De Volkskrant, 08-06-2005, column van Anet Bleich

De culturele contrarevolutie

Het volk heeft vorige week gesproken. Het heeft met een overtuigende meerderheid -nee' gezegd tegen de Europese Grondwet. De ja-stemmers waren maar in twee maatschappelijke groepen oververtegenwoordigd: hoogopgeleide en welgestelde burgers en Nederlandse kiezers van buitenlandse komaf. Een overweldigend deel van wat in klassiek sociologische termen de arbeidersklasse en de lagere middengroepen heet, stemde tegen.
    Deze nieuwe politieke verdeling toont op het eerste gezicht het gelijk aan van degenen die betogen dat de globalisering ook binnenslands tot een andere sociale stratificatie leidt. Die verschuiving is het eenvoudigst in politieke termen te beschrijven; de oude tegenstelling tussen links en rechts maakt in toenemende mate plaats voor een tussen volk en elite, tussen het systeem en de massa. Het is een proces dat al enige tijd gaande is en bijvoorbeeld tot gevolg heeft dat de oude wet dat de meeste kiezers in het politieke midden zijn te winnen niet langer opgaat.
    Integendeel, zowel in Frankrijk als in Nederland is de tendens dat de partijen van centrum-links en centrum-rechts aanhang verliezen aan de extremen ter linker en rechterzijde. In Nederland Fortuyn en de SP, in Frankrijk Le Pen en diverse linkse splintergroepen. Die buitenbeentjes hebben met elkaar gemeen dat ze zich sterk nationaal opstellen en zich afzetten tegen de globalisering (links), de migranten (rechts) en de onbetrouwbare en gesloten politieke kaste (allebei).
    Het gevoel leeft dat de scheidslijn tegenwoordig loopt tussen een elite die de politiek beheerst, profiteert van de vrijhandel en zich beter thuis voelt in New Orleans of Peking dan in Purmerend, en een aan z'n lot overgelaten, van reŽle invloed op z'n eigen bestaan verstoken volk. 'Het gaat veel te snel', 'ze doen maar', enzovoorts. Zulke gevoelens van onbehagen openen uiteraard de deur wagenwijd voor populisten, wier raison d'Ítre het is om reŽle of veronderstelde kloven tussen volk en elite, volk en politiek systeem te exploiteren. En het succesvolle optreden van populisten versterkt op zijn beurt weer het idee dat deze kloof essentieel is en door de handjeklap spelende politieke elite verborgen wordt gehouden. Dat in werkelijkheid het politieke systeem in Nederland uitzonderlijk open is - de aanhang voor Fortuyn werd onmiddellijk vertaald in een evenredig aantal parlementszetels, de uitslag van een raadgevend referendum wordt door parlement en regering zonder aarzelen overgenomen - vermag het diepe wantrouwen niet weg te nemen.
    Een stuk of vier ontwikkelingen vooral fungeren als aanjagers van de diepe onzekerheid. Ten eerste de razendsnelle technologische vooruitgang - als je eindelijk weet hoe je met een videorecorder moet omgaan, moet je alweer op dvd omschakelen. Ten tweede de angst voor terrorisme (11 september, de moorden op Fortuyn en Van Gogh). Ten derde het gevoel dat de eigen identiteit, de zeggenschap over eigen levensstijl van binnenuit wordt aangetast door een getalsmatig forse immigratie. En tenslotte de gestaag voortgaande afslanking van de verzorgingsstaat waarvan het einde nog lang niet in zicht lijkt.
    Het zijn niet name de factoren twee en drie, angst voor terroristen, moslims en migranten, die een enorme invloed hebben gehad op het politieke discours hier te lande. De tegenstellingen worden niet meer, zoals de gehele 20ste eeuw, primair in sociaaleconomische termen gedefinieerd: arbeid tegenover kapitaal, kansarmen tegenover veelverdieners, enz. Hiervoor in de plaats komt het paradigma van het primaat van de culturele tegenstelling: seculieren (of christenen) versus moslims, Nederland in contrast met Europa, autochtonen tegenover allochtonen. Dit cultuur-politieke model opent de weg voor een nieuw type coalitie, zoals we in het Fortuynjaar hebben zien ontstaan: delen van de economische elite verbinden zich met bewoners van volkswijken in een afweerstrijd tegen culturele bedreigingen: een Europa dat zich overal mee bemoeit, overlast gevende Marokkaanse hangjongeren, kosmopolitische intellectuelen en politici die zich aan het eigen volk niets gelegen laten liggen.
   Opvallend is dat in dit cultureel-nationale discours de zorgen onder de bevolking over het afnemende niveau van sociale zekerheid een ondergeschikte rol spelen. Dat geldt natuurlijk nog sterker voor het bij de elite dominante denken in termen van voortgaande liberalisering en marktwerking. Alleen bij de linkse populisten, die een nationale (anti-Atlantische en ook tamelijk anti-Europese) oriŽntatie koppelen aan een radicaal sociaal program, ligt dat duidelijk anders. En dat terwijl de cijfers er niet om liegen.
    Zoals Yvonne Zonderop zaterdag in het Betoog schreef zijn de uitgaven voor sociale zekerheid in tien jaar met 10 procent van het nationale inkomen gedaald en liggen nu weer op het niveau van 1966. Wil klassiek, democratisch, internationaal georiŽnteerd links ook maar enige kans maken het politieke initiatief weer naar zich toe te trekken, dan zal het de strijd voor sociale bescherming een centrale plek moeten geven.


IRP:   Uit dit stuk spreekt weer in hoge mate de obsessie van Bleich met de allochtone problematiek of, zoals het wat neutraler klinkt: de migratenpolitiek. Haar uitgangspunt is dat dat deel van de autochtone bevolking dat bezwaren heet tegen de aanwezigheid van allochtone, dat uit vreemdelingenhaat doet, of anderszinse puur culturele termen. Dit is totaal onbewezen en hoogstwaarschijnlijk onjuiste aanname. De bezwaren tegen allochtonen zijn slechts zeer geleidelijk gerezen, en wel meer naarmate er sprake was van negatieve ervaringen. Als eerste was dat het niet communiceren met de nieuwe buren, toen hun onvermogen met normale sociale verzieningen als vuilnis en afval om te gaan (normaal- en grofvuilophaal zijn hypermoderne uitvindingen in de ogen van AnatoliŽrs en berbers). Vervolgens kwamen straatmisdaad, agressief gedrag in openbaar vervoer, en het laatste decennium, waarschijnlijk omdat een numerieke grens werd overschreden, groepsgedrag in de vorm van hangjongeren, buurtterreur, jeugdbendes, en hoofddoeken, witte petjes, djellaba's en boerka's. En politieke moord.
    Al deze objectieve bezwaren worden door Bleich met een enkele pennenstreek als cultuurvijandigheid opzij geschoven. Als eerste bevestigt dat wat als tweede uit bovenstaande stuk val op te maken: een minachting voor de lagere sociale klassen. Die minachting blijkt uit de toonzetting, die start met de mogelijk onschuldig klinkende openingszin: 'Het volk heeft vorige week gesproken.' Als voorstander van de Europese Grondwet stelt Bleich zich daarmee aan de andere kant van het volk. Een volgende onthullende  passage is ' 'Het gaat veel te snel', 'ze doen maar', enzovoorts. Zulke gevoelens van onbehagen openen uiteraard de deur wagenwijd voor populisten, wier raison d'Ítre het is om reŽle of veronderstelde kloven tussen volk en elite, volk en politiek systeem te exploiteren. En het succesvolle optreden van populisten ... ', waarin bezwaren tegen de gang van zaken afgedaan worden als onbestemde gevoelens, en de uitdragers van die bezwaren als populisten. Weer wat verder: 'Een stuk of vier ontwikkelingen vooral fungeren als aanjagers van de diepe onzekerheid. Ten eerste de razendsnelle technologische vooruitgang - als je eindelijk weet hoe je met een videorecorder moet omgaan, moet je alweer op dvd omschakelen.'
    Waar het om gaat is dat uit deze passages niet alleen een waarneming omtrent een verschil in capaciteiten spreekt, want dat is natuurlijk voor een deel waar. Wat essentieel is dat uit deze stuk een minachting en wantrouwen ten opzichte van motieven spreekt. Minachting, omdat het oordeel van het volk, de bezwaren tegen opgelegde zaken als sociale ontwrichting door migranten en economische liberalisatie op niet-inhoudelijk gronden ondergeschikt worden gemaakt aan de particuliere mening van mevrouw Bleich. En wantrouwen omdat er zonder meer vanuit wordt gegaan dat die bezwaren zijn gebaseerd op egoÔstische materiŽle motieven.
    Dat laatste is trouwens ongetwijfeld waar voor een deel van de bezwaarden, de nee-stemmers onder de lagere- en middenklassen. Maar wat Bleich vergeet is dat dat een ongeldig en hypocriet argument is, omdat hetzelfde even ongetwijfeld ook waar is voor de voorstemmers, mogelijkerwijs inclusief mevrouw Bleich zelf (mogelijkerwijs staat hier uit voorzichtigheid; Bleich's obsessie met de houding ten opzichte van migranten wordt waarschijnlijk veroorzaakt door haar joodse afkomst, en is dus een vorm van egoÔstische solidariteit).
     Er zijn zelfs veel argumenten om te veronderstellen dat bij de hogere klassen de egoÔstische materiele motieven sterker zijn dan bij de lagere klassen. Men kan daar langdurig over discussiŽren en argumenten voor zoeken, maar er ook een simpele aanpak: gewoon kijken naar het resultaat: wie heeft het meeste materiŽle gewin voor zichzelf verzameld? De vraag stellen is hem beantwoorden, en de onweerlegbare conclusie is dus dat bij de hogere klassen het materiŽle egoÔsme zeer veel sterker is dan bij de lagere klassen.


Terug naar Rijnlandmodel vs Anglicisme, toekomst, links , HiŽrarchie algemeen , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]