De Volkskrant, 16-01-2010, door Jaco Dagevos en Mérove Gijsberts, van het Sociaal en Cutlreel Planureau. Zij voerden de redactie van het onlangs verschenen Jaarrapport Integratie 2009. .2009

Integratie geschetst in tien trends

Tien trends in integratie laten een zo gevarieerd beeld zien dat onmogelijk is te zeggen of de integratie nu geslaagd is of mislukt. Er is vooruitgang, bijvoorbeeld in de daling van het aantal importbruiden en -bruidegommen, maar ook hardnekkige achterstand, gezien bijvoorbeeld de nog altijd hoge criminaliteit onder niet-westerse groepen, aldus SCP-medewerkers Jaco Dagevos en Mérove Gijsberts.

Tussentitels: Contacten van migranten met autochtonen zijn niet toegenomen
                   Aantal kinderen van Turkse en Marokkaanse vrouwen scherp gedaald

De afgelopen jaren hebben velen hun zorg uitgesproken over de integratie van niet-westerse groepen in dit land. Die zou mislukt zijn, is in veel commentaren te horen. Anderen stellen dat het juist goed gaat met de integratie, al hoor je die geluiden steeds minder.
    Beide stellingnamen zijn wat ons betreft niet juist. Je kunt niet zonder meer beweren dat de integratie geslaagd of mislukt zou zijn, omdat niemand precies weet wat er onder integratie moet worden verstaan. Personen die zeggen, dat de integratie is mislukt, hebben het vaak over andere thema’s dan zij die de integratie geslaagd noemen. Een tweede reden waarom je niet kunt spreken over geslaagd of juist mislukt is dat het nooit alleen goed of slecht gaat, maar dat het altijd goed én slecht gaat.
    Tien trends in integratie, van ongunstig naar gunstig.

1. Hoog aandeel verdachten onder niet-westerse groepen.
De hoge criminaliteit onder niet-westerse groepen is voor velen een indicatie voor de mislukte integratie. Vooral onder personen van Antilliaanse en Marokkaanse afkomst is het aandeel verdachten aanzienlijk hoger dan onder autochtone Nederlanders. Criminaliteit is vooral een zaak van jonge mannen. In 2007 staan 16 procent van de Marokkaanse jongens tussen de 12 en 17 jaar als verdachte geregistreerd, en 14 procent van de Antilliaanse jongens, tegenover 3 procent van de autochtone jongens. Zorgwekkend is dat bij Turkse en Marokkaanse Nederlanders tussen de 12 en 24 jaar de tweede generatie vaker verdacht wordt van criminaliteit dan de eerste generatie.

2. Opvattingen over moslims tussen 1995 en 2005 verslechterd.

De beeldvorming van de Nederlandse bevolking over moslims is tussen 1995 en 2005 aanzienlijk verslechterd. Dit blijkt onder meer uit de veranderde opinie over de stelling: ‘Islamitische vrouwen die een hoofddoek dragen, passen zich niet aan onze samenleving aan.’ In 1995 was 34 procent van de Nederlandse bevolking het daar (helemaal) mee eens, in 2005 is dit opgelopen tot 43 procent. De instemming met de stelling ‘Moslims grijpen gemakkelijk naar geweld om hun problemen op te lossen’ is tussen 1995 en 2005 opgelopen van 29 naar 42 procent. Cijfers over opvattingen over moslims gaan niet verder dan 2005. Gegevens die in algemene zin betrekking hebben op de aanwezigheid van niet-westerse migranten wijzen erop dat de weerstand tegen migranten het hoogst was in de eerste jaren van dit decennium.

3. Oplopende (jeugd)werkloosheid.

Vanwege de economische crisis loopt de werkloosheid bij niet-westerse migranten vrij snel op. Cijfers van het tweede kwartaal van dit jaar laten zien dat 11 procent van de migranten in de beroepsbevolking werkloos is tegenover 4 procent van de autochtone bevolking. Vooral bij migrantenjongeren ligt de werkloosheid op een hoog niveau; 21 procent van de niet-westerse jongeren is werkloos tegenover 10 procent van de autochtone jongeren. De werkgelegenheid voor niet-westerse jongeren blijkt nog steeds bijzonder vatbaar voor conjuncturele ontwikkelingen. Het lage opleidingsniveau en het feit dat veel niet-westerse jongeren werkzaam zijn in flexibele banen zijn twee belangrijke oorzaken.

4. Hardnekkige ruimtelijke en sociale segregatie.

In de afgelopen 10 jaar is het aantal concentratiewijken verder toegenomen. In 1998 waren er 23 wijken waar personen van niet-westerse afkomst meer dan de helft van de bevolking uitmaken. In 2008 zijn dit 49 wijken, waar ongeveer een half miljoen mensen wonen. In Amsterdam en Rotterdam telde in het schooljaar 2007/2008 38 procent van de basisscholen meer dan 80 procent leerlingen uit niet-westerse groepen. Dit aandeel zwarte scholen is de afgelopen jaren licht toegenomen. De effecten daarvan op de sociaal-economische positie van migranten en hun kinderen lijken beperkt, maar er is wel een aanzienlijke samenhang met hun contacten in de vrije tijd. In de afgelopen 12 jaar (1994-2006) zijn die niet noemenswaardig veranderd. In hun vrije tijd gaan migranten even vaak (of even weinig) om met autochtonen als 12 jaar geleden, hoewel er duidelijke verschillen tussen migrantengroepen zijn. Wij hadden verwacht dat de vrijetijdscontacten tussen migranten en autochtone Nederlanders in de loop van de jaren zouden zijn toegenomen. Er zijn steeds meer leden van de tweede generatie, het aantal hoger opgeleiden is gestegen en steeds meer niet-westerse migranten spreken Nederlands. Allemaal factoren die bijdragen aan meer onderling contact. De toegenomen ruimtelijke concentratie vormt echter een tegenkracht die een toename van interetnisch contact in de weg heeft gestaan.

5. Onderwijs: vooruitgang, maar achterstand is nog groot.

Vooruitgang bij grote achterstand is eigenlijk het algemene beeld in het basis- en in het voortgezet onderwijs. Turks-Nederlandse en Marokkaans-Nederlandse leerlingen in het basisonderwijs hebben in de periode 1994/1995 – 2007/2008 de achterstand in rekenprestaties met autochtone leerlingen gehalveerd. Er is ook vooruitgang bij de taalprestaties, al gaat dat minder snel.

In het voortgezet onderwijs zien we een stijgend aandeel migrantenkinderen dat naar de havo en het vwo gaat. Ook hier is de achterstand groot, maar de ontwikkelingen gaan wel in de goede richting. Dat zien we ook bij het voortijdig schoolverlaten. Nog steeds verlaten niet-westerse leerlingen aanzienlijk vaker het onderwijs zonder startkwalificatie, maar de afgelopen jaren is het aandeel bij alle groepen behoorlijk gedaald.

6. Steeds meer niet-westerse migranten spreken Nederlands.

In acht jaar tijd (tussen 1998 en 2006) is het aantal Turkse Nederlanders dat met de partner nooit Nederlands spreekt, gedaald van 62 naar 45 procent en bij Marokkaanse Nederlanders van 57 naar 39 procent. Ook spreekt men vaker Nederlands met de eigen kinderen: in 1998 sprak van de Turkse en Marokkaanse ouders rond 40 procent nooit Nederlands met de kinderen, in 2006 geldt dit voor ruim 20 procent. In 1998 sprak 10 procent van de Turkse Nederlanders altijd of vaak Nederlands met de kinderen, in 2006 geldt dit voor 30 procent. Bij de Marokkaanse Nederlanders steeg dit aantal van 15 naar 40 procent. Marokkaanse Nederlanders bedienen zich dus meer van de Nederlandse taal dan Turkse Nederlanders. Ze beheersen het Nederlands ook beter dan Turkse Nederlanders.

7. Daling van de huwelijksmigratie.

Huwde in 2001 circa 60 procent van de Turkse en Marokkaanse Nederlanders met een importbruid- of bruidegom, in 2007 is dit gedaald tot rond de 15 procent. Voor een deel lijkt deze daling het gevolg van beleid. In 2004 zijn de inkomenseis en leeftijdseis aangescherpt. Tegelijkertijd blijkt uit de cijfers dat deze daling al langer aan de gang was. Het is een zeer belangrijke ontwikkeling: er komen minder eerste generatie migranten het land binnen. De kans neemt daardoor toe dat in het gezin met de kinderen steeds vaker Nederlands wordt gesproken.

8. Meer migranten in de middenklasse.

Het beroepsniveau van werkenden wordt onderscheiden in vijf niveaus, van elementair tot hoger en wetenschappelijk niveau. Tussen 1996 en 2008 is het aandeel niet-westerse werkenden met een beroep op hoger en wetenschappelijk niveau fors toegenomen, vooral bij de tweede generatie. Bij de Turkse tweede generatie is dit aandeel verdubbeld, bij de Marokkaanse tweede generatie verdrievoudigd en bij de Antilliaanse Nederlanders van de tweede generatie is het aandeel helemaal door het dak gegaan. Zij zitten inmiddels boven het aandeel autochtone werkenden met een hoog of wetenschappelijk beroep.

Het aantal migrantenondernemers is in de afgelopen 10 jaar (met ruim 40.000) sterk gestegen. Dat hoeft niet altijd een indicatie van succes te zijn, maar wat wel blijkt is dat de overlevingskansen gestaag zijn toegenomen; een migrantenondernemer heeft in 2008 een grotere kans om het eerste jaar door te komen dan in 1998.

9. Modernisering: later moeder en minder kinderen.

De afgelopen jaren is de gemiddelde leeftijd waarop niet-westerse vrouwen voor het eerst een kind krijgen aanzienlijk gestegen. Turkse en Marokkaanse vrouwen van de tweede generatie worden in 2008 bijna net zo laat moeder als autochtone vrouwen. Ook het aantal kinderen dat zij krijgen, is scherp afgenomen. Voor de deelname van vrouwen aan onderwijs en werk zijn dit gunstige ontwikkelingen.

10. Instroom in hoger onderwijs uit migrantengroepen.

De instroom van jongeren uit migrantengroepen in het hbo en universitaire opleidingen is in de afgelopen 10 jaar snel toegenomen. Die toename betreft vooral leerlingen van Turkse, Marokkaanse en Surinaamse origine. Cijfers over de tweede generatie laten zien dat in het midden van de jaren negentig circa 20 procent van de Turks- en Marokkaans-Nederlandse jongeren (17-24 jaar) van de tweede generatie instroomde in het hoger onderwijs, thans geldt dit voor circa 40 procent.

Deze tien trends wijzen op een enorme variëteit in uitkomsten, die het onmogelijk maken te zeggen of de integratie is geslaagd of juist mislukt. Er is vooruitgang, maar ook sprake van hardnekkige achterstand en forse problemen. Zowel degenen die stellen dat het met de integratie de foute kant op gaat als zij die menen dat Nederland een integratiemachine is, presenteren een eenzijdig beeld.


Naar Cultuur, integratie, toekomst, tegen niets-doen , Cultuur, integratie, toekomst , Allochtonen overzicht  , Sociologie lijst  , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]