MENU's
RIJNLANDMODEL
 
  MENU - KEUZE  
RIJNLANDMODEL  

Bronnen bij Meritocratie: Cito tegenstanders

28 dec.2009

De weerstand vanuit kringen van alfa/gamma intellectuelen tegen de Cito-toets is al oud, zoals uit de volgende bron ook zal blijken, net als de meest recente aanleiding om er extra hard tegenin te gaan:
 

Uit: De Volkskrant, 08-02-2006, hoofdredactioneel commentaar

Het gezag van een cijfer

Deze week maken 162 duizend kinderen de Citotoets, veertig jaar na de eerste proef in Amsterdam. De geestelijk vader van de toets, de befaamde psycholoog A.D. de Groot, moest begin jaren zestig veel weerstand overwinnen. In onderwijskringen werd het nogal oppervlakkig en Amerikaans-ordinair gevonden om het potentieel van een leerling in één cijfer te willen vatten. Was het kwalitatieve oordeel van de - toen nog - bovenmeester niet veel rijker en uiteindelijk ook betrouwbaarder?
    Veertig jaar later is het precies omgekeerd. ...
    Op de kwaliteit van de Cito-toets bestaat betrekkelijk weinig kritiek. Het Cito heeft nu al veertig jaar ervaring met het maken van toetsen, die gebaseerd zijn op solide wetenschappelijk onderzoek. Wel is er kritiek op het gebruik en, ook volgens het Cito zelf, misbruik van de toets, vooral door scholen in het voortgezet onderwijs en beleidsmakers.
    De Cito-toets is bedoeld als hulpmiddel bij de keuze van een opleiding in het voortgezet onderwijs. Zeker in de grote steden wordt de Cito-score echter steeds vaker als een hard gegeven beschouwd. Vooral populaire 'witte' scholen hanteren bepaalde Cito-scores als minimumgrens voor toelating.
    Evenmin als andere testresultaten is de Cito-score een hard en objectief gegeven. De uitkomst is een momentopname, die beïnvloed kan worden door stress, een slechte dag of andere verstorende factoren. Uit onderzoek blijkt ook dat de leerkracht van de basisschool nog altijd iets beter voorspelt dan de Citotoets. Dat is ook geen wonder: bijna alle scholen hebben een eveneens door het Cito ontwikkeld leerling-volgsysteem, waarin het niveau van de leerling vanaf groep 1 in kaart wordt gebracht.   ...
    De toets is een nuttig hulpmiddel. Maar als aan cijfers een absolute waarde wordt toegekend, ontstaat de papieren schijnwereld der bureaucraten.


Red.:   Hier is het nieuw bezwaar tegen de Cito-toets: het is een bewijs voor de achterstand van allochtone leerlingen. De brenger van de nare boodschap, die altijd geprobeerd is met zachte praatjes te verhullen:


Uit: De Volkskrant, 11-02-2006, column door Aleid Truijens

Bloednerveuze ouders, opgefokte kinderen

Tussentitel: De Cito-toets: jaarlijkse spookbeeld van scholen in nare wijken doemt
                  weer op

...    De Cito-toets is geen 'momentopname'. Dat zou betekenen dat als je vier van die toetsen maakt, er vier keer een ander advies uitrolt - wat niet waar is. De uitslag komt meestal overeen met het advies van de juf. Maar soms kan hij leerkrachten die geen hoge pet op hebben van een kind - omdat het een lastpak is of een Marokkaantje, of Tokkie-ouders heeft - in het ongelijk stellen. 'Verborgen talent', heette dat vroeger. Je hoort er zelden meer over.
    Dat de inspecteur met die toets een instrument heeft om ingekachelde scholen, die niet alles uit hun leerlingen halen, een stimulerende schop onder de kont te geven, is mooi meegenomen.
    Nu nog de scholen verplichten om alle Mo's en Achie's die het gemiddelde drukken mee te laten doen. ...


Red.:   Overigens blijkt dit niet specifiek Nederlands te zijn. Tegelijkertijd gaan in Amerika geluiden op de lokale Cito-toets,die daar de SAT (Scholastic Aptitude Test uitleg of detail ) heet, af te schaffen - zie het volgende gesproken bericht op CNN uitleg of detail - nog een tip: je moet wachten tot aan het einde van het bericht om de reden ervan te weten te komen: zwarte en latino-kinderen scoren er stelselmatig slechter op!
    In het commentaar van Truijens nog een andere genoemde aanleiding: Cito-gemiddelden van scholen werden ook gebruikt om scholen te beoordelen. Maar de instroom van de niet-representatief verdeelde want gemiddeld veel lager scorende allochtone leerlingen maakte het noodzakelijk voor scholen om die groepen grootschalig buiten de Cito-toets te houden:
    Maar een belangrijk deel van de kritiek is fundamenteel, en een deel komt ook uit de onderbuik:


De Volkskrant, 07-02-2006, door Robin Gerrits

Zwaargewicht met goede neus voor onderwijsmarkt

Vandaag beginnen ongeveer 162 duizend leerlingen uit groep 8 van de basisschool aan de Cito-toets. Het is het bekendste – en meest gevreesde – product van het bedrijf met dezelfde naam.

...    Ook het gebruik van de Cito-score voor toelating op middelbare scholen zet kwaad bloed. In Zoetermeer en Den Bosch hebben de basisscholen met het voortgezet onderwijs afgesproken de score niet meer als selectiemiddel te gebruiken. Veel algemeen bijzondere basisscholen, Jenaplan, Dalton en Montessori, gebruiken andere toetsmethoden.
    ‘Ouders vrezen de toets als momentopname’, zegt Paul Bijlsma van 5010, de telefonische hulplijn voor ouders. ‘Dan zeggen ze: mijn kind was net die dag niet lekker.’
    Er hangt ook veel van af, bevestigt onderzoeker Amos van Gelderen van het SCO-Kohnstamm Instituut. ‘Eén moment bepaalt of je naar vwo of vmbo gaat. Dat is wel heel cru.’ Teije de Vos: ‘Als je net op de grens zit van vmbo en havo, kan faalangst het verschil maken.’   ...


Red.:   De "anders"-scholen die helemaal voor de pretpakketten gaan, zijn natuurlijk fundamenteel tegen. En bij veel ouders leeft natuurlijk het weerlegde "momentopname"-gevoel.
    De fundamentalistische tegenstanders organiseerden zich zelfs in een actiegroep:

 
De Volkskrant, 13-02-2006, door Ad Boes en Kees Both, respectievelijk oud-studiesecretaris en beleidsmedewerker van de Nederlandse Jenaplanvereniging.

Oneigenlijk gebruik Cito-toets neemt toe

Het basisonderwijs hoeft niet te toetsen. De Cito-toets is evenmin bedoeld om de schoolkwaliteit te meten, aldus Ad Boes en Kees Both.


Het grote percentage kinderen dat niet meedoet aan de Cito-eindtoets (Binnenland, 10 februari) geeft ons aanleiding te reageren. 'Alle kinderen moeten voortaan meedoen', zo bepleit inspecteur-generaal voor de Inspectie van het Onderwijs Kete Kervezee (NRC Handelsblad). Ze gaat verder op de heilloze weg van het oneigenlijk gebruik van de Cito-eindtoets voor het bepalen van de kwaliteit van de 'opbrengst' van basisscholen.
    Op ons initiatief hebben al in 2001 negen organisaties op het gebied van onderwijsvernieuwing in de actie 'Een streep door de eindtoets' gezegd daartegen ernstige bezwaren te hebben. ...
    Er is in het basisonderwijs geen enkele verplichting tot het afleggen van welke toets dan ook, laat staan dat er een soort 'eindexamen' moet worden afgelegd, waarop het maken van de Cito-eindtoets in de beleving van velen is gaan lijken.
    Genoemde toets heeft betrekking op rekenen, studievaardigheden en taal (wereldoriëntatie is facultatief), de onderdelen voor taal dekken slechts 29 procent van de voorgeschreven kerndoelen. Als gevolg daarvan komt bijvoorbeeld het domein 'mondeling taalgebruik' helemaal niet in zicht. Voor kinderen met een relatieve taalachterstand is dat extra nadelig. Wie als school hoog wil scoren, legt in de les de nadruk op wat wel wordt getoetst, met verwaarlozing van het overige. Ook tijd kun je maar één keer besteden.   ...


Red.:   Maar ook de meer individuele gamma-intellectuelen roeren zich met enige regelmaat:


Uit: De Volkskrant, 22-02-2006, column door Evelien Tonkens (volledig artikel hier uitleg of detail )

Recht op slachting

Koeien en varkens krijgen een stempel op oor of billen. Elfjarige kinderen krijgen deze week een stempel op hun voorhoofd.
    515: Zorgelijk. 547: Hoera!
    'De Cito-toets is het slachtingsmoment', vertelde een lerares van een zwarte basisschool twee jaar geleden aan de Volkskrant (10 februari 2004). 'Veel kinderen scoren lager dan verwacht. Op school wordt over de uitslag van de toets in harde termen gesproken. Een kind heet dan gedetermineerd. Precies zo voelen de leerlingen dat. Weg toekomst. En dat rekenen de kinderen zichzelf zwaar aan'.
    Dit recht op slachting wil de Tweede Kamer geen enkel kind ontzeggen. Ze wil de Cito-(eind)toets voor alle scholen verplichten, want kinderen hebben er recht op.
    Wat is zo fijn aan het recht om te falen? Waarom laat de Kamer het niet aan docenten over om te bepalen of de Cito-toets voor een kind een bijdrage of een aanslag op zijn ontwikkeling is? De Cito-toets was bedoeld als hulpmiddel, als gereedschap - waarom laten we docenten niet bepalen wanneer ze hamer of beitel gebruiken?
    Toegegeven: sommige kinderen worden om oneigenlijke redenen buiten de toets gehouden: om de gemiddelde Cito-score van de school hoger te doen uitvallen. Maar dat is de schuld van het beleid, niet van de docenten. Beleidsmakers misbruiken de Cito-toets om scholen te meten, in plaats van individuele leerlingen. Gelukkig weigeren sommige scholen daar aan mee te doen. ...

Uit: De Volkskrant, 06-03-2007, door Xandra van Gelder (volledig artikel hier uitleg of detail )

Nog even en we leven voor de test

Kinderen bibberen deze week voor de Cito-uitslag, volwassenen vrezen de assessmentprocedure voor een nieuwe baan. Maar meten is geen weten, zegt Xandra van Gelder.


Tussentitel: De 'meten is weten'-ideologen vatten mens in gemiddeld getal

Je bent 12, woont in de grote stad en wilt naar een populair gymnasium. Hoe slim je ook bent, als Cito je niet bij de niet bij de beste van het land rekent, mag je niet meedoen aan de loting. Drie halve dagen invullen van tweehonderd multiple choice vragen, en je toekomst is bepaald.
    Cito en de onderwijsbobo's ontkennen dit verhaal. Het gaat zowel om het oordeel van de basisschool als om de Citoscore, bezweren ze. Geen van beiden weegt zwaarder. Dat is waar, maar alleen op plekken waar overvloed is. Als een middelbare school populair is en het aantal aanmeldingen groter is dan het aantal plaatsen in de eerste klas, wordt er geloot. En dan is er.
maar een criterium: de uitslag van de Citotoets of vergelijkbare test.
    Een leerling die de test doet, heeft acht jaar op school gezeten en is dagelijks gezien door de docent lijn of haar oordeel over het presteren is, bij schaarste, niets waard. Alleen de Citoscore telt. Hoe hoog die score moet zijn, verschilt trouwens nogal. Waar Amsterdamse gymnasia alleen kinderen met de uitslag 545 toelaten, mag een Leidse gymnasiast drie punten lager scoren en is 542 genoeg. Zijn Leidenaren dommer? Nee hoor, er is minder schaarste.
    De Citonorm geldt niet alleen voor lycea en gymnasia. Wie een redelijke vmbo-t zoekt, vergelijkbaar met de oude mavo, wordt ook langs de lat gelegd. Alleen scholen aan de onderkant, of leerfabrieken die niet goed bekend staan, selecteren niet. Zij hebben weinig aanmeldingen en laten iedereen toe. ...
    ... Ook voor het onderwijs is het goed een test te hebben die kinderen, onafhankelijk van hun school, met elkaar vergelijkt. Zo'n cijfer geeft een indicatie over de prestaties van het kind en kan tegelijk dienen als controle op het oordeel van de leerkrachten. Als dan blijkt, zoals onlangs is gebeurd, dat leraren op grote schaal te laag adviseren bij allochtone leerlingen, is dat reden om in te grijpen. Niet door steeds meer belang te hechten aan de test, maar door docenten te leren beter advies te geven.   ...
    Waar ik me tegen verzet is het geloof dat ieder mens terug te brengen is tot een gemiddelde. De 'meten is weten'-ideologen geloven dat je elk mens kunt vatten in een getal. Dat getal geeft aan wat een goede volgende stap is in iemands leven, of dat nou school of een baan is. Mensen zijn meer dan een opstelsom van testresultaten, hoe goed die testen ook zijn. Sommige leerlingen zijn enorm gemotiveerd en voltooien met een lagere score, toch een hoge opleiding.
Sommige zijn slordig in meerkeuzevragen maar zijn wel in staat verhalen te schrijven en te rekenen.   ...


Red.:   Xandra van Gelder wordt als auteur geïntroduceerd als moeder, maar is ook oud-redacteur van de Volkskrant.
   En voorlopig tot slot de gamma-intellectueel van de hardere kant. In verband met de lengte het commentaar tussendoor:
 

Uit: De Volkskrant, 19-01-2008, door Ewald Engelen, financieel geograaf verbonden aan de Universiteit van Amsterdam

Zes redenen om met de Cito-toets te stoppen

De Cito-toets is hét symbool van de vroege, strenge en onverbiddelijke selectiviteit van het basisonderwijs. De discussie over de toets moet opnieuw worden gevoerd, want hij is een straf voor alle leerlingen die niet voldoen aan de norm. Schaf deze terreur af, zegt Ewald Engelen.


12 februari is het weer zover. Dan buigen rond de 180 duizend achtste-groepers zich over de meerkeuzevragen van het Cito. 100 vragen over taal, 60 vragen over rekenen en 40 vragen over studievaardigheden. ... Hoewel er veel en fel wordt gediscussieerd over het onderwijs heerst er stilte over de rol van het Cito. Ik geef zes redenen om die stilte te doorbreken.

1.
Onder het mom van meritocratische selectie straft de eindtoets leerlingen die om welke reden ook niet voldoen aan de norm. Dat zijn ‘laatbloeiers’, ‘dromers’, ‘paardenmeisjes’, maar ook kinderen die onderwijs hebben moeten missen vanwege ziekten, mentale ongemakken, onzekere thuissituaties, of die als gevolg van laagopgeleide of allochtone ouders onvoldoende zijn gestimuleerd. Onverbiddelijk worden deze kinderen verwezen naar het ‘afvalputje’ van het Nederlandse onderwijs, het vmbo. En doordat de ladders tussen vmbo en havo zijn verwijderd, heeft deze verwijzing verregaande consequenties voor de kansen van de leerling. Om het cru te formuleren: de Cito-toets gaat niet alleen over je vervolgopleiding, maar ook over je kansen op de arbeidsmarkt, je huwelijksmogelijkheden, je positie op de woningmarkt en daarmee op je levenskwaliteit en levensduur. Ouders en leerlingen weten dat dondersgoed, hoezeer schoolbesturen hen ook voorhouden dat het oordeel van de leerkracht zwaarder weegt dan de Cito-uitslag.


Red.:   Het bezwaar van het belang van de keuze heeft niets met de Cito-toets te maken - het geldt evengoed als de leraar de keuze maakt, of voor welke andere methode dan ook.
 

  Hoewel wij terugverlangen naar Theo Thijssen, moet niet worden vergeten wat het vernieuwingsonderwijs van Montessori, Dalton en Jenaplan heeft betekend voor het Nederlandse onderwijs. Niet langer staat het curriculum centraal, dat kinderen door de strot geduwd krijgen, maar de ontwikkeling van het kind, die zich nu eenmaal niet houdt aan wat het programma gebiedt. Inmiddels is de tegenstelling tussen klassikaal en individueel onderwijs gelukkig vervaagd. Vrijwel alle basisscholen combineren de twee onderwijsvormen en hebben de les van het vernieuwingsonderwijs ter harte genomen: leren gebeurt sprongsgewijs, en het moment van deze ‘leersprongen’ is individueel bepaald. Recht doen aan individuele talenten en deze zo goed mogelijk ontwikkelen, is een missie die door de groeiende invloed van het Cito echter in het slop dreigt te geraken.

Heeft ook niets met Cito te maken. Welke opleiding je ook volgt: selectie op capaciteiten blijft noodzakelijk - of dit nu Cito is, de leraar, of iets anders.
 

  De 537 punten die Amsterdamse lycea eisen om toegang te verkrijgen tot havo en hoger passen namelijk slecht bij de idylle van werkkleedjes, houten onderwijsmateriaal en de kralenkettinkjes van het vernieuwingsonderwijs. Ouders die bewust hebben gekozen voor dat onderwijs laten een hoge Cito-score uiteindelijk toch zwaarder wegen dan pedagogische zuiverheid. Het gevolg is dat vernieuwingsscholen hun pedagogische filosofie steeds meer hebben aangepast aan de scoredrift van het Cito. Dat is niet alleen slecht voor die kinderen wier cognitieve rijpheid afwijkt van de norm, maar betekent ook het einde van de pedagogische diversiteit die onontbeerlijk is voor proefondervindelijke vernieuwing in een veld dat wordt gekenmerkt door modegevoeligheid en kuddegedrag.

Ook dit geldt weer voor alle vormen van keuzemomenten op alle tijdstippen dat je kiest - neem je dat moment later, zijn er nog steeds mensen die relatief voor of achter lopen.
 

  In drie dagen test het Cito wat leerlingen aan taal en rekenen beheersen. Wereldoriëntatie telt eigenlijk niet mee. In ieder geval worden de scores niet verwerkt in de eindscore. Dat is exemplarisch voor de schrale visie op menselijke talenten die de Cito-toets verbreidt. Met name in de Verenigde Staten kan de laatste jaren een krachtig pleidooi worden gehoord voor de pedagogische erkenning van niet-cognitieve vermogens als muzikale, lichamelijke, ruimtelijke, sociale en emotionele intelligentie. Let wel: het bestaan van deze intelligenties wordt gestaafd door geavanceerd hersenonderzoek.
    Het Nederlandse basisonderwijs beperkt zich tot het optimaliseren van de taal- en rekenkundige scores. Het nuttigheidsdenken dat het onderwijs in zijn greep heeft, leidt tot een overmatige nadruk op rekenen omdat daarvan ons economisch heil wordt verwacht. Alsof het laboranten en ingenieurs zijn die in Nederland het geld verdienen, en niet bankiers, juristen, architecten en mode-ontwerpers!
    De Nederlandse diensteneconomie legitimeert niet het exorbitante gewicht dat momenteel aan rekenen en wiskunde wordt toegekend. Je bent echt niet debiel als je niet vlotjes uit het hoofd kunt delen en vermenigvuldigen.

De verwoording van de pretmaatschappij, de diensteneconomie, die denkt te kunnen bestaan van het aan elkaar verkopen aan hypotheken. Ja, in zo'n maatschappij doet het er toe toe of je hebt leren reken tezamen met het bijbehorende gebruik van je rationele verstand. Sinds de kredietcrisis hebben we de waarde van die opvatting gezien.
 

  Hoewel het Cito ontkent dat de eindtoets een intelligentietest is, fungeert hij in de praktijk wel zo. De eindtoets is gekoppeld aan het zogeheten Leerling Volgsysteem dat voortdurend de voortgang toetst. Zodra de eindtoets nadert, wordt op basis hiervan bepaald of een leerling mee mag doen. Zogenaamd om het kind niet te vernederen, maar eigenlijk om extreem lage scores buiten de statistieken te houden, wordt tegen lager scorende leerlingen (de ‘E’-tjes) gezegd dat zij ‘beschadigde goederen’ zijn waar de school niet naar zal omkijken. Vanaf groep zeven worden zij ‘zoet’ gehouden met opdrachten die aansluiten bij hun actuele vaardigheden.
    Niet alleen spreekt hieruit grote liefdeloosheid, ook suggereert het dat intelligentie niet getraind kan worden. Hersenonderzoek leert echter dat het brein tot op hoge leeftijd trainbaar is. Laag scorende kinderen moeten dus niet op een zijspoor worden gerangeerd, maar verdienen juist extra aandacht. Succesvol zijn dan ook die onderwijssystemen die er in slagen ontwikkelingsachterstanden vroegtijdig te signaleren en weg te poetsen. In Nederland gebeurt het omgekeerde: veel plusklassen voor hoogbegaafden, terwijl voor anders-begaafden het zijspoor resteert. Het is duidelijk dat dit vooral nadelig is voor leerlingen met laagopgeleide ouders, die dan ook zijn oververtegenwoordigd in de laagste onderwijssoorten en ondervertegenwoordigd in het tertiaire onderwijs.

Alweer het bekende misverstand: de brenger van de boodschap wordt verward met de boodschap zelf. De boodschap is: er is een grote kunstmatige instroom van dit soort gevallen door de allochtone immigratie.
 

  De onderwijssociologie onderscheidt twee onderwijssystemen. Omvattende onderwijssystemen houden kinderen lang bij elkaar, voorzien in een breed curriculum, en selecteren pas op 16 of 17-jarige leeftijd. Gedifferentieerde onderwijssystemen selecteren vroeg en hard, en sorteren kinderen over strikt gescheiden beroepsvoorbereidende of algemeen vormende trajecten. Omvattende onderwijssystemen bestaan in Engeland, Amerika en Scandinavië, gedifferentieerde onderwijssystemen komen vooral voor op het Europese continent. Hoewel gedifferentieerde systemen zorgen voor goede arbeidsmarktaansluiting en dus lagere jeugdwerkloosheid, scoren zij slecht als het gaat om het voorkomen van segregatie en het stimuleren van emancipatie. Dat geldt zeker voor Nederland. Door de vroege selectie is de invloed van verschillen in ouderlijke hulpbronnen groot en reproduceert de Cito-toets maatschappelijke ongelijkheden. Doordat late selectie kinderen met verschillende capaciteiten langer bij elkaar houdt, is in omvattende stelsels de invloed van ouders op de ontwikkeling van leerlingen kleiner en weerspiegelt de toetsscore meer de echte vermogens van het kind. Het gevolg is dat het Nederlandse onderwijs niet alles uit zijn bevolking haalt wat erin zit. Door vergrijzing en ontgroening is dat een verkwisting die we ons niet kunnen permitteren.

Alweer: heeft niets met de toets te maken.
 

  De rol die de Cito-toets heeft gekregen, is onbedoeld. Onzekere ouders die meer greep op het onderwijs wilden, stuitten op afhoudende leerkrachten en werden verwezen naar de oordelen van het Cito. Kranten die zich opwierpen als hoeders van de openbaarheid hebben de toetsuitslagen in het publieke domein gegooid waar ze zijn gaan fungeren als officiële kwaliteitsoordelen over basisscholen. Schoolbesturen hebben geleerd dat er geen betere reclame is dan hoge toetsuitslagen. Tenslotte is ook de politiek meer gebruik gaan maken van transparantie als sturingsinstrument. De grotere autonomie van basisscholen ging vergezeld van hardere eisen aan transparantie en verantwoording. Dat heeft geleid tot een wonderlijk kongsi van Cito, Inspectie en ouders, waarbij de eerste via het Leerlingvolgsysteem de gegevens levert waar de tweede haar Inspectierapport op baseert en waar de derde vervolgens de schoolkeuze van laat afhangen.
    Net als bij de rechterlijke macht, de politie en de zorg tieren de perversies welig. Ten eerste botst een transparant onderwijsproces met de beroepstrots van de leerkracht. Ten tweede leidt transparantie tot ‘industrialisering’ van het ambacht. De intuïtieve wijsheid van de professional is ingeruild voor het stappenplan van de lopende band. Ten derde slokt de administratie ervan steeds meer tijd en aandacht op. De leerkracht is verworden tot boekhouder van het Cito. En ten vierde hebben doel en middel stuivertje gewisseld: we toetsen niet om te zien wat we hebben geleerd, maar we leren voor een zo goed mogelijke toets.

Dat is een zaak die onderzocht kan worden: welke methode geeft de beste voorspellingskracht: het advies van de onderwijzer, of de toets, al dan niet Cito. De argumenten tegen de  toets zijn genoemd. De argumenten tegen de onderwijzer niet, maar die zijn er natuurlijk ook: willekeur, emotionele betrokkenheid van de positieve of negatieve soort, incompetentie, en vroeger veel voorkomend: standendenken.
 

  Onverbiddelijk, hardvochtig, eenzijdig, verschralend, segregerend en pervers — redenen om te spreken van ‘terreur’. Ondanks nobele motieven is de maat vol.
    Weg met de Cito-terreur!

Sterke emotionele betrokkenheid. Maakt alle niet-onderbouwde oordelen van Engelen hoogst onbetrouwbaar.
    Maar ook binnen de beroepsgroep is er weerstand:


Uit: De Volkskrant, 29-03-2010, van verslaggever Robin Gerrits

Groep 8 doet met koffer vol bagage late Citotoets

Tussentitel: 'Van mij mogen ze de Citotoets helemaal afschaffen'

‘Ze zijn zo serieus de laatste weken. Ik denk dat ze heel goed gaan presteren op de Citotoets’, zegt Talita Looijenga, leerkracht van groep 8 van basisschool Het Kompas in Assen. De kinderen zijn net in de toetsopstelling gaan zitten en turen naar de opgaven. Ze oefenen alvast voor maandag, als het voor het echie moet.   ...
    Dat heeft er vermoedelijk ook mee te maken dat de kinderen hun schooladvies al hebben gehad. Die Citotoets heeft daar dus nauwelijks nog invloed op, zegt Looijenga. ‘In Assen gebruiken we in overleg met de middelbare scholen de Plaatsingswijzer. Die geeft op basis van gegevens uit de hoogste drie klassen een veel reëler beeld van de vermogens van een leerling dan die ene Citotoets. ‘Van mij mogen ze die daarom helemaal afschaffen.’   ...


Red.:    Het zou kunnen dat zo'n Plaatswijzer beter werkt, maar dat moet dan eerst bewezen worden.

   
Naar Meritocratie , Sociologie lijst , Sociologie overzicht , of site home .