WERELD & DENKEN
 
 

Bronnen bij Vermenging van culturen: tracerfunctie

.2009


 

De Volkskrant,
Turkse scholier scoort elders beter

Tweede generatie Turkse jongeren doet het in andere landen beter op school | Oorzaak schuilt in Nederlandse schoolsysteem | Groot onderzoek in zeven Europese landen


Van onze verslaggeefster Marjon Bolwijn
gepubliceerd op 11 mei 2009 02:45, bijgewerkt op 11 mei 2009 10:09

Het grote aantal voortijdige schoolverlaters onder de tweede generatie Turkse jongeren is geen algemeen Europees probleem, maar typerend voor Nederland en Duitsland. Landen als BelgiŽ, Zwitserland, Zweden en Frankrijk zijn beter in staat hun kwetsbare groepen binnenboord te houden. Belangrijke oorzaak is het verschil in onderwijssysteem.
    De verschillen in Europa zijn groot. Eenderde van de tweede generatie Turken in Nederland en Duitsland verlaat voortijdig het onderwijs, met vaak alleen een diploma voor lager beroepsonderwijs op zak. In Zweden, Zwitserland en BelgiŽ is dat nog geen 10 procent.
    Dit blijkt uit onderzoek in zeven Europese landen. De resultaten van de NICIS-publicatie Valkuilen en springplanken in het onderwijs worden vandaag bekend gemaakt. Op initiatief van het Instituut voor Migratie en Etnische Studies in Amsterdam wordt een grootschalig Europees onderzoek gehouden naar de integratie van de tweede generatie. De schoolloopbaan speelt daarin een belangrijke rol; onderwijs bepaalt vaak de kans van slagen op de arbeidsmarkt.
    In Nederland pakken twee aspecten van het schoolsysteem nadelig uit voor de tweede generatie Turken. Het eerste is de vroege selectie voor vervolgonderwijs. In Frankrijk en Zweden volgen alle jongeren tot hun 15de hetzelfde onderwijs. Dit blijkt voordelig voor de tweede generatie. Door de taalachterstand waarmee de meesten kampen, worden hun leercapaciteiten vaak op latere leeftijd duidelijk, doorgaans niet al op hun 12de, zoals Nederland veronderstelt met zijn Cito-toets. Met als gevolg dat de meeste Turkse leerlingen in het vmbo terechtkomen.
    Het tweede aspect is de mogelijkheid voor leerlingen in het lager beroepsonderwijs (vmbo) al op hun 16de een diploma te behalen. De bedoeling is dat ze daarna de overstap maken naar het mbo. Velen haken daar af, onder andere doordat het mbo meer zelfstandigheid vraagt van de leerlingen.
    Volgens onderzoeker Maurice Crul plaatst Nederland zo zijn zwakste leerlingen in de meest riskante leeromgeving. ‘Voor schooluitval is 16 jaar de riskantste leeftijd voor. Leerlingen zitten dan midden in de kwetsbare puberteit.’ Afhakers met alleen vmbo maken weinig kans op de arbeidsmarkt.

 


de Volkskrant, 12-05-2009 00:00, hoofdredactioneel commentaar

Onderwijs en integratie

Tussentitel: Uitval Turkse jongeren legt zwakke plek onderwijs bloot

Een op de drie Turks-Nederlandse jongeren verlaat het onderwijs zonder een diploma dat toegang geeft tot de arbeidsmarkt. Voortijdige schooluitval onder de kinderen van Turkse migranten blijkt een veel groter probleem in Nederland en Duitsland, dan bijvoorbeeld in Zweden, Zwitserland, Frankrijk en BelgiŽ. In die landen bedraagt de schooluitval onder Turkse jongeren nog geen 10 procent. De resultaten van een Europees onderzoek naar de integratie van Turken van de tweede generatie werden maandag bekend gemaakt door het Nicis Institute, het kenniscentrum voor stedelijke ontwikkeling.
   Voortijdige schooluitval is een hardnekkig probleem in Nederland. Vooral in het lager (vmbo) en middelbaar beroepsonderwijs (mbo), waarnaar het leeuwendeel van de migrantenkinderen wordt doorverwezen, verlaten veel jongeren zonder diploma de school. Dat ook veel Turks-Nederlands jongeren hun opleiding niet afmaken, mag dus nauwelijks een verrassing worden genoemd.
    Het is echter wel verontrustend dat Nederland internationaal gezien zo slecht scoort. De schoolloopbaan is een bepalende factor voor de integratie van migrantenkinderen. Onderwijs geeft immers toegang tot de arbeidsmarkt, wat de beste weg is naar maatschappelijke integratie. Hoewel de onderzoekers zich beperkt hebben tot het lot van Turks-Nederlandse jongeren, mag worden aangenomen dat dezelfde conclusies kunnen worden getrokken voor de kinderen van andere niet-westerse migranten.
   Het onderzoek legt twee zwakke plekken van het Nederlandse onderwijssysteem bloot. Het eerste probleem is de vroege selectie voor vervolgonderwijs. In Nederland krijgen kinderen al voor hun 12de jaar een schooladvies op basis van de Cito-toets en de – subjectieve – inschatting van de leerkracht hoe een leerling zich gaat redden in het vervolgonderwijs. Een gevolg is dat veel migrantenkinderen op basis van de herkomst van hun ouders een laag schooladvies krijgen, ongeacht hun leercapaciteiten. Zij belanden en masse op het vmbo. Eenmaal op het vmbo is de weg naar havo/vwo vrijwel afgesneden. Maar ook de doorstroming naar het mbo voor een beroepsopleiding is geen vanzelfsprekendheid, blijkt uit de hoge uitvalcijfers. Na het behalen van het vmbo-diploma op hun 16de blijken veel jongeren niet genoeg gemotiveerd of gekwalificeerd verder te leren.
   De conclusie moet luiden dat het Nederlandse ‘stapelonderwijs’, dat wordt gekenmerkt door veel en vroegtijdige selectiemomenten, slecht uitpakt voor migrantenkinderen. Ze gaan internationaal gezien relatief laat (en vaak met een taalachterstand) naar de basisschool, om op hun 12de al met een bepalend advies te beginnen aan een weinig kansrijke onderwijscarriŤre.
    De onderzoeksresultaten pleiten eens te meer voor het loslaten van de ‘knip’ tussen vmbo en mbo; iets waarvan ook veel onderwijsinstellingen inmiddels zijn doordrongen. Daarnaast laat de internationale vergelijking zien dat leerlingen langer de kans moeten krijgen tot wasdom te komen in brugklassen waar vmbo en havo zijn gemengd. Waar het de integratie van tweede generatie migranten betreft, rust kortom op het onderwijs een belangrijke taak.

 



ACHTERGROND, Van onze verslaggeefster Marjon Bolwijn
gepubliceerd op 15 mei 2009

Voortijdige schooluitval is typisch Nederlands

De voortijdige schooluitval in Nederland is groot. Het buitenland doet het veel beter.

Wat kan Nederland doen om het aantal voortijdige schoolverlaters onder de tweede generatie migrantenjongeren terug te dringen? Om te beginnen over de grens kijken, naar landen als Zweden, Zwitserland en BelgiŽ. Daar is dit probleem veel kleiner.
    Uit een vorige week gepresenteerd vergelijkend onderzoek in dertien steden in zeven Europese landen, blijkt dat Nederland – met Duitsland – een buitenbeentje is in Europa.
    Taalachterstand op de basisschool? Ali Osman van de Universiteit van Stockholm glimlacht. Die kennen kinderen van migrantenouders in Zweden niet of nauwelijks. Zij gaan immers, net zoals de meeste Zweedse kinderen, al op 2≠jarige leeftijd vijf dagen per week naar school. De eerste jaren is alles nog heel speels, maar ze leren er wel goed Zweeds van.
    Ze blijven op die school tot ze vijftien zijn. Daarna gaan alle kinderen naar het gymnasium, waar ze verschillende leerroutes kunnen volgen, die hen desgewenst voorbereiden op de universiteit. Relatief veel migrantenkinderen gaan direct door naar het hoger onderwijs.
    Voortijdige schooluitval komt weinig voor in Zweden, welke afkomst kinderen ook hebben. ‘In de jaren zestig heeft Zweden gekozen voor democratisering van het onderwijssysteem om alle klassen in de samenleving dezelfde kansen te geven. Daar profiteren nu ook de kinderen van migranten van’, legt Osman uit.
    In Nederland beginnen veel kinderen van migranten als 4-jarige hun schoolcarriŤre met een taalachterstand, wat een obstakel blijkt voor hun schoolloopbaan. In vergelijking met kinderen uit andere Europese landen moeten ze al vroeg, op hun 12de, een vervolgopleiding kiezen.
    Daardoor komt de meerderheid op het vmbo terecht, terwijl velen intelligent genoeg zijn om minstens een tree hoger onderwijs te kunnen volgen.
    De voortijdige schooluitval in Nederland doet zich vooral voor in het lager beroepsonderwijs. Velen komen niet verder dan het vmbo. Zwitserland en BelgiŽ slagen er wel in hun leerlingen van het lager beroepsonderwijs in groten getale te laten doorstromen naar het middelbaar beroepsonderwijs.
    In BelgiŽ doordat die twee onderwijsvormen onder ťťn dak worden gegeven, waardoor leerlingen niet op de kwetsbare puberleefijd van 16 jaar naar een andere school hoeven te verhuizen.
    In Zwitserland lukt het door leerlingen die eigenlijk nog niet klaar zijn voor de overstap naar het middelbaar beroepsonderwijs, in een overgangsklas te plaatsen.
    Zonder grote ingrepen kan toch iets van het Zweedse en Zwitserse succes worden geŽvenaard, meent onderwijssocioloog Maurice Crul. Beoordeel kinderen bij de overstap naar het voortgezet onderwijs op de ontwikkeling die ze in de jaren ervoor hebben doorgemaakt en niet alleen met de Citotoets.
    Op de basisschool wordt tegenwoordig zo uitbundig getoetst, dat er materiaal te over is om de ontwikkeling van een kind te voorspellen. Een mogelijkheid is ook jongeren met potentieel te plaatsen in een brugklas vmbo-havo, waardoor zij iets later de kans krijgen alsnog naar de havo te gaan.
    Crul: ‘Na de parlementaire onderzoekscommissie van Dijsselbloem is de animo voor grote wijzigingen in het onderwijs gering. Maar scholen kunnen zelf ruimte scheppen om schooluitval te voorkomen en dat gaat, denk ik, ook gebeuren.’
 

IRP:  Zweden heeft middenschool-model (high school): iedereen dezelfde meuk. Iedereen gymnasium = iedereen mavo. "Aparte leerroutes" is niet "iedereen naar het gymnaium", maar een groot scholengemeenschapgebouw.



Naar Cultuur, vermenging , Cultuur, eenheid , Allochtonen problematiek , Allochtonen overzicht  , Sociologie lijst  , Sociologie overzicht  , of site home .