De Volkskrant, 25-01-2013, door Piet Gerbrandy .2010

Beschouwing | Hoe de herontdekking van het Grieks de renaissance verder hielp

Louter zotheid


14de-eeuwse geleerden herontdekken Griekse teksten uit de Oudheid. Zo concludeerde Erasmus dat van oude Latijnse bijbelteksten weinig klopte. Het werd de voedingsbodem voor zijn kritiek op de kerk.


Op 1 januari 1513 stuurt Erasmus bij wijze van nieuwjaarsgeschenk een fraai afgewerkt boekje naar zijn potentiŽle beschermheer John Yonge, rijksarchivaris van Engeland. Het is maar een klein boekje, zegt Erasmus in de begeleidende brief, want een druk bezet man als Yonge zal zeker in dit roerige tijdsgewricht ('een ijzeren tijdperk') weinig gelegenheid hebben zich te ontspannen met wat de Muzen en de GratiŽn te bieden hebben. Toch denkt Erasmus dat het geen ongepast geschenk is: 'Ten eerste is het afkomstig van de schatkist van Plutarchus, waaruit, zoals u weet, alleen maar het allerbeste voortkomt; vervolgens is het nog maar net uit en ruikt het nog naar de drukkerij; en verder zult u nauwelijks geloven hoeveel zweet dit kleine boekje me heeft gekost, niet zozeer omdat Plutarchus zo moeilijk is [...], maar veeleer omdat hij, de geleerdste van alle schrijvers, in de meest belabberde toestand tot ons is gekomen.'

Om diverse redenen is dit briefje typerend voor Erasmus, maar zeker ook voor de Renaissance, een periode waarin literatoren, geleerden en kunstenaars zich realiseerden dat ze bezig waren een culturele en wetenschappelijke revolutie te voltrekken. Hoewel wij, vijf eeuwen later, constateren dat ze zich daarin niet vergist hebben, getuigt het van dwaasheid en overmoed je eigen tijd als een keerpunt in de geschiedenis te zien. Zegt de Prediker niet dat alles ijdelheid is en dat wie kennis vermeerdert, daarmee ook smart doet toenemen? Als auteur van de Lof der Zotheid (1509) was Erasmus daarvan doordrongen als geen ander. Toch droeg hij met een ongelooflijke werkkracht bij aan het vermeerderen van kennis, in de hoop een betere wereld dichterbij te brengen. Een brief als die aan Yonge had twee eeuwen eerder niet geschreven kunnen worden. Niet dat middeleeuwse literatoren niet doordesemd waren van de Klassieke Oudheid, integendeel. Je hoeft niet lang in de 12de en 13de eeuw rond te neuzen om te zien dat het gezag van Ovidius, Cicero en Augustinus immens was. De antieke filosoof met de grootste reputatie was Aristoteles. Diens werken werden echter niet in het Grieks gelezen, maar in Latijnse versies die veelal waren gebaseerd op vertalingen in het Arabisch. Byzantium, waar de Griekse erfenis zorgvuldig werd gekoesterd, was goed bereikbaar, en sinds de tijd van Karel de Grote bestond er intensief diplomatiek verkeer tussen Oost en West, maar vrijwel nooit kwamen geleerden uit Frankrijk, Engeland of ItaliŽ op het idee Grieks te leren. De voorwaarden voor een heropleving van de Klassieken waren altijd aanwezig geweest, maar niemand greep de kans.

Pas in de 14de eeuw begrepen Petrarca en, in diens voetspoor, Boccaccio dat er een reusachtig terrein braak lag dat opnieuw ontgonnen kon worden. Misschien kwam het door hun welvaart, misschien ook door hun republikeinse staatsvormen, dat Noord-Italiaanse burgers de behoefte kregen zich intellectueel te ontwikkelen buiten kerkelijke en feodale structuren om. In elk geval ontstaat er vanaf de tweede helft van de 14de eeuw een ongekende honger naar manuscripten van verloren gewaande auteurs uit de Oudheid, en beginnen met name Florentijnen en Romeinen Grieks te leren. Wat opvalt, is dat reeds Petrarca zich ervan bewust is dat de geschiedenis geen continuŁm is, maar dat er zoiets als een historische ontwikkeling bestaat waarin perioden onderling verschillen in culturele gerichtheid. Men beseft ineens dat iedere tekst zijn eigen historische context heeft. Bovendien stellen 15de-eeuwse filologen als Lorenzo Valla en Angelo Poliziano vast dat de klassieke werken die ze bestuderen gebrekkig zijn overgeleverd. De tekst is geen autoriteit meer, maar een toegetakeld artefact. Zie Erasmus' opmerking over het Grieks van Plutarchus.

De Hollander Desiderius Erasmus (1467-1536) geldt als een van de grootste literatoren uit de Renaissance. Misschien is hij de eerste die het belang van de onlangs uitgevonden drukpers ten volle heeft ingezien. Onvermoeibaar reisde hij door Europa om manuscripten te bestuderen en edities voor te bereiden, aanvankelijk in VenetiŽ, later vooral in Bazel. Zijn voornaamste wapenfeit is de uitgave van het Nieuwe Testament in het Grieks (1517), waarmee hij, tot ontzetting van traditionele theologen, aantoonde dat de tot dan toe gebruikte Latijnse bijbelvertaling op veel punten niet deugde.

Erasmus was ervan overtuigd dat nuchtere wetenschappelijke kennis misverstanden uit de weg kon ruimen en daardoor het fundament zou worden van een gezuiverde kerk, die zich niet meer zou richten op geld, macht en scholastieke haarkloverijen, maar op een verinnerlijkt, oprecht geloof. In een beroemde brief uit 1517 ziet hij zelfs een Gouden Tijd in het verschiet liggen. Niet lang daarna drong het tot hem door dat hij te optimistisch was geweest. Maar dat er anderhalve eeuw lang verschrikkelijke religieuze conflicten zouden woeden, had niemand kunnen vermoeden.

In De Lof der Zotheid, opgedragen aan zijn vriend Thomas More, steekt Erasmus de draak met alles wat hij aan krankzinnigheid om zich heen ziet. Hoewel de eerste hoofdstukken een staalkaart vormen van satirische elementen die al in de Oudheid gemeengoed waren, ontwikkelt het boekje zich gaandeweg tot een snoeiharde kritiek op maatschappelijke en kerkelijke instituties. Erasmus houdt zichzelf in zoverre buiten schot dat niet hijzelf de spreker is, maar de Zotheid in eigen persoon, die hier en daar niet aarzelt ook Erasmus belachelijk te maken. De Zotheid die zotheid aan de kaak stelt, is dat niet de Kretenzer die beweert dat alle Kretenzers leugenaars zijn? Hoe dan ook, de Lof is een magistraal schotschrift tegen hypocrisie - geschreven door een man van eenvoudige afkomst, die niet aarzelde mogelijke beschermheren te vleien als hem dat een aardige beurs zou opleveren. Nee, Erasmus was niet vrij van de zotheid die hij belachelijk maakte. Is het tekenend voor de Renaissance dat hij zich daarvan bewust was?

Desiderius Erasmus, Lof der Zotheid, vert. Harm-Jan van Dam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2001. De correspondentie van Erasmus, vert. M.J. Steens, deel 2 en 4, Ad. Donker, 2004/ 2006. Charles G. Nauert, Humanism and the Culture of Renaissance Europe, Cambridge University Press, 2006



Tussenstuk:
Broddelbijbel

De Hollander Desiderius Erasmus (1467-1536) geldt als een van de grootste literatoren uit de Renaissance. Zijn voornaamste wapenfeit is de uitgave van het Nieuwe Testament in het Grieks (1517), waarmee hij, tot ontzetting van traditionele theologen, aantoonde dat de tot dan toe gebruikte Latijnse bijbelvertaling op veel punten niet deugde.



IRP:  



 

 

[an error occurred while processing this directive]