Joop.nl, 15-07-2015, door Gert Jan Geling - Historicus, Theoloog en Arabist uitleg of detail .2010

Godsdienst mag geen excuus zijn om mensen te discrimineren

Uitspraak College voor de Rechten van de Mens schept onwenselijk precedent


In een recente uitspraak heeft het College voor de Rechten van de Mens, een instantie wiens uitspraken niet bindend zijn maar vaak wel overgenomen worden, een onwenselijk precedent geschapen. In deze uitspraak gaf zij aan dat een medewerkster van de GGD Hart voor Brabant het nadrukkelijke recht heeft om te discrimineren op basis van geslacht, met een beroep op de aanname dat indien haar dit recht ontnomen zou worden zij gediscrimineerd zou worden op basis van haar godsdienst. Een dergelijke uitspraak schept een onwenselijk precedent omdat het een legitimatie vormt voor discriminatie op basis van geslacht. Een vorm van discriminatie die in Nederland niet toegestaan is op basis van Artikel 1 van onze grondwet

Het betrof een zaak waarin een man met zijn zoon en vrouw naar de GGD ging in verband met een onderzoek van zijn zoon. Toen zij daar aankwamen, kregen zijn zoon en vrouw een hand van de medewerkster die het onderzoek zou uitvoeren. De man kreeg geen hand. De medewerkster vertelde hem dat zij vanwege haar islamitische geloofsovertuiging mannen geen hand geeft. De man voelt zich hierdoor gediscrimineerd, en stapte naar het College. In haar uitspraak stelt het College:

"Door de medewerkster toe te staan dat zij alleen mannen geen hand geeft, wordt de man gediscrimineerd op grond van zijn geslacht. Maar als de GGD de medewerkster verplicht om mannen een hand te geven, discrimineert de GGD haar op grond van haar godsdienst. De medewerkster zou dan immers bij haar werk begroetingsvormen in acht moeten nemen die in strijd zijn met haar geloofsovertuiging, of zij zou niet in aanmerking komen voor de functie."

Botsing van grondrechten
Er is dus sprake van een botsing van grondrechten. Als er sprake is van botsing van twee grondrechten, kan niet op voorhand worden gezegd dat het ene recht zwaarder weegt dan het andere. Welk recht zwaarder weegt is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het College oordeelt dat in deze zaak het recht van de medewerksters om niet te worden gediscrimineerd op grond van haar godsdienst zwaarder weegt dan het recht van de man om niet gediscrimineerd te worden op grond van zijn geslacht."

Het College stelt dus dat de vrouw zich wel degelijk schuldig maakt aan discriminatie op basis van geslacht. Maar desondanks mag zij dit gewoon doen omdat actie ondernemen tegen deze vorm van discriminatie een andere vorm van discriminatie, namelijk discriminatie op basis van godsdienst in zou houden. Het College maakt hiermee een cruciale denkfout. Discriminatie houdt immers onderscheid maken, uitsluiten of het op oneerlijke wijze achterstellen van een persoon in. Een medewerker verplichten alle cliŽnten een hand te geven houdt geenszins een vorm van uitsluiting of achterstelling in.

Integendeel, het zorgt er juist voor dat er niemand wordt uitgesloten of achtergesteld. Deze casus draait om een kleine gebeurtenis, het weigeren van het schudden van een hand. Maar de implicaties van deze uitspraak van het College zijn veel groter. Zij schept immers hiermee een precedent voor het toestaan van discriminatie op basis van geslacht. De man wordt immers een hand geweigerd puur en alleen omdat hij een man is.


Discriminatie
Dit is een vorm discriminatie, gezien het feit dat zijn vrouw en kind wel een hand kregen, die niet toegestaan is op grond van Artikel 1 van de Grondwet. Dit artikel stelt:'Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.' De Grondwet is hierin vrij duidelijk. Discriminatie op basis van geslacht is niet toegestaan.Bovendien is er hier sprake van discriminatie in het publieke domein. In het privťdomein is ieder persoon vrij om zelf te bepalen hoe hij of zij met andere mensen omgaat.

Ook als dit discriminatie op basis van geslacht in zou houden. Maar in het publieke domein gelden andere regels. De persoon die in deze casus discriminerend handelde was een medewerkster van de GGD, een overheidsinstantie.Aangezien de Grondwet gaat over hoe de overheid zich tot haar burgers zou moeten verhouden is Artikel 1 op deze casus van toepassing. Alleen, het College van de Mens past haar niet toe. De vraag is waarom.


Waarom neemt het College dan niet duidelijk stelling tegen discriminatie op basis van geslacht?
Stel, er zou hier sprake zijn van een casus waarin een vrouw geweigerd had om een persoon een hand te geven omdat deze persoon Joods was. Of een casus waarin een man een persoon geweigerd had de hand te schudden omdat deze persoon van kleur was. En men had hierbij beroep gedaan op hun religie. Had het College dan op gelijke wijze geoordeeld? Had het College ook discriminatie op basis van afkomst of ras toegestaan? Of had het College daar wel stelling tegen genomen? Zo ja, waarom neemt het College dan niet duidelijk stelling tegen discriminatie op basis van geslacht, een vorm van discriminatie die net zo goed als andere vormen van discriminatie verwerpelijk is, en die niet gepraktiseerd zou mogen worden door werknemers van overheidsinstanties.

Wat het College had moeten doen is niet alleen zich uitspreken tegen deze vorm van discriminatie, maar ook de werkgever van deze mevrouw, de GGD, erop moeten wijzen dat zij een overheidsinstelling is. Bij de gratie van dat feit is zij een levensovertuigelijk neutrale organisatie. Op grond hiervan dient zij haar medewerkers te instrueren om een levensovertuigelijk neutrale houding ten opzichte van cliŽnten aan te nemen. Hierbij past geen discriminatie van cliŽnten met beroep op de levensovertuiging. Dergelijke vormen van discriminatie zijn door de politiek eerder al verboden.

'Weigerambtenaren'
Neem de zogeheten Ďweigerambtenarení, ambtenaren die weigerden partners van gelijke geslacht te trouwen, en zich bij deze weigering beriepen op hun vrijheid van godsdienst. Zij claimden dat het trouwen van partners van gelijke geslacht inging tegen hun levensovertuiging. Het niet willen huwen van partners van gelijke geslacht werd uiteindelijk door de politiek verboden, en ambtenaren die zich hieraan schuldig maakten mochten ontslagen worden. Zij dienden immers hun werkzaamheden naar behoren uit te voeren en de wet te respecteren, zonder hierbij te discrimineren.

Het lijkt erop dat er met deze uitspraak van het College een nieuwe casus is waarop de politiek in kan springen, om de waarden die in Artikel 1 van de Grondwet zijn vastgelegd te verdedigen, en discriminatie door medewerkers van overheidsinstanties te bestrijden. Want er bestaat niet zoiets als de vrijheid om te discrimineren op basis van geslacht. Vrijheid is een groot goed. Maar geen enkele vorm van vrijheid is onbeperkt. Ook niet in een vrije, open samenleving als de Nederlandse. Aan elke vorm van vrijheid zitten grenzen. En de grenzen van vrijheid liggen daar waar de vrijheid van de een die van de ander schaadt.

Daar waar de godsdienstvrijheid van de een leidt tot discriminatie op basis van geslacht van de ander wordt een fundamenteel recht, namelijk het recht om gevrijwaard te zijn van ongewenste discriminatie, geschonden. En daar houdt de vrijheid van godsdienst dus op. Het College voor de Rechten van de Mens heeft erin gefaald deze conclusie te trekken. Het is daarom nu aan de politiek om in deze kwestie actie te ondernemen, en om ongewenste discriminatie op basis van geslacht door medewerkers van overheidsinstanties tegen te gaan.



Red.:  




Naar Buikhuisen hetze, bronnen , Media lijst , Politiek & Media overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]