De Volkskrant, 19-11-2010, boekrecensie door Anet Bleich .2009

Non-fictie | Grauwsluiers over de bezetting van Nederland

Vreemd smakende omelet van fout en goed

In de chaos van een oorlog gebeuren de meest onwaarschijnlijke dingen. In nieuwe publicaties over de Tweede Wereldoorlog wordt de schijnwerper steeds vaker gericht op uitzonderlijke, bizarre verschijnselen, zoals Joden die andere Joden verklikten.

Tussentitel: 102.000 Joden vermoord, dat verhaal kennen we al.

‘Koffer uit Berlijn geeft een onthutsend beeld van een wereld waarin waanzin en normaliteit hand in hand gaan, en waar goed en fout dicht bij elkaar liggen.’ Zo luidt de tekst op de achterflap. ‘Te midden van het oorlogsgeweld houdt Nico zich staande door contacten met een NSB’er en vriendschappen met Duitsers.’ Ha! Lekker verwarrend en niet zwart-wit maar fijn ‘grijs’. Zo hebben we het graag tegenwoordig.

Je wilt over die verdomde oorlog, waarover nog steeds ongelooflijk veel boeken verschijnen, wel es iets nieuws, iets onverwachts horen. Als het er dan toch over moet gaan, dan liever een spannend verhaal met een prikkelende invalshoek. En wat is dan boeiender dan het perspectief een keer om te draaien en en passant nog een paar taboes te doorbreken, met onthullingen over Joodse verraders of gewetensvolle SS’ers?

Zulke verhalen zijn er, want in de chaos van een oorlog die wij, gelukzalige vredeskinderen ons nauwelijks kunnen voorstellen, gebeuren de gekste, de meest onwaarschijnlijke dingen. Alleen blijft het altijd de vraag wat zulke uitzonderlijke geschiedenissen bijdragen aan het begrip van die voorbije oorlog.

Koffer uit Berlijn is minder sensationeel en veel beter dan de achterflap suggereert. Schrijfster Kristine Groenhart reconstrueert de oorlogservaringen van haar oom Nico aan de hand van zijn dagboekaantekeningen en de correspondentie tussen hem en zijn ouders in Dordrecht. De student scheepsbouwkunde Nico Groenhart werd in april 1943 geconfronteerd met de eis dat studenten om hun opleiding te kunnen blijven volgen een loyaliteitsverklaring aan het bezettingsregime moesten tekenen. De leiding van de Delftse universiteit drong op tekenen aan, het studentenverzet riep op om het niet te doen. Nico weigerde aanvankelijk, tekende op het laatste moment toch, maar hij was er te laat mee en belandde als dwangarbeider bij de Rheinmetall-Borsig AG even buiten Berlijn.

Het mooie aan de vele citaten uit brieven die Nico uit Berlijn naar huis stuurde, is dat ze een zuiver, ongekunsteld beeld geven van wat hij daar als dwangarbeider en tijdelijk bewoner van de regio rond Berlijn allemaal beleefde. In het begin viel het nog enigszins mee, er werkten meer Nederlandse studenten, de jongens probeerden hun barak zo gezellig mogelijk te maken en er was genoeg te eten. ‘Nico geniet als stadskind van de mooie natuur rondom Tegel. Hij plukt bosbessen en frambozen in het bos en staat oog in oog met een hert. ‘Ik was er stil van, zoiets moois had ik nog nooit gezien.’ ’

Het leven werd een stuk minder dragelijk toen hij samen met een vriend werd opgepakt (ze hadden een nacht in de fabriek geslapen, wat niet mocht) en naar een heropvoedingskamp gestuurd, waar het eten slecht en het werk erg zwaar was en waar Nico ernstig ziek werd. Vandaar kon hij wel weer naar een andere fabriek, maar het alledaagse bestaan was intussen gevaarlijk geworden door de steeds heviger bombardementen.

Nico voelde zich alleen en gedesoriënteerd. Zijn jeugdige onbevangenheid raakte hij kwijt. ‘Ik ben nog steeds zo’n heel klein jongetje’, schreef hij in oktober 1944, ‘dat zo vreselijk veel van zijn moeder houdt. Dat nu echter in de ogen van de mensen een man is opeens (...) Dat eigenlijk niet goed weet wat hij (...) moet aanvangen te meer waar alles dat tot nu toe zijn leven vormde en hem bezighield, weggeslagen werd.’ Mooi!

In april 1945 werd hij door de Russen bevrijd en keerde naar allerlei omzwervingen en avonturen naar huis terug. Hij hervatte zijn studie, maar kon er de rust niet meer voor vinden. De oorlogservaringen, waarover hij met zijn nichtje maar zelden sprak, hadden zijn leven definitief omgewoeld.

In Fout en niet goed – De vervolging van collaboratie en verraad na de Tweede Wereldoorlog geeft de journalist Koos Groen een zeer uitvoerige beschrijving van de internering van NSB’ers vanaf 1945, de bijzondere rechtspleging waaraan verdachten van oorlogsmisdaden werden onderworpen en de zuivering bij de overheid en in het hoger onderwijs, de journalistiek en de kunstwereld.

Groens centrale stelling is dat zuivering en bijzondere rechtspleging op een fiasco zijn uitgelopen. De zuivering is naar zijn mening mislukt omdat grote collaborateurs bij overheid en bedrijfsleven vrijuit gingen, terwijl NSB’ers die weinig hadden misdaan wel zwaar zijn aangepakt. Bondig samengevat: ‘begrip voor de captains of industry, gestrengheid voor de kleine man’, oftewel: ‘deviezen vóór recht’. Iets uitvoeriger luidt de redenering: ‘De minder slimmen, die zich niet tijdig genoeg gedekt hadden met ‘illegale relaties’ en die nooit als excuus ‘het belang van Nederland’ konden hebben, zijn dus gestraft.’

Daar zit iets in; vooraanstaande functionarissen zoals de secretarissen-generaal Frederiks, Hirschfeld en Verwey die vijf jaar als doorgeefluik voor de orders van de nazi’s fungeerden, werd nadien geen strobreed in de weg gelegd; iemand als ingenieur Staf die namens de Heidemaatschappij Nederlandse boeren naar het door de Duitsers bezette deel van Rusland had gestuurd, kon in 1951 minister van Defensie worden. Terwijl intussen iedereen die als ex-NSB’er bekend stond jarenlang spitsroeden moest lopen.

Koos Groen zit er evenmin naast als hij de aanvankelijk vaak zeer slechte behandeling van de geďnterneerde NSB’ers in schrille kleuren beschrijft. Wat bewakers in die interneringskampen zich daar met name in de eerste maanden na de bevrijding hebben gepermitteerd is meer dan schandalig. Gevangenen werden met gummiknuppels geslagen en op alle mogelijke manieren vernederd; Groen maakt melding van ‘grammofoonplaat draaien’ (gebukt rondjes draaien met één vinger op de grond), opdrachten om elkaar te slaan, op handen en voeten rond te kruipen en met het hoofd tegen elkaar te botsen, dierengeluiden te maken enzovoorts. Methodes die rechtstreeks ontleend waren aan het arsenaal van de nazi’s, of misschien gewoon aan dat van De Sade. Ook kwam het voor dat geďnterneerden letterlijk aan de ketting werden gelegd of zelfs werden doodgeschoten.

Groen gaat ervan uit dat minimaal 240 gevangenen (van de in totaal naar schatting ongeveer 145.000) door geweld zijn omgekomen, en meer dan duizend anderen door ondervoeding. Vergeleken met de Duitse concentratiekampen of die uit de Goelag is dat niet veel, maar in een rechtsstaat had het nooit mogen gebeuren.

Een kritisch oordeel is dus op z'n plaats, maar jammer genoeg verliest Koos Groen als hij het zijne geeft de proporties uit het oog. Hij heeft het over ‘de concentratiekampen voor NSB’ers’, blijkbaar niet beseffend dat in de echte concentratiekampen geen sprake was van gedurende enkele maanden getolereerde excessen, maar van een welbewust van bovenaf opgelegd systeem van vernedering en ontmenselijking.

Terecht concludeert de auteur: ‘De rechtsstaat is er ook voor minder aardige mensen. De overheid is na de bevrijding op buitengewoon ernstige wijze tekortgeschoten (...).’ Het is spijtig dat onmisbare kritische kanttekeningen kennelijk steeds gepaard moeten gaan met een krampachtige ‘vergrijzing’ van het historische beeld. Zo ook bij Groen: de geďnterneerde NSB’ers hadden volgens hem ‘slechts een andere politieke overtuiging (. . .) Het is nu eenmaal zo dat de verliezer de oorlogsmisdaden heeft begaan en de collaborateurs levert.’ Ach ja, dwangarbeiders en verklikkers, concentratiekampgevangenen en collaborateurs, allemaal één pot nat. . .

Groens poging de geschiedenis te herschrijven doet bescheiden aan vergeleken met de jongste publicatie van Sytze van der Zee. Na Potgieterlaan 7, waarin hij openhartig en ontwapenend schrijft over zijn jeugd als kind van ouders die een tijd NSB-lid waren, keert Van der Zee terug naar het thema ‘Tweede Wereldoorlog’, verleid door zijn ‘levenslange fascinatie voor het verraad en het kwaad’. Vogelvrij gaat over ‘de jacht op de Joodse onderduiker’. Dat staat althans in de titel, maar het boek gaat daar maar heel ten dele over. Het begint met een poging – die vast loopt – om te achterhalen wie Anne Frank, haar familie en de andere onderduikers in het Achterhuis heeft verraden.

Vervolgens verschuift het thema en besluit de auteur zich te richten ‘op de vraag wie voor Joodse Nederlanders en Joodse onderduikers in het bijzonder de grootste bedreiging vormde’. Dat levert enkele deprimerende maar interessante portretten op van Jodenjagers bij tijdens de bezetting speciaal met dit doel gevormde politie-eenheden. Fascinerend is het verhaal van de rechercheur Adrianus Biesheuvel, naar eigen zeggen ‘geen Hitler-man’, die nadat hij voor het eerst vijf onderduikers uit een huis in Leiden had moeten ophalen om ander werk vroeg, omdat hij ‘niets met politiek te maken’ wilde heben. Maar zijn chef weigerde hem van deze opdracht te ontheffen, en na overleg met z’n vrouw besloot Biesheuvel in die situatie te berusten. Om zich daarna met grote ijver van zijn taak te kwijten; in een half jaar pakte hij met een collega circa 120 Joodse onderduikers op.

Halverwege Vogelvrij komt Van der Zee op het thema waaraan de rest van zijn boek is gewijd: Joodse verraders, lieden die als V(ertrauens)mann van de nazi-inlichtingendienst SD Joodse onderduikers aanbrachten. ‘Van lieverlee’, schrijft Van der Zee, ‘vond ik in dossiers en naslagwerken steeds meer namen en lijsten met namen van Joodse verraders, in totaal meer dan honderdtwintig’. Honderdtwintig miserabele verklikkers op de 140.000 Joodse inwoners die Nederland in 1940 telde, dat is iets minder dan 1 promille, één op de duizend. Van die 140.000 Nederlandse Joden zijn er 102.000 om het leven gebracht, vermoord. Maar dat verhaal kennen we al. Het is bovendien telkens ongeveer het zelfde: opgepakt bij een razzia, naar Westerbork, in veewagons van door Nederlandse machinisten bestuurde treinen verder naar Auschwitz of Sobibor, daar aangekomen de selectie voor de gaskamer, waarbij in Auschwitz sommigen het ‘geluk’ hadden zich nog een paar maanden te mogen doodwerken. Het is bekend.

En daarom blijkbaar veel interessanter om nu eens uitvoerig stil te staan bij die meer dan 120 Joodse verraders. Sytze van der Zee windt zich er bepaald over op dat historici als Loe de Jong en Jacques Presser daar zo weinig aandacht aan hebben besteed, bij De Jong maar drie pagina’s. Hij ontwikkelt hele psychologische theorieën waarom zij dit aspect ‘bewust (...) nagenoeg buiten beschouwing hebben gelaten’. ‘In de eerste plaats uit gęne dat Joden lotgenoten zoiets hebben aangedaan (. . .)’ Geen erg sluitende verklaring, want dan zouden die twee auteurs ook de zeer omstreden rol van de Joodse Raad moeten hebben onderbelicht, maar dat deden ze niet en beider oordeel over het optreden van de leiders van de Joodse Raad was vernietigend.

De tweede reden die Van der Zee ziet voor de door hem gesignaleerde omissie is dat De Jong en Presser zouden zijn geschrokken van ‘het na de oorlog sterk toegenomen antisemitisme’; daarom wilden ze ‘geen olie op het vuur gooien’. Deze redenering is nogal belachelijk, want de werken van De Jong en Presser verschenen in de jaren zestig (van De Jong ook nog ver daarna), toen de kortstondige naoorlogse opleving van antisemitisme al lang weer was geluwd. De enige verklaring die wel hout snijdt, namelijk dat de twee auteurs de Joodse verklikkers een marginaal verschijnsel vonden, komt kennelijk niet bij Van der Zee op.

Hij stelt vervolgens vast dat de Februaristaking de Joden niet heeft kunnen redden, omdat in Amsterdam Joden en niet-Joden ‘grotendeels langs elkaar heen leefden’. Dat zal dan wel de reden zijn geweest dat vrijwel heel Amsterdam in februari 1941 (niet 1942, zoals Van der Zee schrijft) twee dagen plat lag uit protest tegen de beginnende Jodenvervolging. Dat gebaar van menselijkheid was uniek in het bezette Europa en duidt niet op een groot isolement van de Joodse bevolkingsgroep (een isolement dat kort daarop door de bezetters helaas wel afgedwongen werd).

Van der Zee neemt stelling tegen het idee dat nogal wat van de Joodse verklikkers weinig keuze dachten te hebben omdat zij zelf en/of hun naaste familie door de SD met de dood waren bedreigd. En dat terwijl hij zelf in enkele van zijn portretten melding maakt van zulke doodsbedreigingen. Zoals in het geval van Irma Seelig, die bij haar arrestatie werd mishandeld en daarna te horen kreeg dat ze om in leven te blijven informante moest worden. De beruchte verraadster Branca Simons werd vóór ze aan haar loopbaan als aanbrengster begon een tijd in een psychiatrisch ziekenhuis behandeld nadat haar ouders en broertje waren gedeporteerd.

Van der Zee gaat er stevig tegenaan, waarbij zijn kritische vermogens hem in de steek laten. Zo verstrikt hij zich bij zijn beschrijving van Bernhard Joseph – die hij een paar jaar geleden in een Duits ziekenhuis opzocht om hem met zijn verleden als verrader te confronteren – in tegenstrijdigheden. Eerst meldt hij zonder verdere kanttekening dat Joseph en zijn zusje al gauw na 1933 in Breslau (nu Wroclaw) naar een joodse school moesten, om even later te vertellen dat Joseph bij de SD terecht kwam via een oude vriend uit de Hitlerjugend, waarbij hij zelf indertijd via z'n school terecht was gekomen. Hebben we hier soms te maken met de Joodse afdeling van de Hitlerjugend?

Het boek eindigt waar het begon: bij het verraad van de familie Frank. Van der Zee komt tot een verrassende bevinding: het was de meest beruchte Joodse verklikster Ans van Dijk die de Franks heeft verraden en vader Otto Frank wist dat al heel lang. ‘Alleen mocht dat onder geen beding bekend worden: een Joodse V-vrouw die notabene het meisje Anne Frank verraadde.’

Het is een boeiend nieuw perspectief, alleen: waar baseert Van der Zee het op? Op één uitspraak van Otto Frank, die zei te hebben gehoord dat een vrouwenstem hen telefonisch had aangegeven. En op de wetenschap dat Ans van Dijk voor haar vuile zaakjes geregeld in de buurt van de grachten kwam. Geen spoor van bewijs dus.

De historica Evelien Gans schreef onlangs een kritische beschouwing (‘Iedereen een beetje slachtoffer, iedereen een beetje dader’, De Groene Amsterdammer, 28 januari) over de ‘grijze’ benadering van de Tweede Wereldoorlog (naar Grijs verleden van Chris van der Heijden). Ze vergelijkt die ‘vergrijzing’ met ‘een schaakspel(. . .) waarvan de uitkomst er grof gezegd op neerkomt dat SS’ers best gevoelig kunnen zijn en Joden misdadig’. Dat spelletje heeft Van der Zee in Vogelvrij ad nauseam gespeeld.


IRP:   Waarom geen in de oorlog geen joodse partizanen in Rusland: het is niet hun eigen land.

 

VK, ingezonden brief van Sytze van der Zee (Amstelveen)

Tegenstrijdigheden
BRIEF, op 25 februari '10, 00:00, bijgewerkt 25 februari 2010 11:47

Naar aanleiding van Anet Bleichs recensie van mijn boek Vogelvrij (Kunst en Boeken, 20 februari) zou ik graag een en ander willen rechtzetten. Volgens Bleich ga ik er `stevig` tegenaan, waarbij mijn kritische vermogens mij in de steek laten. Zo zou ik me bij mijn beschrijving van Bernhard Joseph in `tegenstrijdigheden` hebben verstrikt. Eerst zou ik hebben geschreven dat hij en zijn zusje na 1933 naar een Joodse school in Breslau moesten, om even later te vertellen dat hij bij de SD terechtkwam via een oude schoolvriend uit de Hitlerjugend. `Hebben we hier soms te maken met de Joodse afdeling van de Hitlerjugend?` smaalt de recensente.

Maar wat Bleich schrijft, klopt niet. Ik citeer uit de verklaringen die Joseph tijdens verhoren heeft afgelegd. Eerst hing hij het verhaal op dat hij na het aan de macht komen van Hitler gedwongen werd een Joodse school te bezoeken. Later kwam hij weer met het verhaal aanzetten dat hij lid was geweest van de Hitlerjugend. Door onder meer die verklaringen tegenover elkaar te zetten, wilde ik duidelijk maken wat voor pathologische leugenaar hij was.

In haar recensie constateert Bleich verder dat ik stelling neem `tegen het idee dat nogal wat van de Joodse verklikkers weinig keuze dachten te hebben omdat zijzelf en of hun naaste familie door de SD met de dood waren bedreigd`. Maar ik neem daar helemaal geen stelling tegen. Ik begrijp heel goed dat deze verraders zich door toedoen van de SD en de Gestapo in een verschrikkelijke positie bevonden.

Bleich meent het te moeten opnemen voor verraadsters als Irma Seelig en Branca Simons door erop te wijzen dat terwijl Seelig na haar arrestatie was mishandeld, Simons eerder in een psychiatrisch ziekenhuis had gezeten. Wat wil ze daarmee eigenlijk betogen? Dat het allemaal niet zo erg was? Van `vergrijzing` gesproken. Beide vrouwen hebben wel tal van mensen verraden, Joodse onderduikers en ook verzetsmensen. Trouwens: hoe weet Bleich dat Presser en Loe de Jong het Joods verraad als `marginaal` beschouwden?


Terug naar Joods racisme , of naar site home .
 

[an error occurred while processing this directive]