De Volkskrant, 26-04-2010, boekrecensie door Arnon Grunberg apr.2010

Geloof, hoop en liefde

Mens zijn betekent erkennen dat het vertrouwen in de wereld onherstelbaar gebroken is. Ontkenning van die breuk zou ondraaglijk hypocriet zijn.

Tussentitel: Wat blijft er van de hoop over als onze God niet bestaat?

Publiekelijk het geloof in God afzweren, is toegestaan, althans in West-Europa. Sommige mensen vinden dat zelfs vooruitgang. Niet meer in de liefde geloven is echter blasfemie.
Overigens is niet geheel duidelijk wat we bedoelen met dat al dan niet geloven in liefde. Zoals zich vreemde denkbeelden en curieuze definities schuilhouden achter het vermaledijde woord ‘vrijheid’, zo is ook het woord ‘liefde’ een vergaarbak geworden voor de meest uiteenlopende menselijke behoeftes, waarvan sommige wettelijk verboden zijn.

Wat je verder ook gelooft of denkt, van de liefde houden we allemaal. Zij is een van onze overgebleven gemeenschappelijke idealen.

Toegegeven, de Amerikaanse essayiste Laura Kipnis publiceerde in 2003 het boek Tegen de liefde. Maar zij is een uitzondering, en hoewel haar boek goede kritieken kreeg, werd het geen bestseller.

Vermoedelijk is dat alleen al aan de titel te wijten. Wie wil een boek dat Tegen de liefde heet bij een jarige op de cadeautafel leggen of als verrassing voor zijn geliefde meenemen?

Liefde is onze God, voor seculieren én gelovigen, elke andere conclusie doet geen recht aan de stand van zaken.

Wie de liefde eer bewijst, geeft daarmee aan voor het goede te strijden. Liefde is in die interpretatie volledig losgekoppeld van de passie die lust heet, de meeste gelovigen zien lust zelfs als iets wat de pure liefde verontreinigt. Maar ook in de seculiere interpretatie van liefde zijn lust en liefde gescheiden, het is ‘met hart en ziel’ liefhebben, niet ‘met hart en geslachtsdeel’.

Diep in onze cultuur, en niet alleen in de onze, is de gedachte verankerd dat het lichaam iets is wat overwonnen moet worden. De mens is meer dan zijn lichaam. Wij zijn geen dieren, maar dieren die kunnen denken en daarmee worden wij geacht boven ons lichaam uit te stijgen. Wij onderhouden het, eerder als een gekooid roofdier dan als een geliefd huisdier, maar daar houdt het op.

Het taboe op de vermenging van de verheven liefde, dus de niet-lichamelijke liefde, zeg de theoretische liefde, de geaccepteerde liefde, en de erotische liefde, de onreine liefde, bestaat nog steeds. Gerard Reves beroemde fantasie over God en de ezel is ook in deze tijden aanstootgevend. Wij hebben Reves fantasie een plaats in onze cultuur kunnen geven dankzij het wonder van de ironie – het woord ‘wonder’ gebruik ik hier ironisch – waardoor wij eveneens veel andere groteske zaken, bijvoorbeeld de heer Wilders, als Nederlandse folklore zijn gaan opvatten.

Pas als wij de erotische component hebben losgekoppeld kunnen wij de liefde zonder restricties bezingen en er naar hartelust in geloven. Dan maakt het ons ook nauwelijks meer uit of de liefde zich richt op God, mensen, schone energie of een postzegelverzameling.

Wanneer wij spreken over liefde doen wij vervolgens alsof we het hebben over onbaatzuchtige liefde. Nooit denken wij bij liefde aan onze eigen, per definitie egoïstische verlangens en behoeftes. Zoals wij bij God ook nooit denken aan een schepper die het slecht met ons voor heeft, terwijl de bewijzen zich blijven opstapelen voor die theorie. Zelfs die religies die gebaseerd zijn op het concept van God als straffer twijfelen er niet aan dat als je maar goed leeft Hem zult behagen om aan de straf te ontkomen; een rechtvaardige God.

Stel, bij wijze van gedachte-experiment, dat een kwaadaardige God, een beul, dit universum als zijn speelruimte heeft ontworpen, voor zijn plezier, dan zou ik zonder meer bereid zijn Hem te dienen. In de hoop uiteraard om een wit voetje bij Hem te halen.

Als ik voor een denkbeeldige rechtbank zou komen te staan, zou ik mij verdedigen door te zeggen dat onweerlegbare bewijzen mij hebben overtuigd van zowel het bestaan als de slechtheid van het Opperwezen, en dat ik geen andere keus had dan iets van die slechtheid te incorporeren, om hem te dienen. Maar ook omdat de neiging om voort te willen leven onder de best mogelijke omstandigheden, dat wil zeggen met zo min mogelijk pijn, mens en dier verenigt.

In het lichaam mag je niet geloven, ook het geloof in geld is niet toegestaan. Geld is vies. Ook in verband met liefde; denk aan betaalde liefde, dat kan geen liefde zijn.

Geloof genereert hypocrisie. Ik zeg dit zonder waardeoordeel, hypocrisie is in sommige gevallen nuttig. Zonder een bepaalde mate van hypocrisie kan een maatschappij niet functioneren. Een samenleving waar mensen noodgedwongen elkaar voortdurend de waarheid zouden zeggen, dus zichzelf geen censuur opleggen bij het uitspreken van hun gedachten, zou een samenleving zijn waar het sociale contract niet lang standhoudt.

Maar een teveel aan hypocrisie frustreert het onderzoek naar wat waar is en onwaar. Al zullen sommige mensen zeggen dat je beter onwetend gelukkig kunt zijn dan vervuld van waarheidsliefde je tanden stuk bijten op hypocrisie.

Voordrachten, preken, films, liedjes, musicals en andere uitingen van populaire cultuur: ze schotelen ons een mythe voor, de mythe van de pure liefde, de onbaatzuchtigheid. Ze bieden ons een gemeenschappelijk ideaal. De kern van dat ideaal is, hoe paradoxaal ook – veel populaire cultuur lijkt het lichaam ongegeneerd te vieren – de ontkenning van het lichaam. Die ontkenning is niet alleen een ontkenning van de behoeftes van het lichaam, maar ook een ontkenning van de absolute kwetsbaarheid ervan.

In de roman Wachten op de barbaren van Coetzee staat een raadselachtige zin. Hoofdpersoon van die roman is een magistraat in een vestingstad die zich niet wil of kan aanpassen aan de nieuwe wind die door het rijk waait dat hij al die jaren heeft gediend. Hij raakt in ongenade, verliest alles en wordt zelfs gefolterd. Over zijn folteraars zegt de magistraat: ‘Ze kwamen naar mijn cel om me te leren wat het betekent om mens te zijn en ze hebben me in een uur tijd heel wat geleerd.’

Als dit ironie is, dan beslist niet de vorm van ironie die het omgekeerde bedoelt van wat er staat.

Wat weet de magistraat na zijn folteringen wat hij voor die tijd niet wist?

Jean Améry, die door de nazi’s in Breendonk, in België, gemarteld is, schrijft in zijn boek Schuld en boete voorbij iets anders: ‘Wie ooit gefolterd is, voelt zich nooit meer thuis in deze wereld. De smaad van de vernietiging laat zich nooit meer uitwissen. Het vertrouwen in de wereld, dat al deels bij de eerste klap en later tijdens de foltering in zijn volle omvang wordt gebroken, komt nooit meer terug.’

Als ik deze twee uitspraken met elkaar in verband breng, hoewel de ene uit een roman komt en de andere uit een persoonlijk essay – maar als bekend, ook romans zoeken de waarheid, althans sommige –, dan lijkt het alsof de magistraat wil zeggen dat mens zijn betekent het vertrouwen in de wereld te hebben verloren.

De liefde wordt in dat geval onmogelijk, want liefde vereist vertrouwen.

Dan rest de vraag: wat blijft er van de hoop over als onze god, de liefde, niet bestaat?

Voor een antwoord daarop citeer ik de Poolse schrijver Tadeusz Borowski, die in zijn verhalencyclus Bij ons in Auschwitz... schrijft:
‘Nog nooit in de geschiedenis van de mens is de hoop sterker geweest dan de mens, maar nog nooit ook heeft deze hoop zoveel kwaad aangericht als in deze oorlog, in dit kamp. Wij hebben niet geleerd de hoop op te geven en daarom sterven wij in het gas.’

De Duitse filosoof en theoloog Ernst Bloch schreef na de oorlog dat wij moeten leren hopen, hij stelt de hoop tegenover de angst.

Samen met Borowski denk ik echter dat wij die hoop juist moeten afleren.

De afwezigheid van hoop betekent echter niet wanhopen.

Geen hoop, of een absoluut minimum aan hoop, kan een ideaal zijn, zij het een negatief ideaal.

Een ideaal dat erkent dat de hoop dat het lichaam iets is waaraan men kan ontkomen hoogmoedige en misschien wel gevaarlijke hoop is.

Mens zijn betekent erkennen dat het vertrouwen in de wereld onherstelbaar gebroken is.

Ontkenning van die breuk zou ondraaglijk hypocriet zijn.

Onze god, de liefde, is dood, maar ik zou nu ook de hoop dood willen verklaren, opdat wij geen folteraars meer nodig hebben om te weten wat het is om mens te zijn.

 

Dit is de bekorte versie van de lezing over hoop, zaterdag 24 april uitgesproken in de Remonstrantse kerk in Den Haag.


Arnon Grunberg is schrijver


IRP: 'onze cultuur' is zijn cultuur: de joodse. Onze cultuur heeft wel eerbied voor het lichaam


Naar Cultuur, gelijkheid , Albanese cultuur , Sociologie lijst , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]