Volkskrant, 27-05-2006, .2006

Kinderen uit arme gezinnen doen niet erg mee

Van onze verslaggeversBart Dirks, Aimée Kiene Bart Dirks, Aimée Kiene
gepubliceerd op 11 mei 2009 20:47, bijgewerkt op 20:49

DEN HAAG - Een half miljoen van de 2,5 miljoen kinderen tussen de 5 en 18 jaar zit niet op sport, muziekles of scouting. Vaak is dat te wijten aan geldgebrek: het percentage arme kinderen dat helemaal niets doet in de vrije tijd (34 procent) is twee keer zo hoog als dat van niet-arme kinderen (17 procent).

Dit blijkt uit de studie Kunnen alle kinderen meedoen? die vandaag wordt gepresenteerd door het Sociaal en Cultureel Planbureau.

Opgroeien in armoede – het SCP hanteert de grens van een huishoudinkomen tot 120 procent van het sociaal minimum – heeft negatieve gevolgen voor kinderen. Uit eerder onderzoek blijkt dat het effect heeft op sociaal, emotioneel, cognitief en lichamelijk vlak.

Nederland telt 343 duizend arme kinderen tussen de 5 en 18 jaar, ofwel 14 procent van die leeftijdsgroep. Daaronder vallen veel niet-westerse allochtonen (130 duizend), kinderen van eenoudergezinnen (182 duizend) en kinderen uit bijstandsgezinnen (132 duizend).

Uit de SCP-studie blijkt dat vooral bijstandskinderen niet ‘maatschappelijk actief’ zijn. Van de bijstandskinderen doet 44 procent aan sport en 12 procent aan een culturele activiteit. Van de ‘overige arme’ gezinnen (iets boven bijstandsniveau) zit 60 procent op sport en is 22 procent cultureel actief. De niet-arme kinderen zijn veruit het actiefst: 77 procent zit op sport, 26 procent doet een culturele activiteit.

Ook bij andere vormen van vrijetijdsbesteding komen bijstandskinderen er slecht vanaf. Ze gaan minder vaak op vakantie, maken minder vaak uitstapjes. Ook vieren zij minder vaak hun verjaardag.
 



Terug naar   , lijst , overzicht   , of naar site home . uitleg of detail
 

[an error occurred while processing this directive]