Groep en individu
|
2 mei 2004 |
Eén van de zaken die in de praktijk van de maatschappelijke omgang het meest
problematisch lijkt, is het maken van een onderscheid tussen de rol van een
persoon als individu en als groepslid, deels veroorzaakt door het feit dat we
voor beide gevallen hetzelfde woord gebruiken
. Mensen zijn qua afkomst en opvoeding
sterk groepsgericht, zie Groep en samenleving
. Individualiteit is voor
het overgrote deel van de geschiedenis van de mensheid ondergeschikt geweest aan
het groepsgedrag en het groepsbelang, op een enkele uitzondering na, meestal
betreffende leiders. De moderne tijd, zeg sinds de jaren zestig, is een sterke
breuk met een zeer langdurige traditie, en individualiteit heeft daarom een
waarde gekregen die overschat is, en die het zicht op een aantal fundamentele
relaties tussen groep en individu uit het zicht heeft doen verliezen. Hier
worden die relaties weer hersteld.
Groep en individu hebben deels dezelfde en deels andere eigenschappen. Om dit
verduidelijken kiezen we een simpel gemeenschappelijke eigenschap, de
menselijke lengte, en twee duidelijk verschillende groepen: Japanners en
Nederlanders (meer realistische sociologische verschillen liggen te gevoelig om
als voorbeeld te dienen
). Een duidelijk waarneembare, en testbare, uitspraak omtrent de twee
groepen is dat Nederlanders langer zijn dan Japanners; maar wat men in feite
zegt is dat de
gemiddelde Nederlander langer is dan de gemiddelde Japanners. Het betekent niet
dat iedere willekeurige Nederlander langer
is dan iedere willekeurige Japanner. De regel zegt dus niets over een individuele
Nederlander ten opzichte van een individuele Japanner. Die individuele Japanner
kan lid zijn van het Japanse volleybal-team, en de Nederlander een dwerg.
De eerste enorme, en in het kader van het doorgeslagen individualisme
veelgemaakte, denkfout komt daar waar men uit deze laatste constatering de omgekeerde regel
formuleert: uit
het feit dat men niets kan zeggen over het geval individuele Nederlander ten
opzichte van een individuele Japanner leidt men af dat er geen regel bestaat
over de (gemiddelde) Nederlander ten opzichte van de (gemiddelde) Japanner. Deze
redenering is overduidelijk onjuist: de gemiddelde Nederlander is wel
degelijk aanzienlijk langer dan de gemiddelde Japanner, en wel zodanig
aanzienlijk, dat men er in het dagelijks gebruik er wel degelijk vanuit gaat dat
een min of meer willekeurige Nederlander langer is dan een min of meer willekeurige Japanner.
Men
kan deze regels simpel illustreren, zie de grafiekjes rechts. In de linker
overlappen de twee groepen grotendeels zodat men niets kan zeggen over
individuen uit de twee groepen; maar ook is duidelijk dat de middelpunten,
overeenkomend met de gemiddeldes, aanzienlijk verschillen. Pas als de twee
groepen in het geheel niet samenvallen, kan men iets definitiefs zeggen over de
individuen uit de twee groepen - in het rechter geval kan wel zeggen dat een
willekeurige Nederlander langer is dan een willekeurige Japanner, in het linker
geval niet.
De
grafieken in de bovenstaande illustratie zijn versimpelingen van de
sociologische beschrijving van groepen. Die beschrijving is op zich weer
gebaseerd op een stukje wiskunde, als eerste ontwikkeld De Moivre maar bekend
als de Gaussiaanse of normale verdeling
(Wikipedia) uit de berekening van de
kansen bij het werpen met dobbelstenen, waarbij een aantal dobbelstenen staat
voor een aantal individuen, en de waarde van de worp voor eigenschap als lengte.
De uitgebreidere samenvatting staat elders
, maar hier hebben we in
eerste instantie voldoende aan het grafische resultaat, de Gaussiaanse grafiek,
zie hierboven, met horizontaal de eigenschap, zeg de lengte, en verticaal de
kans daarop. Alle Gaussiaanse grafieken van dezelfde eigenschap verschillen
slechts op twee manieren: het gemiddelde en de spreiding, de breedte. En wat de
grafiek laat zien is iets dat iedereen al weet: afwijkingen van het gemiddelde
zijn zeldzamer naarmate men verder van het gemiddelde af zit. En iedereen weet
dat dat niet alleen voor lengte geldt, maar ook voor dikte, voor schoenmaat,
voor intelligentie, en nog een hele vloed aan andere menselijke en
niet-menselijke eigenschappen. De grafiek, of verdeling, is zo alom toepasbaar,
dat men het de normale verdeling heeft genoemd.
De
normale verdeling is een geleidelijke verdeling, dus zijn er geen vastomlijnde
grenzen te trekken om aan te geven waartussen de lengtes van Japanners en de Nederlanders
zich bewegen. Maar daar komt de regelmaat van de normale verdeling te hulp. Alle
eigenschappen zijn gedefinieerd door het gemiddelde en de spreiding, en de
spreiding is gedefinieerd door de gemiddelde afwijking van het gemiddelde, de standaarddeviatie
(zie voor de details hier
). Dus
alles wat we hoeven te doen is in zowel de grafiek van de Japanners als de
Nederlanders een punt te kiezen met dezelfde waarde voor de standaarddeviatie.
Dat kan een van de gehele waarden zijn, 1 voor de tweederde van de bevolking, of
de 2 voor de 95 procent van de bevolking, of wat voor waarde dan ook, als je
maar voor Japanners en Nederlanders dezelfde waarde neemt. In dit geval zou je
zo veel mogelijk van de bevolking mee willen nemen, dus is 2 een
logische keuze. Het stukje lijn van -2 to +2 in de Gaussiaanse grafiek boven komt
dan overeen met de balkjes in de eerste figuur, zeg de bovenste
voor de Japanners en de onderste voor de Nederlanders .
Wat geldt voor de lengte van Nederlanders en Japanners, geldt voor vrijwel alle
eigenschappen van groepen. De eerste belangrijke les daaruit voor toepassing in de wat gevoeligere
situaties is dat het bestaan van welke hoeveelheid uitzonderingen op de regel
dan ook, dit op geen enkele wijze een ontkrachting is van het feit dat de
gemiddelden een verschillende waarde hebben. Neem als voorbeeld van een gevoelig
dossier dat van een verschil in criminaliteit tussen twee groepen. Bij de ene
groep, A, is 1 op de 1000 crimineel, en bij de tweede, B, is 2 op de
1000 crimineel. Men kan dat dus vertalen als: de ene groep is tweemaal zo
crimineel als de andere. Door degenen die bezwaar hebben tegen deze vormen van
sociologie wordt dit bestreden met eindeloos veel verhalen over het aantal
mensen binnen groep B die niet crimineel zijn. Al die verhalen kloppen, net als
de verhalen over Japanners die langer zijn dan Nederlanders kloppen - maar
het heeft op geen enkele wijze gevolg voor de conclusie over de groepseigenschap,
oftewel voor het gemiddelde: groep B blijft tweemaal zo crimineel als
groep A.
Een andere belangrijke conclusie uit dit verhaal is dat het in de meeste
gevallen onmogelijk is regels voor grotere groepen te ontwerpen die voor
iedereen goed werken. Iedere regel trekt een grens, en het trekken van een grens
in een Gaussiaanse grafiek snijdt altijd door de grafiek, er zijn altijd mensen
die er ten onrechte buiten vallen, en mensen die er ten onrechte binnen vallen.
Het enige dat men dan kan doen is redelijke grenzen stellen, bijvoorbeeld 1 of 2
standaarddeviaties, afhankelijk van het soort eigenschap, en de degene die
erbuiten vallen te behandelen op individuele basis. De schoenfabrikant maakt
schoenmachines voor de meeste gewone maten, maar de echte afwijkingen moeten
maar geholpen worden door een schoenmaker die met de hand werkt.
Deze en soortgelijke regels zijn essentieel voor het begrip van hoe de
maatschappij werkt, dat wil zeggen de sociologie, en ze zijn nog essentiëler
voor iedere poging de werking van de maatschappij te reguleren, dat wil zeggen
voor de politiek. Een socioloog of politicus die deze kennis niet als werkende
kennis bezit, is door enkel en alleen dit feit volkomen ongeschikt voor zijn
werk of functie. Deze eventuele onkunde kan herkend worden door gebruik van de volgende
drogredenen, hier weer in de vorm van het "lengte"-voorbeeld:
1: Er zijn ook lange Japanners, en/of er zijn ook korte Nederlanders.
2: Er zijn lange en korte Japanners, en lange en korte Nederlanders, dus er is
geen verschil
tussen Japanners en Nederlanders.
De hoofdredacteur heeft zeer vele malen meegemaakt dat mensen werkzaam in
sociologische wetenschappen of beroepen, en politici en beleidsmakers, de wetten
van de Gaussiaanse verdeling met voeten traden, en
de genoemde drogredenen debiteerden, al dan niet in combinatie
. De meest voorkomende recente
gevallen spelen zich af in het integratiedebat. Met grote hardnekkigheid blijft men keer op keer wijzen op het
bestaan van vele niet-criminele, goed-Nederlands pratende, goed geïntegreerde allochtonen, en dat dit even zo vele
redenen zijn om te ontkennen dat er sprake is van een verschil tussen
allochtonen en autochtonen. Het bovenstaande heeft laten zien dat dit
wetenschappelijk gezien de puurste onzin is, en enkel wijst op gebrekkige
vakkennis
. Het enige dat in dit soort discussies telt, zijn
de gemiddelden, en eventueel de spreiding, en de conclusies die men daaraan
wenst te verbinden. Dat wil niet zeggen dat men geen voorbeelden mag gebruiken
om de regels te illustreren, maar alleen dat men die voorbeelden niet mag gebruiken
om de waargenomen regels omtrent gemiddelden te ontkennen.
De vermoedelijk belangrijkste reden dat deze sociologische aanpak tot nu toe
zo weinig ingang heeft gevonden, ligt aan het bewuste of onbewuste besef dat
datgene dat hier besproken is voor onschuldige eigenschappen als lengte, en een
al wat minder onschuldigere eigenschap als de neiging tot crimineel gedrag, ook geldt voor
eigenschappen direct verboden aan de begrippen cultuur en ras. Daarover wat meer
hier
.
Naar Groep en
samenleving
, Gedragsonderscheid en rasonderscheid
, Sociologie lijst
, Sociologie overzicht
, of site home
.
|