuiting. Ik bepleitte toen een wettelijke verruiming van deze vrijheid in Nederland, zodat bijvoorbeeld ook Holocaustontkenning niet langer strafbaar zou zijn. Omdat ik wilde laten weten dat het voor mij geen holle frase is wanneer ik zeg dat ik de pijnlijke kant van zo'n verruiming onderken, haalde ik een anekdote aan over mijn Joodse grootmoeder, die de oorlog overleefde.

Ogenblikkelijk heette ik op de website van NRC Handelsblad een Joodse journalist. Zoek mij op op Wikipedia, en je ziet hoe hopeloos verouderd de informatie is die daar staat, maar iemand heeft wél de moeite genomen om eraan toe te voegen dat ik 'van Joodse afkomst' ben. Andere erfenissen of identiteiten worden irrelevant. Zo werkt het ook met moslims, zwarten, homo's, gehandicapten - in feite met iedereen die in een of meerdere eigenschappen zogenaamd van de norm afwijkt. Zij wórden die eigenschappen.

Het beviel me om nog een reden slecht, die persoonlijke toets. Het kwam me op een standje te staan van een familielid. Ik had immers de code veronachtzaamd: je deelt niets dat privé is, want dan laat je je kennen. Als je je laat kennen, ben je kwetsbaar en kwetsbaar is hetzelfde als zwak; dan pakken ze je. Het werd zo niet uitgesproken, maar het was duidelijk: dat was nu juist wat die hele verdomde oorlog ons had geleerd.

Verdrag van München
Ik kan mij, Roosevelt lezend en herlezend, niet aan het idee onttrekken dat de foto die bij ons thuis aan de muur hing - gemaakt een paar dagen nadat mijn moeder als kind van vijf met haar familie de onderduik heeft verlaten in een nét bevrijd land - iets te maken heeft met deze tekst van een Amerikaanse president. En dat het feit dat ik vrolijk zit te internetten in dit Duitse etablissement (dat ik nu kortheidshalve maar even zo omschrijf) daar uiteindelijk ook wat mee te maken heeft.

Ik ben dus puur toevallig in München. Maar misschien bestaat toeval niet. Of misschien is het juist altijd en overal.

Hoe dan ook: Roosevelt noemt ook München in zijn toespraak. Hij breekt namelijk niet alleen met de Amerikaanse terughoudendheid, hij fulmineert ook tegen de mislukte Europese politiek van appeasement. Hij refereert aan Duitsland, dat zich aan het eind van de Eerste Wereldoorlog onrechtvaardig behandeld voelde. Dat valt volgens Roosevelt in het niet bij de onrechtvaardigheid van wat hij noemt 'de zogenaamde pacificatie onder de nieuwe tirannieke orde die zich vandaag de dag over elk continent wil verspreiden'.

Hij noemt de gebeurtenis die ook later het symbool zal blijven van de mislukte appeasementpolitiek: het Verdrag van München uit 1938. Frankijk en Engeland hebben er daar mee ingestemd dat Duitsland een deel van Tsjecho-Slowakije inlijft, in de verwachting dat Hitlers ambities niet veel verder zouden reiken. Een historische inschattingsfout.

Waar, vraag ik me al lezend af, zou dat verdrag eigenlijk precies zijn getekend? Google Maps leert mij: op minder dan een kwartiertje lopen van waar ik zit.

Führerbau
En dus sta ik de volgende ochtend voor het oude hoofdkwartier van Adolf Hitler en zijn NSDAP. De Führerbau, ontworpen door Hitlers favoriete architect, Paul Troost. In de pompeuze, wat classicistische stijl waarmee Hitler critici buiten zijn beweging ervan wilde overtuigen dat nazi's heus wel smaak hadden.

Het ligt aan de Königsplatz, een groot vlak plein. Hier hebben in 1933 de beruchte boekverbrandingen plaatsgevonden. Op een kleine glazen vitrine met slechts Duitse teksten na, kan ik niets vinden dat aan de nazitijd herinnert. München heeft lang met deze plek in zijn maag gezeten. Inmiddels - bijna zeventig jaar na dato - wordt een documentatiecentrum gebouwd dat meer recht moet doen aan de geschiedenis.

In de Führerbau is vandaag de dag een Hogeschool voor Muziek en Theater gevestigd. Op de deuren hangen grote borden met 'verboden voor onbevoegden', maar ik besluit dat ik bevoegd ben. Eenmaal binnen blijkt het gebouw vooral uit twee grote indrukwekkende hallen te bestaan. Ik ga op zoek naar Hitlers oude kantoor. Dat is nu een repetitieruimte. Zijn kroonluchter hangt er nog, de haard en de houten boekenkast zijn origineel. Er staat nu een vleugel in het kantoor. Openslaande deuren leiden naar het balkon met uitzicht op het plein, van waaraf hij parades heeft afgenomen.

Ook de kelders van het gebouw zijn in oude staat. Nog tijdens de oorlog, toen Hitler in Berlijn zetelde, kwam hij hier af en toe om de kunst te bewonderen die van Joden was geroofd en die hij er had laten opslaan. Ik dwaal een beetje rond door het pand en steek mijn hoofd om de hoek in de oude conferentieruimte. Dat is nu een concertzaal, waar een vrolijk orkestje uit de maat speelt.

De ruimte direct boven Hitlers kantoor is nog wel als zodanig in gebruik. Daar zetelt nu de rector. Het moet van Rudolph Hess zijn geweest, van Albert Bormann of een van de andere kopstukken. Een secretaresse verkoopt me voor 9,90 euro een boekje dat de rector zelf heeft geschreven over de geschiedenis van het gebouw. Als ze mijn ogen door de ruimte ziet gaan, wijst ze op het zitje van vier rode fauteuils en een schaaktafel dat de rector gebruikt om zijn gasten in te ontvangen: 'Nog origineel', zegt ze. 'Als je hier elke dag werkt, denk je er niet meer aan.'

Achteraf baal ik erg dat ik er niet even in ben gaan zitten.

'Wat Hitler met de Joden heeft gedaan, daar ben ik wel tevreden mee.' Dat zei een jongen uit Arnhem onlangs op tv. Hij kreeg bijval: 'Ik ook eigenlijk', zei een andere jongen.

De eerste jongen weer: 'Hitler zei ooit: de dag gaat komen dat jullie mij gelijk geven dat ik al die Joden heb vermoord. En die dag gaat komen.'

Jongen nummer twee: 'Die haat voor Joden is omdat ze bij Gaza het land van onschuldige mensen afpakken en heel veel mensen doodmaken.' Ook deze jongen vindt het terecht dat Hitler miljoenen Joden heeft afgemaakt, want hij meent: 'Nu worden ook miljoenen Palestijnen afgemaakt.'

Jongen nummer één, lachend nu: 'Wat mij betreft kon ie best wel alle Joden meteen afslachten.'

'Joden hoef je niet te kennen om iets over ze te zeggen.'

Een derde jongen mengt zich in het gesprek: 'Dat is toch vrijheid van meningsuiting?'

'Ja', zegt de eerste jongen dankbaar, 'het is vrijheid van meningsuiting.'

De jongens waren in gesprek met vrijwilliger Mehmet Sahin, die het dagboek van Anne Frank met ze besprak.

Gangbaar scheldwoord
Na de uitzending waren er flink wat geschokte reacties. Ik was niet zo geschokt. Ik weet al jaren niet anders dan dat 'Jood' een gangbaar scheldwoord is. Ik heb tot uit den treure aangehoord hoe Joden in 2001 stiekem het World Trade Center in New York hielpen opblazen. En al bijna tien jaar geleden zat ik in Hilversum in een snackbar tegenover een toen 19-jarige jongen, ook een Turkse Nederlander, die met vrienden het nummer Kankerjoden had opgenomen. 'Fuck die Joden', luidde de tekst, 'die kankerjoden, de allochtonen zullen jullie komen doden.'

Zijn uitleg kwam erop neer dat hij zich had uitgesloofd en slordig had geformuleerd.

Het Openbaar Ministerie had trouwens een onderzoek ingesteld en zei dat de politie op zoek was, maar deze jongen vertelde dat hij juist erg zijn best had gedaan om zichzelf aan te geven. Hij had zich daarom een paar dagen eerder op het politiebureau in Hilversum gemeld, maar hij was naar huis gestuurd en had nooit meer wat gehoord.

Gezag zonder macht
De uitlatingen van de Arnhemse jongens werden gedaan in een programma dat Onbevoegd Gezag heet. Het idee van dit programma is dat het formele gezag in een crisis zit, maar dat informele gezagsdragers in het gat springen - hier was dat die vrijwilliger, Mehmet Sahin.

En, oh ironie, na de uitzending kwam de crisis van het formele gezag goed in zicht.

Sahin werd sinds de uitzending door buurtgenoten bedreigd, omdat hij een verrader zou zijn of, nog erger, zelf een Jood. En wat gebeurde? Hij kreeg het advies van de burgemeester om een paar dagen zijn huis te verlaten. Het gezag zwichtte dus voor intimidatie en raadde het slachtoffer aan hetzelfde te doen. Na zijn thuiskomst was er geen duidelijk zichtbare bescherming. Ook de burgemeester liet zich aanvankelijk in de wijk niet zien, later sprak ze met de jongens en hun ouders 'in alle rust'. En de gemeente zou in het verborgene ook 'regelmatig contact hebben' met Mehmet Sahin.

De burgemeester had juist direct duidelijk zichtbaar de buurt moeten bezoeken. En de nodige beveiliging had met verpletterende overmacht aanwezig moeten zijn. Met de onmiskenbare boodschap: in dit land staat de overheid te allen tijde vierkant achter diegenen die worden geïntimideerd om hun ideeën. Helaas heeft Nederland de laatste tien, twaalf jaar op dit gebied een treurig trackrecord opgebouwd. De bescherming komt steevast te laat en halfhartig, de bedreigde wordt al te vaak verantwoordelijk gehouden voor de dreigementen.

De staat reageerde in Arnhem niet één maar twee keer verkeerd. Zo stelde het Openbaar Ministerie een onderzoek in - hopelijk kan het inmiddels wat beter zoeken dan toen in Hilversum.

Een belangenclub als het CIDI mag bij het idee van een mogelijke vervolging staan te juichen, als één ding de machteloosheid van het gezag kan illustreren is het wel de vervolging van jongeren, alleen maar omdat zij deze mening hebben geuit. En niet alleen de machteloosheid van het gezag, maar ook het onvermogen van een samenleving om te weerspreken, te onderwijzen en op te voeden.

Wanneer vrijheid voor iets afgrijselijks wordt gebruikt, is de verleiding sterk om de ruimte daarvoor te verkleinen. Maar iets anders is nodig. De ruimte moeten wij groot houden en benutten: de strijd speelt zich binnen die ruimte af. Voor die strijd zouden we aandacht moeten hebben en dan valt op hoe zwak het verweer is.

Zie de reacties op die Arnhemse jongens. Volgens de plaatselijke PvdA-fractievoorzitter hadden we te maken met 'vooroordelen over verschillende groepen mensen'. Ja, nee, je zult Jodenhaat gewoon eens Jodenhaat noemen. Een PvdA-statenlid wist te melden dat de jongeren 'heel erg zijn beïnvloed door Midden-Oostenpolitiek', overigens zonder te weerspreken dat miljoenen Palestijnen zijn vermoord. Zij wilde Anne Frank nu in Turkse vertaling gaan aanbieden aan de ouders. En die jongeren, die moesten op reis naar Auschwitz!

Er is verontwaardiging, natuurlijk. Maar die is vaak zo plat als een dubbeltje. Dat is heus niet allemaal bekommernis om Joden of zorg om racisme. Daar zit een hoop opportunisme bij. Het is met Joden namelijk net als met vrouwen en homo's. Ze komen allemaal soms nu eenmaal perfect van pas om de immigrant of moslim een lekkere draai mee om de oren te geven.

Alle noodverbanden zouden minder nodig zijn in een maatschappij met historisch bewustzijn en zelfvertrouwen. Om even bij het voorbeeld van antisemitisme te blijven: het is al decennia officieel beleid om de Holocaust in oorlogsherdenkingen weg te moffelen. Sommige docenten laten zo over zich lopen dat ze de Jodenvervolging overslaan in de klas. Het is in de geschiedschrijving modieus om te doen of goed en fout in '40-'45 niet hebben bestaan.

Tegelijkertijd is sprake van een internationale, onophoudelijke stroom antisemitische propaganda. Geen wonder dat onze gezagsdragers daar niet tegen zijn opgewassen en nu dus radeloos uit elkaar stuiven, na de uitspraken van een paar pubers.

En toch moet de ruimte, de uitingsvrijheid alleen maar groter. Het is hoopvol dat een Kamermeerderheid eindelijk het verbod op smalende godslastering heeft geschrapt, een wetsartikel dat gelukkig al decennia lang niet meer wordt gebruikt, maar waar we ons voor zouden moeten schamen. Terecht nagelen wij Pakistan aan de schandpaal, waar blasfemie je de kop kan kosten, maar we zijn het aan onze stand verplicht om te demonstreren dat het hele principe van godsdienstdwang niet past.

Ook het verbod op groepsbelediging zou moeten verdwijnen. Belediging kan onprettig zijn, maar is geheel subjectief. Op onprettige subjectieve dingen horen we elkaar aan te spreken, die horen geen reden te zijn elkaar voor de rechter te slepen. En als internationale verdragen dat toelieten, zouden ook de strafbaarstelling van het ongrijpbare aanzetten tot haat en het loze aanzetten tot discriminatie kunnen worden opgeheven. Zodat alleen een verbod op het aanzetten tot geweld overblijft.

Meer ruimte
De ruimte moet groter. Al was het maar opdat wij onszelf dan niet meer kunnen afleiden met de veel te vaak gevoerde discussie over de vraag of iemand iets wel of niet mag zeggen. En wij ons eindelijk kunnen concentreren op de discussie die te zelden wordt gevoerd: wát wordt er eigenlijk gezegd? Slaat dat ergens op of niet en waarom dan? Leren wij onze kinderen eigenlijk wel goed hoe zij tot een mening moeten komen voor ze die uiten?

Die grote ruimte is geen vanzelfsprekenheid.

De Arnhemse zaak laat precies zien welke twee soorten dwang altijd dreigen op te rukken ten koste van individuele vrijheid: staatsdwang en groepsdwang. De staatsdwang in een mogelijke vervolging - want vergis u niet, ook vervolging is al een inbreuk, niet slechts een veroordeling - en de groepsdwang in de dreigementen tegen Mehmet Sahin.

Groepsdwang die inmiddels ver over landsgrenzen gaat en de wereld omspant. U kunt hier geen Mohammedcartoon publiceren zonder het risico dat iemand uit pakweg Somalië deze kant op vliegt om u een kopje kleiner te maken.

Dat de vrijheid van meningsuiting ook in Nederland in 2013 steeds wordt bedreigd en moet worden bevochten, is helaas niet slechts een hol cliché. Onlangs vernietigde het gerechtshof gelukkig het vonnis van de rechtbank waarmee de pedofielenvereniging Martijn was verboden. Over dat verbod bestaan veel misverstanden. Zo denken sommigen dat de vereniging werd verboden omdat zij iets strafbaars deed. Dat is niet zo.

Het Openbaar Ministerie heeft, aangemoedigd door politici, lang geprobeerd Martijn strafrechtelijk te vervolgen, maar vond niet genoeg aanwijzingen dat Martijn de wet overtrad om zelfs maar aan die vervolging te beginnen. Wel zijn in het verleden individuele leden van Martijn vervolgd en veroordeeld.

Nee, wat het OM toen heeft gedaan, onder die politieke druk, is een civiele procedure aanspannen tegen Martijn. De rechtbank heeft daarop vastgesteld dat de vereniging 'seksueel contact met kinderen verheerlijkt en voorstelt als iets wat normaal en acceptabel is of zou moeten zijn'. De rechtbank gaf als grond voor het verbod dat alleen al dit streven een te ernstige inbreuk vormt op de geldende fundamentele waarden binnen onze samenleving. Kijk, en daar ging het mis. Ja, Martijn is een club met enge ideeën. Maar het zijn, hoe gruwelijk ook, precies dat: ideeën. En geen daden. Een vereniging als Martijn zou daarom niet verboden moeten zijn. Bij het recht op vrije expressie hoort uitdrukkelijk ook het recht op vereniging.

Het hof heeft nu terecht geoordeeld dat de samenleving zich zonder verbod prima teweer kan stellen tegen de uitlatingen van Martijn. Maar de vreugde is van korte duur, want een aantal partijen in de Tweede Kamer wil onder aanvoering van het CDA de wet gaan veranderen om Martijn langs een omweg toch te kunnen verbieden.

Ik wil niet in een land leven waar organisaties worden verboden omdat hun denkbeelden tegen geldende waarden ingaan. Wie bepaalt die waarden? Wat valt er straks nog meer buiten? Het is moeilijk om je te identificeren met pedo's maar als hun grondrechten worden aangetast, worden onze grondrechten aangetast. Dan zitten we, of we willen of niet, met ze in hetzelfde schuitje.

Vrijheid van meningsuiting is makkelijk te bieden voor opvattingen die iedereen toejuicht of waar men massaal de schouders over ophaalt. Haar waarde bewijst zij pas als ideeën afschrikwekkend zijn en impopulair. Je hoort op te komen voor het recht om die ideeën te uiten. Dat betekent beslist niet dat je je met die ideeën vereenzelvigt. Dat onderscheid, hoe evident ook, wordt nog steeds onvoldoende gemaakt.

Sharia
Vorig jaar sprak tot mijn schrik een meerderheid van de Tweede Kamer de wens uit om de Britse shariageleerde Haitham al-Haddad te weren uit Nederland. Hij zou hier spreken bij een groep islamitische studenten aan de VU. Daar heb ik me toen publiekelijk tegen verzet. Ik mocht onder meer bij Pauw & Witteman in debat met het ChristenUnie-Kamerlid Joël Voordewind. Die hield mij daarbij nog voor dat Al-Haddad anti-Joodse teksten had gebezigd en dat Voordewind Nederlandse Joden daartegen wilde beschermen, want die konden zichzelf niet verdedigen.

Dat was even iets meer ironie dan ik kon verstouwen op dat moment.

De dagen erna mocht ik ondervinden wat politici en sommige andere bekendere figuren altijd ondervinden: een stortvloed aan haat die vooral via Twitter over me werd uitgestort. Ook dat moet mogen, overigens, maar prettig is het niet. Wat vooral opviel, was dat ik het verwijt kreeg steniging van vrouwen wel best te vinden, of terrorisme.

Grondrechten
Hopelijk ten overvloede: dat is niet zo. Ik denk dat ik een van de weinigen was die Al-Haddad al vóór die affaire kende. Ik had hem jaren daarvoor zien spreken en had kritisch over zijn extremistische en verwerpelijke uitlatingen geschreven.

Maar hij moet het wel kunnen zeggen. De verdediging van grondrechten als grondrechten, de notie dat die gelden voor iedereen, daarin schieten we tekort. Vrijheid van meningsuiting is te vaak de vrijheid om meningen te uiten die ons niet te veel in de weg zitten.

De regering zwichtte niet voor de druk van de Kamer. Al-Haddad mocht komen.

Maar de tendensen in politiek en samenleving om waar mogelijk hoekjes en randjes van onze vrijheid af te knagen blijven.

Daar waakzaam op zijn, de vrijheid vergroten, dat is niet alleen nodig voor onszelf. Onlangs stond op de cover van Vonk een verhaal door Maartje Duin over Vietnamese bloggers die zich inzetten voor vrijheid en democratie maar die in hun land door het regime keihard worden vervolgd en onderdrukt. Het is dankzij onze vrijheid dat wij hun een platform kunnen bieden, en dat is een voorrecht, maar het betekent meer voor hen. Maartje Duin beschrijft hoe blij de bloggers zijn met haar komst en niet alleen omdat zij een artikel maakt. De een omhelst haar bij het afscheid, de ander wil een foto van de 'gedenkwaardige ontmoeting'. Ze is er voor die mensen, schrijft ze, als afgezant van een wereld die raakt aan hun ideaal.

Wij zouden onze vrijheid niet alleen uit eigenbelang moeten koesteren maar ook voor diegenen die haar nog tegen een hoge persoonlijke prijs moeten bevechten.

Er bestaat geen binnenland meer. En geen buitenland. Dat is volgens mij ook in de geest van Roosevelt, die zegt: 'Vrijheid betekent dat mensenrechten overal heersen. Onze steun gaat naar diegenen die worstelen om die rechten te krijgen of te houden.'

De rector van de Hogeschool voor Theater en Muziek in München heet Alexander Krause. In zijn boekje Arcisstrasse 12 beschrijft hij de geschiedenis van de Führerbau en van zijn hogeschool, die er in 1957 werd gevestigd. Het boekje begint met een ander gebouw, een villa, die eerder op dezelfde plek stond. De villa van de familie Pringsheim. Heer des huizes was de Jood Albert Pringsheim. Een wiskundige en een musicus die het fortuin had geërfd dat zijn vader in de spoorwegen had gemaakt. Vanaf zo'n beetje 1900 werd de villa een centrum van kunst en cultuur voor de stad. Pringsheim verzamelde kunst en in de eetkamer, bibliotheek en danszaal vonden optredens plaats en lezingen. Richard Strauss kwam er. Gustav Mahler. En Thomas Mann, die trouwde met Alberts dochter Katia.

Toen de crisis toesloeg, werd dat allemaal minder. Pringsheim verarmde. Uiteindelijk werd het huis door de nazi's onteigend en gesloopt en vluchtte de familie naar Zwitserland.

Triomf
Met de huidige bestemming is het adres aan de Arcisstrasse 12 niet voor het eerst, maar opnieuw een belangrijk cultureel centrum, schrijft Krause. 'De agressie die van de Füherbau uitging, wordt vervangen door vredestichtend muziekonderwijs aan studenten uit de hele wereld, een ideale oplossing voor het gebruik van zo'n belast gebouw.' Een ideale oplossing bestaat volgens mij eerlijk gezegd niet, maar ik snap wel wat hij bedoelt.

Het uit de maat spelende orkestje in Hitlers oude conferentiezaal, dat is de triomf op de vergaderingen die daar zijn gehouden met als enige oogmerk het onderwerpen en knevelen van anderen.

De pamfletjes die vereniging Martijn op zijn site zet, zijn walgelijk, niet te vergelijken met de literatuur die op het Koningsplatz in vlammen opging - Brecht, Heine, Hemingway - maar die pamfletjes vandaag zijn niettemin een triomf op die boekverbranding toen.

De shariaprediker Al-Haddad hoopt zelf op de vestiging van een kalifaat waar kunstenaars vermoord kunnen worden om zogenaamd blasfemisch werk. Maar zijn vrije doorgang naar Nederland is een triomf op die kelders van de Führerbau waar de geroofde kunst werd opgesloten.

En de angst afschudden voor kwetsbaarheid, open zijn over iets persoonlijks, dat is een triomf op de onderduik.

Zelfs dat de Arnhemse jongens hun Jodenhaat kunnen etaleren op tv, kunnen zeggen dat mijn familie en die weinige anderen die zo gelukkig waren de oorlog te overleven, ook hadden moeten worden vermoord, zelfs dat is een triomf. Ze hebben gelijk als ze zeggen: dat is vrijheid van meningsuiting. En een samenleving die niets anders tegenover hun mening kan zetten dan een onderzoek door het OM, heeft een probleem dat vele malen groter is dan deze jongens. Die mist elke vorm van morele moed.

Wie haat en scheldt en discrimineert en weerzinwekkende wensen uit, moet worden gecorrigeerd. Het mooie, het zachte van de vrijheid moet gevierd en op een voetstuk geplaatst. De mogelijkheid te zijn wie je bent, te zeggen wat je vindt, je te uiten zoals je goeddunkt, lief te hebben wie je wilt. Maar scherpe uitingen zijn nodig om ons verder te helpen. Het onwelgevallige moet niet geweerd uit de vrije ruimte. En die ruimte moet niet ingeperkt. De ruimte moet groot zijn en bijna alles mag erin. Het is wel aan ons de strijd om die ruimte aan te gaan en te bepalen waarmee we die gaan opvullen.


Tussenstuk:
Lezing
Vrijheidscolleges 'vrijheid spreek je af'


Dit artikel is een bewerkte versie van de lezing 'Freedom of speech' van Kustaw Bessems op 4 april in Utrecht. Deze lezing is er een uit een reeks 'Vrijheidscolleges', georganiseerd door FORUM, Instituut voor Multiculturele Vraagstukken, Bevrijdingsfestival Utrecht en Vrede van Utrecht. Zondag 5 mei opent premier Mark Rutte in Utrecht het slotdebat, waaraan Abdelkader Benali, Hans Achterhuis, Barbara Oomen en Kustaw Bessems deelnemen. Meer informatie: forum.nl/vrijheidscolleges


Red.;   Voornamelijk PC.

 
Naar Cultuur, gelijkheid , Albanese cultuur , Sociologie lijst , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]