|
De Volkskrant, 09-07-2008, door Theo Bovens e.a. |
18 jul.2008 |
Globaliseren moet, in stapjes
De overheid moet de angst voor globalisering serieus nemen, maar niet vervallen
in conservatisme, betogen Theo Bovens e.a.
Tussentitel: Het verzet tegen globalisering ‘achterlijk’ noemen, is
kortzichtig
Uit het recente Ierse ‘nee’ tegen het Verdrag van Lissabon, blijkt wederom dat
er een sterker maatschappelijk draagvlak voor globalisering nodig is. Het was
een ‘nee’ dat, evenals eerder in Frankrijk en Nederland, niets te maken had met
een specifiek verdrag, maar alles met de Europese eenwording als zodanig. En die
eenwording is op zijn beurt zowel een reactie op als een onderdeel van
globalisering.
Veel bestuurders en commentatoren vinden het lastig te
reageren op dit protest. Hoe is het mogelijk dat zo’n Ierland zich verzet tegen
de Europese eenwording? De Ierse welvaart is te danken aan directe Europese
steun, en een gevolg van het vrije verkeer van producten, kapitaal en mensen.
Dat gold ook voor Nederland en Frankrijk; eveneens behorend tot de rijkste
landen ter wereld. Waarom wijzen mensen iets af dat ‘evident’ en ‘objectief’
goed voor hen is?
In het recente SER-advies over dit onderwerp onderscheiden we
drie vormen van ‘globaliseringsstress’: het verzet tegen de groeiende
verwevenheid van kapitaal-, product- en arbeidsmarkten in de wereld. Allereerst
is er de kritiek van links, met name in delen van de milieubeweging. Door hen
wordt globalisering beschouwd als de ultieme vorm van het kapitalisme, met de
daarbij horende uitbuiting van mens en natuur.
Het valt niet te ontkennen dat snelle globalisering, vooral
in landen waar wet- en regelgeving niet op peil zijn, erbarmelijke
arbeidsomstandigheden en milieuvervuiling verder kan doen toenemen. Juist
internationale samenwerking en de daarbij behorende internationale verdragen en
transparantie helpen dergelijke vormen van uitbuiting tegen te gaan. Dat dit
geen illusie is, blijkt in toenemende mate uit studies van de effecten van
offshoring (het verplaatsen van bedrijfsactiviteiten naar lage lonenlanden,
red).
De tweede categorie van verzet en stress ligt bij de
‘verliezers’: diegenen die niet of onvoldoende profiteren van de geweldige
economische groei in de afgelopen decennia. Die verliezers zijn natuurlijk
talrijk in een aantal ontwikkelingslanden (alhoewel lang niet alle, denk aan
China en India), maar ook in het ‘rijke Westen’. Als je 57 bent en net je baan
hebt verloren als gevolg van offshoring, met nauwelijks recht op WW en met niets
anders dan de sociale dienst in het verschiet, dan ziet de geglobaliseerde
wereld er even minder zonnig uit. Ook hier bestaat maar een oplossing: overheden
moeten hun eigen beleidsruimte benutten om het aantal verliezers als gevolg van
economische verschuivingen te minimaliseren. Die ruimte is in Nederland meer dan
toereikend.
Voor ontwikkelingslanden geldt dat het rijke Sesten zijn hulp
tevens moet richten op het ondersteunen van mogelijke negatieve sociale
neveneffecten van globalisering. Uiteraard vereist dit een aanpassing van het
huidige ontwikkelingsbeleid dat vaak niet gericht is op de landen waar
globalisering de meeste verliezers maakt.
De derde, en niet de minste vorm van globaliseringsstress is
echter minder eenvoudig te duiden. Het gaat hier in sociaal-economische termen
juist om ‘winnaars’: mensen die ondubbelzinnig geprofiteerd hebben van de
economische groei, die op zijn beurt weer het gevolg is van de geweldige groei
van het handels- en kapitaalverkeer in de afgelopen jaren. De neveneffecten van
die groei worden door hen echter bijzonder negatief ingeschat.
Die neveneffecten zijn te typeren als de afbrokkeling van de
vertrouwde sociale omgeving. Historisch gezien zijn vrijwel alle mensen altijd
afhankelijk geweest van de gemeenschap waarin ze leefden en werkten. Familie,
stam, dorp, bedrijf of de natiestaat: binnen gemeenschappen verwierven mensen
hun bestaansrecht, bestaanszekerheid en identiteit. Deze band met de gemeenschap
levert naast bestaanszekerheid en identiteit een groot aantal positieve effecten
op: verantwoordelijkheidsbesef, betrokkenheid en geborgenheid, zijn de
belangrijkste.
‘Globalisering’ betekent dat deze traditionele verbanden hun
invloed en betekenis verliezen. Ook de natiestaat heeft in veel opzichten aan
macht ingeboet: een toenemend aantal regels wordt niet meer in Den Haag, maar op
abstract EU-niveau of zelfs daarbuiten, bijvoorbeeld in de WTO, bepaald. Voor
bedrijven geldt dat zij in hoge mate afhankelijk zijn van besluitvorming over
kapitaalstromen waar ze weinig of geen enkele invloed op kunnen uitoefenen. Het
feit dat een bepaalde vestiging of divisie goed draait en zelfs voor een flinke
winst zorgt, is geen enkele garantie meer voor voortbestaan. Hoewel substantiële
nationale beleidsruimte blijft bestaan en deze zorg dus niet altijd reëel is,
blijft de perceptie van onmacht en afhankelijkheid bij burgers en politici een
realiteit.
Invloed en macht verschuiven niet alleen naar hoofdkantoren
in de wereld van politiek en kapitaal: het individu zelf krijgt meer
verantwoordelijkheid opgelegd voor zijn leven en zijn keuzen. Al decennialang
worden mensen er op gewezen dat de ‘baan voor het leven’ een fictie is. De
hedendaagse werknemer moet zich opstellen als de ‘BV-ik’ en de regie van zijn
loopbaan in eigen handen nemen. Loyaliteit richting het bedrijf is een zakelijke
voetnoot geworden.
De spagaat is voor vele burgers merkbaar. Enerzijds
profiteren zij volop als individuele producenten en consumenten van de
veranderingen in het economisch systeem. Anderzijds zien zij met de instroom van
vele categorieën nieuwe Nederlanders de vertrouwde gemeenschappen afbrokkelen,
en daarmee wankelen de vertrouwde identiteiten. Deels is dit natuurlijk al
eerder ingezet met de verdwijning van de verzuiling.
De frustratie die dit afbrokkelingsproces met zich meebrengt,
is op allerlei terreinen merkbaar. Zo ontstaat er een defensieve, naar binnen
gerichte sfeer, en op bepaalde plekken neemt het chauvinisme toe (‘Trots op
Nederland’, ‘VOC-mentaliteit gewenst’, ‘onze jongens moeten het Wilhelmus
meezingen’). Dit gaat gepaard met een wantrouwen tegen alles wat ‘van buiten’
komt. En er ontstaat een terugkerend verlangen naar de kleinschaligheid en het
fatsoen van vroeger; toen geluk en beleefdheid nog heel gewoon waren (en
welvaart veel minder). Niet voor niets zijn de kleine scholen zoals gymnasia
weer ongekend populair, en niet voor niets zien we de snelle opkomst van ‘gated
communities’ als nieuwe woonvorm.
Natuurlijk zouden juist nieuwe generaties open grenzen moeten
verwelkomen en economische verworvenheden niet achteloos moeten incasseren. Dat
ze dat niet doen betekent deels dat de positieve boodschap niet aankomt, maar
vooral dat de overheid onvoldoende antwoord biedt op de reële zorgen over de
snel veranderende sociale omgeving.
Het is zinloos en kortzichtig om dit sociaal-culturele verzet
tegen globalisering als ‘irrationeel’ of ‘achterlijk’ te bestempelen, zoals de
gevestigde politieke orde nogal eens doet. Stap één is dus het herkennen van de
wortels van deze brede vormen van verzet en erkennen dat ze horen bij het
globaliseringsproces. De belangrijkste les voor de politieke elite is dat mensen
tijd nodig hebben om aan nieuwe instituties en identiteiten te wennen terwijl
oude al aan het verdwijnen zijn. Onze identiteit, ons Nederlanderschap, zal mee
moeten groeien met de globalisering. In plaats van zich te verstrikken in een
verwarrende en behoudende discussie over wat nu echt Nederlands is, moeten ook
de overheid uitdragen dat onze verschillende identiteiten – van dorpsbewoner tot
wereldburger – samen gaan.
Een te hoog tempo van politieke ambities of tegenstrijdige
maatregelen voor integratie en globalisering kunnen juist het veranderingsproces
blokkeren. Zo moet de EU het ‘nee’ nooit proberen te compenseren met meer
regionaal steunbeleid, of, zoals Nicolas Sarkozy bij het Franse voorzitterschap
van de EU deze week suggereerde, proberen ‘om de burgers meer bescherming te
bieden’. Ook Den Haag moet zich niet ambivalent opstellen maar slechts daar waar
echt negatieve effecten optreden, steun bieden. Laten we er maar aan wennen:
‘Europa’ en ‘globalisering’ zullen vooralsnog even noodzakelijk als impopulair
zijn.
Theo Bovens (Open Universiteit), Louise O. Fresco (Universiteit van Amsterdam)
en Marco Wilke (Nicis) zijn Kroonleden van de de Sociaal Economische Raad.
Naar Klassenstrijd, globalisering, pro
,
Sociologie lijst
, Sociologie overzicht
, of site home
.
|