Bronnen bij Allochtonenproblematiek: allochtone wijken
| 1 apr.2007 |
Alom wordt gepraat over de probleem in de allochtonen wijken, en de huisvesting in die wijken.
Huizen waar voorheen Nederlanders woonden, en waar toen geen enkel opvallend probleem was. Opvallende problemen die kwamen met de nieuwe bewoners:
Uit: De Volkskrant, 29-03-2007, column door Marcel van Dam
Het probleem zit niet in de huizen
Voortvarend is minister Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie aan haar
tournee begonnen langs de 40 probleemwijken waarin extra geld zal worden
geïnvesteerd om er weer prachtwijken van te maken. De aanpak getuigt van de wil
het probleem van de achterstandswijken op te lossen. Maar de geplande aanpak zal
niet tot een oplossing leiden, noch tot prachtwijken.
De aanpak is niet nieuw. Al onder het eerste kabinet-Lubbers
werden 30 probleemwijken gekozen voor een opknapbeurt, daarna volgden het beleid
van de Sociale Vernieuwing, het Grote Stedenbeleid en de 56 probleemwijken van
minister Kamp.
In de jaren zeventig veroorzaakte toenmalig staatssecretaris
Schaeffer een doorbraak in het stadsvernieuwingsbeleid. Hij pakte de
vooroorlogse wijken aan met een agressief programma van sanering (sloop) van
oude huizen die niet meer tegen redelijke kosten waren op te knappen, en
grootschalige woningverbetering van huizen die wel konden worden aangepast aan
moderne eisen. Met ondersteuning van het groeikernenbeleid en het huur- en
subsidiebeleid bereikte Schaeffer spectaculaire resultaten.
Daarna is er alleen maar sprake geweest van het pompen van
vele miljarden in bodemloze putten.
Waarom lukte het daarna niet meer? Toen zat het probleem in
de huizen, daarna in de mensen. De stadsvernieuwing lukte doordat de stenen en
de gebouwde omgeving betrekkelijk makkelijk kunnen worden vernieuwd. Vooral
doordat er in de oude wijken ‘nieuwe’ ruimte kon worden geschapen door het
gestimuleerde vertrek van veel bewoners naar groeigemeenten als Almere,
Spijkenisse en Nieuwegein.
Het probleem van de huidige probleemwijken is dat een te
groot aantal mensen met te veel problemen op een te klein gebied woont.
Weliswaar is de staat van de ‘hardware’ ook niet florissant, maar die hangt voor
een flink deel weer samen met de bewoners.
Dat zijn meestal genaturaliseerde gastarbeiders en meer
recente etnische immigranten. Zij hebben vaak een lage opleiding, velen spreken
gebrekkig Nederlands, ze zijn het minst geïntegreerd en een hoog percentage is
werkloos. Er is relatief veel drugsoverlast en criminaliteit. De afwijkende
wooncultuur komt de leefbaarheid niet ten goede.
Dat de concentratie van problemen van bewoners dominant is
bij het ontstaan van een probleemwijk blijkt uit de geschiedenis van de
Bijlmermeer. In opzet een prachtwijk. Maar door het huisvestingsbeleid van de
gemeente Amsterdam werd de Bijlmer volgestouwd met immigranten uit Suriname en
later ook uit andere, met name Afrikaanse landen. De prachtwijk veranderde in
een probleemwijk.
In studies over wonen en integratie van immigranten komt een
vast patroon naar voren. De eerste generatie vestigt zich in de oudste delen van
een stad, waar de goedkoopste huurwoningen zijn. Die generatie integreert niet.
De tweede generatie begint voorzichtig naar de randen van de stad uit te
waaieren en integreert half. De derde generatie verspreidt zich helemaal en
integreert helemaal.
Beleid dat wordt afgestemd op maatschappelijke trends is
altijd het succesvolst. Vogelaar zou dus een beleid moeten uitstippelen dat
immigranten van de tweede en derde generatie stimuleert, niet dwingt, de
probleemwijken te verlaten en te gaan wonen in andere wijken en andere
gemeenten. ...
De vertrekkende bewoners nemen natuurlijk hun problemen mee
naar hun nieuwe woonplaats. Maar daar zijn ze een stuk makkelijker op te lossen.
Kleinschalige begeleiding in een zo goed als probleemloze omgeving met een
andere sociale controle heeft veel meer effect. ...
Terug naar Allochtonen problematiek
,
Allochtonen overzicht
, of naar site home
.
|