|
Onschuldige burgers in Israël
In Israël is het proces begonnen tegen de Palestijnse leider Marwan Barghouti. Barghouti
wordt beschuldigd van het (mede-) organiseren van zelfmoordaanslagen, of in termen van de
aanklacht: moord, poging tot moord, en terrorisme.
In een hoofdredactioneel commentaar meent de Volkskrant (18 augustus
2002) hierover: "Dat Israël jaagt op
degenen die verantwoordelijk zijn voor deze aanslagen, is zijn goed recht én plicht. De
zelfmoordaanslagen, die onschuldige burgers tot doel hebben, zijn onaanvaardbaar als strijd-
en drukmiddel."
Deze mening bevat een aantal opinies die als feit gepresenteerd worden. De term "aanslag"
slaat op een daad van geweld; dit is het feit. De term "aanslag" impliceert echter ook "een
daad van geweld in een toestand van vrede". Dit is interpretatie. De discussie over deze
interpretatie gaat hier verder als een discussie over de toestand in Palestina.
De toestand in Palestina wordt elders in meer detail beschreven, maar kan als volgt worden
samengevat: een deel van Palestina is door de Verenigde Naties in 1946 toegewezen aan de
joden, zonder inspraak of toestemming van de toenmalige bewoners, de Palestijnen. Het aan
de Palestijnen in 1946 toegewezen deel is door Israël veroverd en bezet in 1948. De
westelijke Jordaanoever en de Gazastrook zijn door Israël veroverd en bezet in 1967.
Over de toewijzing van Palestijns gebied aan de joden in 1946 kan men discussiëren. Het feit
dat de Palestijnen gehoord noch gecompenseerd zijn voor de afname van hun grondgebied is
voldoende redenen voor verzet. Het feitelijke verzet tegen deze gang van zaken lijkt te voldoen aan de omschrijving als oorlog.
De verovering en en bezetting van het Palestijnse gebied in 1948 en 1967 is zonder
meer het gevolg van oorlog. Dat er sinds die tijd ook periodes van inactiviteit in deze oorlog
zijn geweest, doet niets af aan de feitelijkheid ervan. De Palestijnen hebben sinds 1946 nooit een vredesverdrag of een staakt-het-vuren met Israël
gesloten. De huidige toestand tussen Palestijnen en joden in Israël is er dus een van oorlog.
Het is een kenmerk van oorlog dat er geweld wordt gepleegd. In de moderne tijd bestaat dat
geweld uit het afvuren van schietwapens, en het tot ontploffing brengen van explosieven met
het doel zaken te vernietigen en mensen te doden. Dat kan op verschillende manieren, maar in
feite doet de manier er niet toe. Als een gebouw vernietigd wordt door een bom er
uit een
vliegtuig van boven op te gooien, of met een handkar in de kelder te leggen is een
kwestie van uitvoering, die niets met de beoordeling van de daad zelf te maken heeft.
De stand van de feiten is dus dat als een Palestijn een bom tot ontploffing brengt in Israël, hij
bezig is in het kader van een oorlog. Het feit dat hij dit met behulp van een handkar doet, of de bom op
zijn lichaam draagt, is irrelevant. De ontploffing is gewoon een oorlogsdaad, en geen aanslag.
Iedere melding van het tegendeel is pro-Israëlische propaganda.
Blijft over de analyse van de interpretatie van de rechtvaardiging van het doelwit. Volgens het
Volkskrant commentaar en de standaardopinie in het westen is het doelwit onschuldige bevolking. Ook
hierover valt te discussiëren.
Ten eerste moet weer gekeken worden naar de geografie. Circa tweederde van het huidige
Israël is bezet gebied. Mensen die gaan wonen in bezet gebied
maken een integraal deel uit van bezetting. In de meeste gevallen, bijvoorbeeld in de Tweede
Wereldoorlog, werden aanslagen op zulke mensen als legitiem beschouwd. In veel gevallen
gebruikt men ook het argument dat de "burgers" de infrastructuur verschaffen die het de
"militairen" mogelijk maakt hun bezetting te effectueren (bijvoorbeeld gebruikt door de
Amerikanen in de oorlog tegen Joegoslavië); "burgers" kan men dus vervangen door
"ongewapende bezetters" en militairen door "gewapende bezetters". Vanuit het oogpunt van
de bezetten is het verschil tussen gewapende en ongewapende bezetters cosmetisch. Beiden
behoren tot een groep mensen die hun het dierbaarste eigendom, huis en grond, hebben
afgenomen.
Meer algemeen wordt in de meeste oorlogen het verschil tussen burgers en militairen wel met
de mond beleden, maar in de praktijk veelal genegeerd. Bekende voorbeelden zijn in de
Tweede Wereldoorlog de grootschalige bombardementen op de Duitse steden zoals Hamburg en
Dresden, met de
expliciete doelstelling om de burgerbevolking te treffen, en het gooien van atoombommen op
Japanse burgersteden. In de Vietnamese oorlog was de burgerbevolking een voortdurend en
expliciet doelwit. Degenen die deze daden gepleegd hebben, hebben geen enkel recht van
spreken als andere bevolkingsgroepen hetzelfde doen.
De conclusie van de analyse is dat het bombarderen van Israël door de Palestijnen een daad
binnen een bestaande oorlog is, en dat Amerikanen en Europeanen zich door eerdere daden
niet kunnen beroepen op een strikte scheiding tussen burger en militair. Hetzelfde geldt dus
voor de Israëliërs, die zich altijd beroepen hebben op een materiele en geestelijke band met
Europa en de Verenigde Staten.
Samenvattend: de beschrijving van het doen afgaan van bommen in Israël door Palestijnen als
aanslagen, terreur, of dergelijke termen is feitelijk onjuist, en maakt deel uit van propaganda
gevoerd binnen een oorlog. Degenen die consequent de propaganda van een van de partijen
doorgeven, zoals de Westerse media doen, zijn dus partijdig in het conflict.
Terugkomende op het commentaar in de Volkskrant, blijkt dit commentaar veel te
oppervlakkig om een plaats als hoofdredactioneel commentaar te verdienen. Er zijn op zijn
minst twee mogelijke oorzaken voor die oppervlakkigheid: binnen de
journalistiek: de drang
naar waarheidsvinding is in de loop van de tijd vrijwel geheel verdwenen; en ten tweede: bij de
beschrijving van sommige geschillen is het soms handig om de werkelijkheid niet al te diep te
analyseren, oftewel bewuste subjectiviteit toe te passen.
|