De Volkskrant, 26-06-2010, door  Jaap Dronkers 10 jul.2010

Islamitische leerling blijft achter, ook met hoogopgeleide ouders

Slechtere onderwijsprestaties van islamitische leerlingen kunnen niet worden verklaard uit sociaal-culturele ouderlijke achtergronden of uit verschillen in achterstand of discriminatie

Tussentitel: Ook een conclusie die de linkse kerk of de PVV in de kaart speelt, mag niet verzwegen worden.

Uit mijn oratie hebben commentatoren verschillende conclusies getrokken, constateert Pieter Hilhorst terecht (Opinie & Debat, 22 juni). Dat komt doordat in het onderwijs meerdere, vaak tegengestelde processen zich gelijktijdig afspelen. Elke commentator kan dus naar zijn favoriete conclusie wijzen en het door hem verafschuwde verzwijgen. Maar als wetenschapper moet ik alle conclusies laten zien, ook de zogenaamd tegenstrijdige. Commentatoren moeten daar zelf hun keuze uit maken voor hun politieke en maatschappelijke gedrag. De mogelijkheid dat een conclusie een politieke tegenstander (linkse kerk, PVV) in de kaart speelt, mag voor een onderzoeker geen reden zijn die conclusie te verzwijgen. Juist bij belangrijke onderwerpen als immigratie en onderwijs moeten burgers op de objectiviteit en politieke onafhankelijkheid van wetenschappers kunnen vertrouwen.

Leerlingen uit islamitische landen halen lagere onderwijsprestaties dan vergelijkbare leerlingen uit niet-islamitisch AziŽ (India, Vietnam, China, Korea). Dat komt steeds terug in alle internationale vergelijkingen. Dat verschil tussen migranten uit islamitische landen en andere migranten blijft bestaan, ongeacht hoe goed men rekening houdt met de sociale en culturele ouderlijke achtergrond. Het argument dat kinderen van hooggeschoolde politieke vluchtelingen uit Iran of Afghanistan het wel beter op school doen, slaat de plank mis. Dat ligt eerder aan het hoge opleidingsniveau dan aan de islamitische achtergrond van hun ouders, want in vergelijking met kinderen van even hoog geschoolde migranten uit China of Vietnam scoren zij lager.

Ook is het onwaarschijnlijk dat de achterstand op het Turkse platteland groter is dan de achterstand op het Chinese platteland. Ook verschilt de mate van discriminatie waarschijnlijk niet. Alle niet-Europese immigranten worden gediscrimineerd, leerlingen uit islamitische landen niet noodzakelijk meer dan die uit India of Vietnam. Bovendien is niet duidelijk hoe discriminatie schoolprestaties verlaagt. Wel is het mogelijk dat de ene etnische groep anders op discriminatie reageert dan een andere: Koreanen door nog harder te werken, Latinoís door in hun eer aangetast te zijn en ruzie te zoeken.

Het onderzoek ging over 15-jarigen in het voortgezet onderwijs. Om twee redenen vind ik het acceptabel mijn resultaten ook toe te passen op het basisonderwijs.

1. De processen die verantwoordelijk kunnen zijn voor de positieve en negatieve effecten van diversiteit in het onderwijs zijn niet specifiek voor het voortgezet onderwijs. Zij gaan ook op voor het basisonderwijs. Daarom kunnen mijn resultaten ook opgaan voor het basisonderwijs. Wel zou er een mechanisme kunnen bestaan waardoor deze processen in het basisonderwijs niet optreden, terwijl ze wel voorkomen in het voortgezet onderwijs. De leeftijd van de leerlingen kan zoín mechanisme zijn. Mij lijkt dat niet plausibel, want ook kinderen onder de 10 jaar signaleren etnische verschillen tussen medeleerlingen en gedragen zich daarnaar.

2. De negatieve effecten van etnische diversiteit komen ook voor in onderwijsstelsels waarin nog geen selectie heeft plaatsgevonden (middenschoolstelsels zoals in ScandinaviŽ). In dergelijke stelsels worden leerlingen niet uitgesplitst over verschillende schooltypen, maar blijven ze bij elkaar op school zitten, net als in het basisonderwijs. Daarom denk ik dat mijn conclusies ook opgaan voor het basisonderwijs.

In de oratie heb ik mij geconcentreerd op de onderwijsprestaties in taal. Maar ik heb het ook uitgerekend voor de onderwijsprestaties in wiskunde en natuurwetenschappen. De uitkomsten zijn zo goed als hetzelfde. Het is dus terecht dat ik in mijn oratie spreek van onderwijsprestaties. De kans dat de uitkomsten voor aardrijkskunde, geschiedenis of maatschappijleer heel anders uitpakken, zoals Evelien Tonkens hoopt (Opinie & Debat, 23 juni), is gering. Leerlingen met een migranten-achtergrond hebben veel minder vertrouwen in de politiek, denken negatiever over gelijkheid van mannen en vrouwen, et cetera, dan autochtone leerlingen in bijna alle OESO-landen. In mijn oratie wijs ik er nadrukkelijk op dat etnisch diverse scholen wel goed kunnen zijn voor het bevorderen van interetnische vriendschappen. Vlaams onderzoek laat echter zien dat deze vriendschappen niet automatisch opbloeien.

Nederlandse leerlingen kon ik niet in mijn analyse betrekken, omdat OC & W besloten had dat het vragen naar het geboorteland van leerlingen en hun ouders niet nodig was en alleen maar onrust zou zaaien. Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat mijn conclusies die opgaan voor landen als BelgiŽ, Duitsland, Denemarken, Noorwegen, Oostenrijk en Schotland, niet zouden gelden voor Nederland. Uit eerdere analyses waarin het Nederlandse onderwijs vergeleken wordt met andere Europese landen, blijkt nergens een uitzonderingspositie van Nederland (ook de vrijheid van onderwijs is dat niet), en zeker niet wat betreft de onderwijsprestaties van immigrantenleerlingen.

De mate van etnische heterogeniteit van scholen heb ik in mijn onderzoek zeker onderschat, omdat ik alleen gebruik kon maken van het geboorteland van leerlingen en hun ouders. Maar landen als India, Marokko, Pakistan en Turkije kennen veel verschillende etnische groepen, waarmee ik nu geen rekening kon houden. Alleen als wij aan leerlingen zouden vragen tot welke etnische groep zij zichzelf wensen te rekenen (zoals in de VS), zouden wij nauwkeurig de etnische diversiteit van scholen kunnen meten.

De lange schaduw van de Jodenvervolging in Europa in de Tweede Wereldoorlog maakt een dergelijke meting van de subjectieve etniciteit voorlopig onmogelijk. Maar het is niet waarschijnlijk dat met een subjectieve etniciteit de gevonden samenhangen substantieel zouden veranderen. De reeds etnisch heterogene scholen zouden veel heterogener worden, terwijl de meeste homogene scholen nauwelijks heterogener zouden worden. De onderlinge verschillen zouden groter geworden zijn, maar niet de volgorde van scholen qua etnische diversiteit. En alleen een drastische verandering in die volgorde zou de effecten van etnische diversiteit kunnen veranderen.


Naar Cultuur, integratie, toekomst , Allochtonen overzicht  , Sociologie lijst  , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]