De Volkskrant, 14-06-2014, door Pepijn Brandon en Tamira Kombrink, als post-doc en als phd-onderzoeker verbonden aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. .2010

Slavenhandel kreeg juist doorstart in 1814

Na 15 juni 1814 ging de slavenhandel gewoon door in het CaraÔbisch gebied. Dat was ook de bedoeling.


Dit weekend wordt in Middelburg 200 jaar afschaffing van de slavenhandel herdacht. Op 15 juni 1814 vaardigde koning Willem I immers een besluit uit dat voortaan 'uit geene haven of van geene reede binnen het gebied der Veree-nigde Nederlanden' schepen zouden mogen varen 'welker bestemming is om negers van de Kust van Afrika (...) af te halen en naar het vaste land of de Eilanden van Amerika over te brengen'. Het besluit was een van de vele stappen die Nederland nodig had voor het er daadwerkelijk toe kwam de slavenhandel af te schaffen.

Maar helaas was het niet dť stap, want ook na 15 juni 1814 ging de legale slavenhandel binnen het CaraÔbisch gebied gewoon door. Dat dit doorgaans vergeten wordt, toont aan dat het met de kennis van dit verleden nog steeds droevig gesteld is.

Eerst wat noodzakelijke context. De Nederlandse West-Indische KoloniŽn waren op dat moment nog in handen van de Britten, die ze in de oorlog tegen Napoleon in bezit hadden genomen. De Britten schaften in 1807 de slavenhandel af en wilden dit ook aan de concurrenten opleggen. Bij de teruggave van de koloniŽn aan Nederland was de afschaffing van de trans-Atlantische slavenhandel dan ook een van de voorwaarden. Die afschaffing van de handel was nadrukkelijk niet bedoeld als een aanloopje naar de afschaffing van de slavernij zelf. De gedachte was dat voortplanting van de tot slaaf gemaakte bevolking in het CaraÔbisch gebied de slavenpopulatie in stand zou kunnen houden. Maar dat kon allťťn als tussen de verschillende plantagesamenlevingen wel gehandeld zou mogen worden in slaven en hun kinderen.

Legaliteit van slavenhandel binnen het CaraÔbisch gebied zou het bovendien veel makkelijker maken om mee te profiteren van de grootschalige illegale slavenhandel tussen Afrika en Noord- en Zuid-Amerika. Toen in 1818 het Koninklijk Besluit van 1814 eindelijk omgezet werd in een wet, werd dan ook voorzien in deze cruciale maas in de wet. Artikel 5 van de wet stelde dat de strafverordeningen niet golden voor de handel in 'slaven, welke op dit oogenblik in de koloniŽn aanwezig zijn of derzelver kinderen'. Het gevolg was dat er tussen 1816 en 1827 alleen al in Suriname ongeveer 12 duizend mensen als slaaf werden ingevoerd, onder wie duizenden die rechtstreeks uit Afrika.

Koloniale autoriteiten stonden nog tot ver in de jaren 1820 allerminst welwillend tegenover de pogingen om de illegale slavenhandel tegen te gaan. Nog schrijnender, zeker voor wie 1814 zou willen vieren als een doorbraak van menselijkheid, is dat diezelfde autoriteiten ondertussen gewoon doorgingen de legale slavenhandel in de koloniŽn te reguleren. In 1819 bijvoorbeeld kondigde de gouverneur-generaal van CuraÁao af dat voor alle slaven die uit CuraÁao, Bonaire of Aruba werden 'geŽxporteerd' een belasting van 10 pesos aan de koloniale kas moest worden betaald, 'zuigelingen uitgezonderd'.

Hoe kan het dat bij de herdenking van 200 jaar afschaffing van de slavenhandel over deze legale voortzetting van de slavenhandel wordt heengekeken? Dit heeft alles te maken met de heel beperkte definitie van Nederlandse betrokkenheid die nog altijd door veel slavernijhistorici wordt gehanteerd. Daarin staat vrijwel uitsluitend de zogenaamde driehoekshandel tussen Europa, Afrika en West-IndiŽ centraal. De officiŽle afschaffing van de slavernij in 1863 (voormalige slaven moesten daarna nog tien jaar gedwongen arbeid verrichten) is in die visie de beschamend langzame doorwerking van het stilvallen van de driehoekshandel aan het eind van de 18de eeuw. De onderliggende boodschap is: de Nederlandse betrokkenheid bij de slavernij was pijnlijk, maar ze was relatief van weinig betekenis en na de 18de eeuw was ze ver over het hoogtepunt heen. 1814 is in deze visie het beginpunt van het 'lange afscheid' van de slavernij.

Maar deze misvatting gaat voorbij aan een aantal simpele constateringen. Nederlanders waren niet alleen betrokken bij de slavenhandel als trans-Atlantische slavenverkopers, maar ook als de kopers en verkopers van slaven binnen de CaraÔbische plantage-economie. Toen zij in 1814 gedwongen werden de handel tussen Afrika en Amerika af te stoten, bleven zij hopen dat voortplanting en handel binnen het CaraÔbisch gebied voldoende zou zijn om de slaveneconomie in de koloniŽn overeind te houden. Amerikaanse historici spreken in dit opzicht terecht van een 'second slavery'. Met 1814 zou dus ook niet een einde van de slavenhandel moeten worden herdacht, maar de droevige doorstart van deze onmenselijke vorm van winstbejag. Het was geen ongelukkig toeval dat de slavernij de beperkte en gedeeltelijke afschaffing van 1814 een halve eeuw overleefde. Het was de expliciete intentie van de afschaffers zelf.


De auteurs zijn



Red.:  

 

Naar Cultuur, multiculturalisme, cultuurverraad , Cultuur, multiculturalisme ,  Sociologie lijst  , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]