De Volkskrant, 21-02-2009, door  Mérove Gijsberts, Tom van der Meeren, en Jaco Dagevos .2009

Onderzoek |  Volgens Robert Putnam bedreigt etnische diversiteit de sociale cohesie van buurten en wijken. Maar deze Amerikaanse conclusie is slechts in beperkte mate geldig voor Nederland.

Ken de buurt geen overdreven belang toe, investeer in bewoners

Tussentitel: Wijkgerichte initiatieven zullen de sociale samenhang niet bevorderen

De Amerikaanse socioloog Robert Putnam stelde in 2007 in het geruchtmakende artikel ‘E pluribus unum – uit velen een’ dat etnische diversiteit in de directe woonomgeving een bedreiging vormt voor de sociale verbanden in de samenleving. In etnisch diverse buurten trekken bewoners zich steeds meer terug. Het onderlinge vertrouwen neemt af, wederzijdse hulp en samenwerking worden zeldzamer en het aantal vriendschappen loopt terug. Mensen kruipen in hun schulp.
Putnam noemt dit schildpadgedrag. Het bijzondere is dat het niet alleen gaat om de gerichtheid op andere etnische bevolkingsgroepen, ook binnen de eigen etnische groep nemen het vertrouwen, de hulp en het contact af.

Althans, zo luidt de stelling van Putnam.

Deze stelling heeft ook in Nederland veel stof doen opwaaien en leidde tot soms heftige discussies in de media, politiek en beleidswereld. Wat velen al dachten werd nu door een gezaghebbende wetenschapper aangetoond: de aanwezigheid van veel etnische minderheden in een wijk zou alle onderlinge relaties en vertrouwen ondermijnen. Hierdoor zou de sociale cohesie in deze wijken onder druk komen te staan. Beleidsmakers bleken direct belangstelling te hebben voor deze boodschap. Putnam kwam vorig jaar zelfs op bezoek bij Wouter Bos om hem nadere uitleg te geven. Velen zagen in het onderzoek van Putnam steun voor het in gang gezette wijkbeleid in Nederland. (Zie ook ‘Gemengde wijk maakt eenzaam’ in het Betoog van 28 juni 2008.)

Putnams spraakmakende conclusie was echter uitsluitend gebaseerd op onderzoek onder inwoners van de Verenigde Staten. Of de conclusie ook zou gelden voor Nederland, is een tweede. Vandaar dat Nederlandse onderzoekers zich al snel mengden in het debat. Sommigen ondersteunden de hypothese van Putnam, anderen relativeerden deze juist.

Ook enkele hoogleraren sociologie bemoeiden zich ermee. Jaap Dronkers stelde dat Putnam ook voor Nederland gelijk heeft, terwijl Beate Völker fikse kritiek uitte op het onderzoek van Putnam. Een groep Nijmeegse sociologen (Scheepers, Tolsma en Van der Meer) benadrukte bij herhaling dat de mate van etnische diversiteit in buurten nauwelijks een verklaring biedt voor het gebrek aan vertrouwen tussen mensen.

Nederlands onderzoek
De discussie tussen wetenschappers over de vraag of etnische diversiteit funest is voor de sociale samenhang is hiermee nog verre van beslecht. Tegen deze achtergrond hebben wij uitgebreid empirisch onderzoek gedaan, waarbij we gebruik maakten van een in 2004/2005 uitgevoerde survey onder de vier grootste allochtone groepen en een autochtone vergelijkingsgroep in de vijftig grootste steden van Nederland. We hebben gekeken of een etnisch gemengde buurt inderdaad invloed heeft op het vertrouwen in andere mensen, het geven van hulp aan anderen, het doen van vrijwilligerswerk en het hebben van contacten in de eigen woonbuurt met buren en buurtgenoten.

Bij de vraag of de buurt als zodanig invloed heeft, gaat het er om of het bij elkaar wonen van verschillende etnische groepen een eigen, zelfstandig effect heeft op de sociale samenhang in de buurt. Onderzoekers spreken hier van een context- of buurteffect.

Dit is wat anders dan zogenoemde samenstellingseffecten; in dat geval worden een gering onderling vertrouwen, weinig onderling hulpbetoon en gering contact veroorzaakt door de persoonlijke kenmerken van de mensen die in dergelijke buurten wonen, zoals een lage opleiding en een slechte arbeidsmarktpositie.

Putnam is het uitdrukkelijk om de buurteffecten te doen: juist de concentratie van mensen in kwetsbare posities, ook nog eens uit verschillende etnische groeperingen – die wellicht in veel gevallen elkaars taal niet spreken – leidt tot minder sociale samenhang in de buurt. De buurt op zichzelf heeft dan een negatief effect.

Het is belangrijk dit onderscheid te maken met het oog op de beleidsvraag die aan deze problematiek is verbonden: hoe moet worden ingegrepen? Moet er iets aan de samenstelling van de buurt veranderen (minder diversiteit) of moeten inspanningen meer gericht zijn op emancipatie van individuele bewoners (bijvoorbeeld betere scholing)?

Spraakverwarring
Precies op dit punt constateren wij dat er nogal eens spraakverwarring is tussen onderzoekers en beleidsmakers. Hier moeten wij als onderzoekers ook de hand in eigen boezem steken. Wij zijn klaarblijkelijk niet voldoende in staat dit onderscheid duidelijk te maken. Verschillen zijn er immers tussen buurten. En het is een feit dat in een buurt met veel bewoners in achterstandsposities minder vertrouwen is.

Dat wil echter nog niet zeggen dat de buurt het probleem veroorzaakt. Pas als de buurt de oorzaak zou zijn, heeft het zin iets te veranderen aan de samenstelling van de buurt. Dan verklein je immers het probleem door kwetsbare groepen in een andere buurt te huisvesten. Anders is er alleen sprake van verplaatsing van de problemen.

Wat zijn de belangrijkste conclusies van ons onderzoek? We vonden vooral aanwijzingen dat de ‘Putnam-hypothese’ in Nederland veel minder geldig is. De mate van etnische diversiteit in buurten blijkt nauwelijks een verklaring te zijn voor het gebrek aan vertrouwen tussen mensen.

Vertrouwen
Wat beïnvloedt vertrouwen dan wel?
   De kenmerken van de individuele bewoners (en dan met name hun achterstandspositie in het onderwijs en op de arbeidsmarkt) zijn veel belangrijker dan de samenstelling van de buurt, zo blijkt. Putnam’s eigen analyse wijst daar overigens ook op. In de publicaties over zijn onderzoek klonk echter vooral – en niet in de laatste plaats door hem zelf aangewakkerd – het effect van de buurt door. Zo stelde Putnam in interviews dat ‘etnische diversiteit de factor is die het meest wordt geassocieerd met sociaal isolement’, hoewel in zijn eigen analyse allerlei andere factoren doorslaggevender bleken.

We vonden verder geen effect van etnische diversiteit in de buurt op de mate waarin mensen zich via vrijwilligerswerk inzetten voor anderen, geen effect op het onderling vertrouwen van de bewoners en geen effect op het geven van informele hulp. Dat men in een etnisch diverse buurt woont, bepaalt met andere woorden niet dat er minder vertrouwen is of minder hulp wordt verleend.

Achterstandspositie
Er is weliswaar sprake van minder sociale cohesie in etnisch diverse buurten, maar dat komt doordat er nu eenmaal meer mensen wonen die in een achterstandspositie zitten. En dáár zijn verschillen tussen buurten toe te herleiden.

Het heeft met andere woorden te maken met de kenmerken van de mensen die er wonen. Als het vertrouwen tussen mensen moet worden vergroot, dient er dus te worden geïnvesteerd in de bewoners. Een hoger opleidingsniveau en minder werkloosheid zullen positieve gevolgen hebben voor het wederzijdse vertrouwen en het onderlinge hulpbetoon.

Op één punt ondersteunen onze bevindingen die van Putnam: etnische diversiteit werkt ongunstig uit op contacten in de buurt en contacten met de directe buren. Hier vinden we een zelfstandig ‘buurteffect’ dat niet uitsluitend is toe te schrijven aan de kenmerken van bewoners. Eerder SCP-onderzoek wees ook al op een soortgelijke bevinding; in concentratiebuurten is er minder contact tussen allochtonen en autochtonen dan in witte buurten.

Maar ook hier bleken individuele kenmerken (van zowel allochtonen als autochtonen) zeer belangrijk: vooral een hoger opleidingsniveau draagt er toe bij dat men eerder geneigd is contact te zoeken met andere etnische groepen.

Al met al concluderen we dat het belang dat sinds Putnam’s studie aan de betekenis van de buurt wordt toegekend nogal overdreven aandoet. Het zijn vooral individuele kenmerken die bepalend zijn voor het vertrouwen dat men in anderen heeft, de mate waarin men vrijwilligerswerk doet en de informele hulp die men biedt. Zelfs wanneer het gaat om contacten in de buurt en met buren zijn individuele kenmerken – en het opleidingsniveau in het bijzonder – van groter gewicht dan de buurt waarin men woont. Dit laatste punt komt ook al bij Putnam zelf naar voren, maar blijft in de huidige discussie onderbelicht.

Sensationele conclusie
Het is opmerkelijk dat media en politiek alle aandacht geven aan een sensationele conclusie die – zeker voor de Nederlandse situatie – onvoldoende kan worden onderbouwd. Amerikaanse onderzoeksbevindingen zijn niet zomaar over te planten naar de Nederlandse context. De situatie in de VS is wezenlijk anders dan die in Nederland.

Allereerst al vanwege de grote verschillen in schaal. Daarnaast bestaan ‘mono-etnische buurten’ (in meerderheid bevolkt door één bevolkingsgroep) zoals in de VS hier – op een paar uitzonderingen na – niet of nauwelijks. Buurten die in Nederlandse steden een hoge concentratie niet-westerse allochtonen kennen, zijn bijna per definitie buurten met veel verschillende etnische groepen.

De discussie lijkt misschien academisch, maar gezien de problematiek in veel buurten in de grote steden en de intense beleidsaandacht ervoor is het uitermate relevant de vraag te beantwoorden waarop je zou moeten aangrijpen: de buurt of de mensen die er wonen. Onze bevindingen wijzen erop dat het bij de sociale cohesie overwegend gaat om kenmerken van mensen. Het bestrijden van achterstanden door onderwijs of toeleiding naar werk zijn dan belangrijker dan maatregelen op het niveau van een wijk of buurt.

Het investeren in mensen staat voorop. Dat zorgt er ook voor dat concentraties van sociaal-economische achterstanden in buurten worden tegengegaan, waardoor op hun beurt buurten leefbaarder worden.

Het actief veranderen van de bevolkingssamenstelling, bijvoorbeeld via herstructurering, kan dit proces versnellen. Vooral als dit gepaard gaat met aanbod van woningen voor kwetsbare groepen in middenklassebuurten (zodat geen verplaatsing optreedt naar andere probleembuurten). Hier zien wij wel de noodzaak van op wijken en buurten gericht beleid.

Investeringen zijn van belang om de leefbaarheid in achterstandsbuurten op peil te krijgen en houden, om de buurt schoon en veilig te maken en om belangrijke voorzieningen (als winkels en scholen) voor de buurt te behouden of terug te krijgen. Deze kwetsbare buurten met een opeenhoping van sociale problemen kunnen niet aan hun lot worden overgelaten.

We zijn niet erg optimistisch over de mogelijkheid de sociale samenhang door wijkgerichte initiatieven daadwerkelijk te bevorderen. Dit geldt ook voor beleidsinitiatieven om contact tussen bevolkingsgroepen te stimuleren. Deze initiatieven zijn de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond geschoten, maar er is weinig zicht op de effectiviteit van dergelijke maatregelen.

We moeten ons, met andere woorden, niet blind staren op de effecten van wijkgericht beleid. Het resultaat zal beperkt zijn als dit beleid niet samengaat met investeringen in de bewoners.


Copyright: Gijsberts, Mérove;Meer, Tom van der;Dagevos, Jaco

Mérove Gijsberts, Tom van der Meer en Jaco Dagevos zijn verbonden aan het Sociaal en Cultureel Planbureau. Het artikel is een bewerking van een studie die is verschenen in het Sociaal en Cultureel Rapport 2008 (zie www.scp.nl).

Tussenstuk:
Sociaal kapitaal

Robert Putnam, als socioloog verbonden aan Harvard University, schrijft sinds 1993 over sociaal kapitaal. In 1996 verscheen van zijn hand het geruchtmakende artikel Bowling Alone. In 2000 volgde het boek met dezelfde titel, waarin hij het artikel uitwerkte en zijn critici antwoordde. Putnam zet zich actief in om het sociaal kapitaal in de VS weer te laten toenemen. Dat resulteerde in het boek Better Together (2003) met voorbeelden van nieuwe sociaal kapitaalvorming.

Over zijn artikel ‘E pluribus unum’ debatteerde hij vorig jaar in de Rode Hoed in Amsterdam. Staatssecretaris Jet Bussemaker maakt zich zorgen over de toenemende kloof tussen mensen die het druk hebben met werk, kinderen en hobby’s, en anderen (ouderen, zieken en gehandicapten) die steeds verder vereenzamen. Vaak leven bewoners zo langs elkaar heen dat zij zelfs geen conflicten meer aangaan. Dat is slecht voor een buurt. Bussemaker wilde nagaan wat gemeenten en de nationale overheid kunnen doen met Putnams bevindingen.

Nadat Putnam de zaal ervan had overtuigd dat toenemende diversiteit in een gemeenschap direct zorgt voor een afnemend vertrouwen in andere leden van die gemeenschap, gaf hij zijn publiek een positieve boodschap mee. Putnam voerde de opkomst van Obama aan als bewijs ‘dat jarenlang actief integratie- en emancipatiebeleid werkt’.

Bussemaker zei een belangrijke rol te zien voor sport: Afellay en Boulahrouz doen voor de Marokkaanse gemeenschap wat Gullit en Rijkaard in de jaren tachtig voor de Surinamers deden.


IRP:   Kijk in VK archief op Dagevos: multiculti verhalen. Komt vanzelf goed



Naar Multiculturalisme, campagne , Multiculturalisme , Allochtonen overzicht  , Sociologie lijst  , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]