De basis van de economie, deel I
| 14 sep.2002 |
In de moderne economie spelen vele factoren een rol, en de economie als
geheel lijkt
daardoor een zeer ingewikkeld proces. Bij de mensen die de bestudering ervan als
vak hebben, economen, leidt dat vaak tot grote fouten in hun uitspraken, uitkomsten, en methoden
,en
sommigen betwijfelen of het begrijpen van dat proces überhaupt mogelijk is. Hier
zullen we ons niet storen aan dit soort dwaasheden, en de normale methode van de
natuurwetenschap volgen: begin met eenvoudige gevallen, dan maken we ze later steeds
ingewikkelder, hopende zo uiteindelijk een zinvolle uitkomst te krijgen.
Het simpele basismodel dat hier gekozen is, is dat van het dorp en de steenkolenmijn,
geplaatst in een wat verder verleden. Het dorp wordt bewoond door boeren die aardappelen
telen. De boeren hebben dus te eten. Omdat de grond bij het dorp vruchtbaar is,
hebben ze meer aardappelen dan ze voor hun eigen gezin nodig hebben.
De mijnwerkers hakken steenkolen uit de mijn, omdat ze met die
kolen hun huis kunnen verwarmen in de winter. Omdat ze hebben ontdekt dat het
handig is om de taken te verdelen, vijf man hakken, twee verzamelen de brokken en gooien
ze in wagens, en twee duwen de wagens naar de voorraadberg buiten, konden de mijnwerkers meer kolen hakken dan ze nodig hadden voor hun eigen huizen.
De basis van de economie is het volgende: de mijnwerkers ruilen hun te veel aan kolen met
het te veel aan aardappelen van de boeren. Het resultaat is dat zowel de boeren als de
mijnwerkers zowel te eten als een warm huis in de winter hebben.
Dit basismodel behandelt de primaire aspecten van de economie. Het kan makkelijk
uitgebreid worden met de secundaire aspecten. Want zowel boeren als mijnwerkers worden
wel eens ziek. De behandeling van ziekte is een kunde die zowel boeren als mijnwerkers niet
goed beheersen. Het is dus lonend voor zowel boeren als mijnwerkers om iemand te zoeken
die het genezen van zieken wel als specialiteit heeft. Deze persoon gaat de zieken van het dorp
behandelen, in ruil voor aardappelen van de boeren, en kolen van de mijnwerkers. Nu hebben
de inwoners allemaal te eten, een verwarmd huis, en verzorging van hun zieken.
Het secundaire aspect van de economie kan aangevuld worden met een aantal
van dit soort functies, afhankelijk van de grootte van het dorp:
conflictbemiddeling, brandbestrijding enzovoort. Al deze mensen dragen bij aan het welzijn
van het dorp als geheel, zonder een materiële bijdrage te leveren, maar door hun diensten uit
te wisselen met de materiële meerwaarde van de boeren en de mijnwerkers.
Men zou kunnen denken dat hiermee de maatschappij van het dorp af was. Op vele plaatsen
en voor grote delen van de geschiedenis was dit inderdaad het geval. Er waren wel altijd
storende elementen, zoals die mensen wier kwaliteit het hebben van een grote fysieke kracht
was. Een deel van deze mensen zagen de voorraden van de boeren en de mijnwerkers, en
namen met geweld aardappels en kolen van de boeren en de mijnwerkers. Dit soort mensen
zijn in de geschiedenis bekend als soldaten, krijgshoofden, koningen, en dat soort volk. Hun
rol en invloed wordt hier niet behandeld.
Eén van de secundaire functies die ontstond was die van het regelen van werkzaamheden
binnen de mijn. De boeren hadden ieder hun eigen taken, die ze grotendeels zelf konden
afhandelen. Hetzelfde gold voor de ziekenverzorger en dergelijke. De mijn is een ander geval
omdat er zoveel mensen en zaken bij betrokken zijn, te denken valt aan gangenbouw,
waterafvoer, veiligheid, enzovoort. Om dit allemaal te coördineren ontstond er
de groep van organisatoren - die hadden in principe dezelfde
ondersteunende, secundaire, positie als de ziekenverzorger en de brandweerman.
In de praktijk is het anders gelopen. De organisators waren over het algemeen de wat
slimmere bewoners van het dorp. Bij de afspraken over de verdeling van de goederen spraken
ze af dat iedere mijnwerkers een deel van zijn gehakte kolen, zeg een tiende, zou afstaan aan
de organisators, als ruil voor het werk van de organisators. Dat wil zeggen dat iedere
organisator evenveel kolen krijgt als een mijnwerker, als hij werkt voor tien mijnwerkers. Er
waren echter veel meer mijnwerkers, zodat de organisators veel meer kolen kregen dan een
mijnwerker. Die extra kolen konden ze ruil voor allerlei andere producten naast aardappelen.
De organisators kregen het dus beter dan de mensen voor wie ze werkten, of mensen in
andere secundaire beroepen.
Door de samenwerking van primaire en secundaire economie werd het dorp steeds
welvarender. Hetzelfde gold voor de andere dorpen in de buurt. Er ontstond
handel tussen de buurdorpen. Nu was het slepen met steeds grotere hoeveelheden
goederen nogal omslachtig, zodat er uiteindelijk een simpeler ruilmiddel
ontstond, waar alle betrokken partijen eenzelfde waarde toedichten, goud en
zilver. De eenheden goud en zilver werden geld. De organisators konden hun extra
kolen omzetten in extra goud. Kortom, de organisatoren werden rijk. Omdat er
geen beperking was aan het proces van het rijk worden, konden de rijken
uiteindelijk het eigendom krijgen over een heleboel andere zaken, waaronder de
mijn zelf. De rijke organisatoren werden zo een nieuwe klasse, de eigenaren.
Dit is voldoende detail voor het basismodel om de uitbreiding met de overige stappen naar de
moderne maatschappij duidelijk te maken. Dat mag misschien een groot karwei zijn, maar het
lijkt niet meer zo ondoenlijk als in het begin. De vraag is dan waarom de
beroepseconomen, wier vak het is dit om soort dingen uit te zoeken, dit dan niet gedaan hebben.
Het antwoord is voorde hand
liggend. Want wat het bovenstaande basismodel laat zien, is dat de materiële producten die staan voor het
inkomen van de secundaire en hogere beroepen afkomstig zijn van de arbeid in de primaire
sector. In het basismodel kan je je wel een dorp zonder ziekenverzorger voorstellen: het leven
wordt slechter, maar is leefbaar. Maar je kan je niet een dorp zonder boeren of mijnwerkers
voorstellen; de primaire sector is dus essentiëler. Als je essentieel vervangt door belangrijk, is
de primaire sector is dus belangrijker dan de secundaire. Als je belangrijkheid laat
overeenkomen met inkomen, zou de primaire sector meer moeten verdienen dan de
secundaire. De moderne werkelijkheid is dat secundaire en de verdere sectoren
die inmiddels ontstaan zijn, waaronder de groep van de economen, veel meer
verdienen dan de primaire,
Het laatste laat zien dat economen dus geen belang hebben bij een
fundamentele beschrijving van de economie, omdat daarmee hun eigen positie
ondergraven wordt. Hier wordt die analyse wel gedaan, waarvan het voorgaande de
eerste stap was. Als volgende stap wordt aan het bovenstaande
model nog een laag toegevoegd in deel II, waar het gaat over de motor achter de
moderne economie: de technologie, en hoe die economie is ontstaan
.
Naar Economie lijst
, Economie overzicht
, of site home
.
|