De Volkskrant, 16-12-2011, door Jan Drentje, docent theoretische geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, en Hans van den Heuvel, emeritus hoogleraar beleidswetenschap aan de VU Amsterdam. 18 dec.2011

Er wįs geen vacature bij de Raad van State

De personeelsadvertentie van de Raad van State was het slechtst denkbare afscheidscadeau voor de scheidende vice-voorzitter Herman Tjeenk Willink.

De zaak is dus in kannen en kruiken: Donner wordt benoemd tot vice-voorzitter van de Raad van State. De feodale benoemingencarrousel uit de tijd van de Republiek ligt meer dan tweehonderd jaar achter ons, maar in het vergeven van belangrijke overheidsfuncties zijn we nog niet erg veel opgeschoten.

Deze politieke benoeming is formeel afgedekt met behulp van een 'transparante' procedure: de zaak werd in handen gegeven van minister Opstelten om te voorkomen dat Donner zichzelf moest benoemen, en er verscheen een keurige advertentie. Transparant was de gang van zaken zeker: een aantal burgers schreef uit protest een sollicitatiebrief. Zij wachten nog op een bewijs van ontvangst, wat hun vermoeden bevestigde dat de advertentie betekenisloos was. Wijselijk solliciteerde Ernst Hirsch Ballin niet, aangezien zijn kandidatuur voor minister Verhagen onaanvaardbaar was.

Een slechter afscheidscadeau aan Herman Tjeenk Willink is moeilijk denkbaar. Jaar in jaar uit heeft deze integere jurist in de jaarverslagen van de Raad zijn zorgen uitgesproken over de erosie van de beginselen van de rechtsstaat. In de ambtenarij nam de kennis van de geschiedenis van de staatsinrichting af waardoor vaak gelegenheidswetgeving tot stand kwam die de relatie tussen overheid en burger frustreerde. Meer in het algemeen was de overheid zich er te weinig van bewust hoe belangrijk haar publiekrechtelijke functie was - in het defensief gedrongen door de mode van privatisering van overheidstaken. Het vertrouwen van burgers in de overheid staat op het spel als privatisering leidt tot zelfverrijking van bestuurders zoals recent bijvoorbeeld bij het COA aan het licht kwam.

Het benoemen van overheidsfunctionarissen is een van de kernpunten in het proces van modernisering van staten sinds de late achttiende eeuw. Niet een familieband of cliėntisme moest de doorslag geven, maar de geschiktheid van een kandidaat voor het betreffende ambt. La carričre ouverte aux talents, klonk het in de Franse Revolutie.

Het heeft lang geduurd voordat vacaturestelling en sollicitatieprocedures bij de overheid zich los hebben weten te maken van allerlei oligarchische praktijken. Bij een aantal cruciale functies is dit bovendien niet gelukt omdat politieke machtsverhoudingen hier een rol speelden. Bekend in Nederland waren de politieke benoemingen van burgemeesters en tot op heden de commissarissen van de koningin.

Recent heeft Hans Wiegel in de media nog eens verwoord hoe hij destijds als minister een nieuwe vice-voorzitter van de Raad van State aanzocht. Voor de camera een man van het volk, en achter gesloten deuren een regent die het bestuur graag in bekende handen houdt.

Nu zegt de wijze van benoeming op zichzelf niets over de kwaliteit van de kandidaten. Waar het om gaat, is dat publieke functies hier onderdeel worden van oligarchische praktijken die haaks staan op principes van openbaarheid, toetsing van geschiktheid en 'transparantie' in de benoemingsprocedure. Het huidige kabinet heeft voor een mengvorm gekozen: een ouderwets regenteske benoeming achter gesloten deuren, afgedekt met een moderne advertentie: een schaamlap als cadeau aan de scheidende vice-voorzitter.


Tussenstu:
Een klinkende regentennaam

Zoals in de regententijd, gaat het niet om de meest geschikte kandidaat, maar om afkomst, om politieke afkomst wel te verstaan, waarin het gaat om partijpolitieke verdienste en om behoud van politieke systeemmacht. En Donner behoort kennelijk tot de juiste partij, bovendien afkomstig uit een 'vooraanstaande regentenfamilie' van onder meer juristen, politici en bestuurders. Met zijn benoeming zou niet alleen een 'eerbiedwaardige' familietraditie worden voortgezet, ook aan de Oranjes zou opnieuw eer en waardigheid worden bewezen. Het was immers een van zijn voorouders, de predikant en politicus Johannes Hendricus Donner (1824-1903), die op Prinsjesdag - 21 september 1897 - na het voorlezen van de troonrede door regentesse Emma in het bijzijn van de jonge koningin Wilhelmina vanuit de voorste bankjes spontaan 'Lang leve de koningin' riep. Hij vestigde daarmee een traditie die tot op de dag van vandaag voortleeft, zij het dat de exclamatie nu is voorbehouden aan de voorzitter van de Verenigde Vergadering der Staten-Generaal.




Naar Houding top I, moraal , Houding top I , Sociologie lijst  , Sociologie overzicht  , of site home .
 

[an error occurred while processing this directive]