Hoofddoeken
Hoe benader je mensen die klagen over hoe dragers van een hoofddoek gezien
worden, en daardoor eventueel gediscrimineerd? Een voorbeeld naar aanleiding
van columniste Carrie, die klaagt over de behandeling die een Turkse met
hoofddoek op een inschrijfavond van het gymnasium ten deel valt (17 april 2004,
radio Nederland 2, Spijkers met koppen).
Een reactie middels een paar fictieve vragen aan Carrie:
Waarom heb jij geen kostuum aan? Antwoord: ik ben geen man, en daar erg blij mee
(o.i.d.).
Waarom heb jij geen mantelpakje en pumps aan? Antwoord: Ik zit nu hier op mijn
gemakkie voor een radiopraatje. Een mantelpakje trek ik wel aan als een zaal
managers verrot wil schelden (o.i.d.).
Waarom heb jij een wijde jurk en een wilde haardos? Antwoord: Omdat ik daarmee
wil laten zien dat ik een eigen mening heb, dat ik die niet onder stoelen of
banken steek, dat ik in de linkse hoek zit, en verder gaat het je overigens geen
ruk aan (o.i.d.).
Conclusie: mensen kleden zich naar het sociale signaal dat ze bewust of onbewust
willen uitstralen, en het sociale signaal van een hoofddoek is: (autochtoon) uit
de vijftiger jaren of langer terug, achter het fornuis, huisvrouw(tje), en als
allochtoon daarbij gevoegd: spreek de taal slecht, heb lagere school of lager,
wordt misschien onderdrukt door man, enzovoort. Dat het geen absolute regels
zijn doet niets af aan de algemene eerste indrukken.En ook ook in deze zaak geldt
weer de
regel van de wederkerigheid: als de allochtoon zich niets van de sociale mores
van de autochtoon hoeft aan te trekken, hoeft de autochtoon zich niets van de
sociale mores van de allochtoon aan te trekken. Dit slaat op alle sociale
situaties, inclusief sollicitatiegesprekken.
Overigens: de behandeling die de Turkse
met hoofddoek kreeg bij het gymnasium was
ongetwijfeld dezelfde die een autochtoon
met tatoeage had gekregen. Er is in zijn
algemeenheid dus
absoluut geen sprake van discriminatie, althans niet meer dan van de
gebruikelijke en algemeen aanvaarde soort.
Het beste dat de Nederlandse samenleving kan doen is een
voorbeeld nemen aan de Franse aanpak, het verbieden in alle openbare
instellingen. Het schept duidelijkheid, en richt op termijn de minste schade
aan, omdat er twee groepen zijn die er voordeel bij hebben: de autochtonen die
zich niet vervreemdt voelen in eigen land met het grote risico van tegenacties
(Lonsdale dragers), en de allochtonen die bewust of onbewust gedwongen worden
tot het dragen. Er is ook een groep die zich benadeeld zal voelen; dat zijn de
religieuze of culturele scherpslijpers, die op het ogenblik al een groot gevaar
vormt voor de integratie, met de daaraan verbonden gevaren. De eerste twee
groepen zijn veel groter dan de tweede, en hun belangen gaan dus voor. Het feit
dat er een groep (in eigen ogen) nadeel heeft, is absoluut geen argument om
niets te ondernemen, alle maatregelen als verkeersdrempels zijn gevallen waarbij
een meerderheid nadeel ondervindt om de uitwassen van een minderheid te
bedwingen.
Dit is de theoretische analyse. Je kan de zaak ook behandelen
aan de hand van de discussie zoals gevoerd in de media, aan de hand van
praktijkvoorbeelden. Die praktische aanpak staat hier, en leidt tot precies
dezelfde antwoorden
.
Terug naar Discriminatie
, Allochtonen
overzicht
, of site home
.
|