De Volkskrant, 15-04-2006, column door H.J. Schoo

Het nut van tegenspraak

Vorige week schreef ik dat er na vijftien jaar debat over immigratie en integratie nog geen spoor van consensus bestaat. Deze week werd ik op mijn wenken bediend door de publicatie van een rapport door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en het gekrakeel dat daarover onmiddellijk losbarstte.
    Het gaat mij er niet om in dit dispuut partij te kiezen. In het rapport staan bovendien allerlei verstandige dingen. Het relativeren van onze 'universele' mensenrechten bevalt me bijvoorbeeld wel. Ook weet ik nu beter hoe het zit met het sharia-hof in Londen, waar een kennis van me heen moet om haar huwelijk te laten ontbinden. Praten met Hezbollah en Hamas? Een legitiem onderwerp van gesprek.
    Tegenspraak dwingt tot helder denken. Tegendraadse opvattingen dienen het debat en de waarheidsvinding. Wat dat betreft is er niets mis met zo'n rapport. Maar de belerende inslag verprutst veel. Politiek en publiek in Nederland weten niks over de islam, is de teneur. Als ze nu eindelijk eens stilzitten en goed opletten, kunnen ze iets aan hun leerachterstand doen. Zo'n toon dus, pedant en pompeus, die zich voortdurend met de eigen wetenschappelijkheid feliciteert.
    Bij zo'n inzet ligt de apologie op de loer. De WRR-onderzoekers begrijpen alles en verontschuldigen veel. Weinig kwade woorden dus over 'islamitisch activisme', wel veel bezorgd hoofdschudden over een onwillig Westen, dat maar geen enkele nuance wil zien in de gistende, complexe wereld van de islam. Wie terugdenkt aan de cartooncrisis van begin dit jaar, toen datzelfde Westen van welwillendheid en leergierigheid niet wist in welke bochten het zich moest wringen om het islamitisch activisme niet te ontrieven, vraagt zich af in welke wereld de onderzoekers eigenlijk leven. Zij binden de strijd aan met de islam-onnozelaars, maar wie bedoelen ze precies? Man en paard noemen, doen ze niet graag.
    Ja, wereldberoemde 'clashdenkers' als Bernard Lewis en Samuel Huntington passeren de revue. Alsof die getapt zijn bij de Europese en Nederlandse beleidselite tot wie de wetenschappers zich primair richten. Huntington kreeg hier geen poot aan de grond.
    Ayaan Hirsi Ali, Paul Cliteur en Afshin Ellian zijn onze eigen roependen in een woestijn van zoetsappig begrip, maar komen in het hele stuk niet voor. Toch polemiseren de regeringswetenschappers in feite tegen deze spoken, wier namen zij krampachtig mijden.
    Dat wil niet zeggen dat het rapport nutteloos is of dat de opstellers een douw moeten krijgen. Het is zelfs een welkome steen in de vijver. Wetenschap moet ůůk bet-wetenschap zijn: contra-intuÔtief, niet belust op populaire instemming. Niettemin heeft dit slag 'regeringswetenschap' iets benauwends - hoe onafhankelijk, multidisciplinair, 'betrokken bij beleid en samenleving' en toekomstgericht zij ook pretendeert te zijn.
    Wie als wetenschapper op officiŽle strepen kan bogen, heeft in het debat al snel een streepje voor. Het WRR-stempel levert extra gezag op, kan zelfs een gezagsargument worden: de WRR heeft gesproken, zaak gesloten.
    Dit advies is bovendien alleen maar in schijn tegendraads. In feite verdedigt het de knusse consensus van islamdeskundigen tegenover de opvattingen van opdringerige leken. Onder het motto: verboden voor onbevoegden. Het rapport bevat politieke adviezen, maar depolitiseert tegelijk zijn eigen - 'wetenschappelijke' - conclusies. De vergelijking dringt zich op met de beleidsdeskundigen die tot voor kort tegen de klippen op hun rozenvingerige multiculturele consensus koesterden. Maatschappelijke en politieke beroeringen maakten er een bruut einde aan.
    Het is de vraag of dit soort onderzoek wel onder overheidsauspiciŽn hoort plaats te vinden. Niemand zou erover zijn gevallen en er zou een opener uitwisseling van opvattingen mogelijk zijn geweest als dit WRR-rapport een andere afzender had gehad. Een eigenwijze progressieve denktank bijvoorbeeld, gesponsord door een excentrieke linkse rijkaard, die zich geheel ongebonden opwerpt als contra-expertise van de macht.
    Helaas bestaan zulke instellingen in Nederland nauwelijks. De beleidsadvisering is hier maar een klein wereldje, waarin iedereen elkaar kent en tegenkomt en uiteindelijk altijd de overheid als voedstermoeder heeft. Zonder overheidsgeld en -opdrachten is weinig mogelijk. Van zo'n systeem gaat onmiskenbaar een gelijkschakelende werking uit. Het creŽert een bedding waarin mainstream-opvattingen gedijen en houdt outsiders buiten de deur.
    Echt debat moet het hebben van de rivaliteit van mens- en wereldbeelden. Maar in de Nederlandse praktijk krijgt intellectuele diversiteit nauwelijks institutioneel gestalte. In de Verenigde Staten gaat dat heel anders. Daar schoten de afgelopen decennia tal van onafhankelijke denktanks uit de grond, vaak van neoconservatieve snit, die buiten overheid en universiteit om grote invloed konden krijgen op de beleidsagenda.
    'De strijd der ideeŽn' noemde chroniqueur Lexington van The Economist onlangs deze opleving van het publieke debat en de opkomst van een nieuwe klasse van publieke intellectuelen. Niet langer geeft het consensusgeoriŽnteerde Europa in het beleidsdebat de toon aan, maar Amerika. Of het nu gaat om belastingpolitiek of gender-rollen, het heruitvinden van de overheid of de verzorgingsstaat - nieuwe, opwindende intellectuele vergezichten komen uit Amerika.
    Hier zoeken we daarentegen het 'midden' op van een intussen obligate, academische progressiviteit. Ook als het tegendeel het geval lijkt, zoals bij deze laatste vrucht van beschermde overheidswetenschap.


IRP:   Bespreking van het WRR rapport hier . Let ook op Schoo's  reclame voor een instituut als het IRP.


Naar Islamdebat, WRR , Allochtonen lijst , Allochtonen overzicht , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]