Financiële wereld
| 24 jul.2008; 16 jul.2011 |
Dit artikel is het vierde deel in de serie Basis economie, deel I
, deel II
, en
Economische sectoren
. In
deel I is de primitieve basis van het economische gebeuren behandeld, en in deel II de uitbreiding daarvan in onze hoog ontwikkelde maatschappij. Die geleid
heeft, zie deel III, tot een hiërarchie van economische sectoren.
Die hiërarchie van sectoren verloopt van de basale economische zaken als de
boer met zijn graanproductie, tot afgeleide zaken als technologie, onderwijs,
diensten, enzovoort. Een kenmerk van die hiërarchie is dat naarmate je er verder
in komt, de zaken die in de sector rondgaan steeds minder concreet en steeds
abstracter worden.
De
relatie tussen tussen zaken met verschillende mate van abstractie is 1925
voor het eerst systematisch beschreven door Alfred Korzybski
(Wikipedia), als voorloper van zijn boek over algemene
semantiek
. Hij introduceerde de structural differential
(Wikipedia), een constructie of figuur ter illustratie van de relatie
tussen woorden en de dingen waar die woorden voor staan, en de verschillende
niveaus van abstractie waarop je dat kan doen. Later
maakte S.I. Hayakawa
simplificeerde dat tot de "abstractieladder", zie het
plaatje rechts (klik erop voor een vergroting), waarin de relatie
tussen diverse soorten woorden op wat simpelere wijze
wordt uitgelegd, met als
standaardvoorbeeld dat van "Bessie" de koe, die lid is van de groep
"koeien", welke groep weer lid is van de groep "vee", enzovoort.
De abstractieladder is een redelijk bekend begrip aan het worden.
Wat Hayakawa daarmee mede liet zien, is dat die steeds
algemenere groepen steeds minder duidelijke en specifieke kenmerken hadden. Van
koeien weet je dat ze uiers en vier poten hebben, en van vee niet meer, want daaronder valt
ook pluimvee, en die hebben maar twee poten en beslist geen uiers. Dat "niet-specifiek"
is één van de zaken die afgekort is in "abstract", en in Hayakawa's "abstractieladder" worden de begrippen
algemener dus
steeds abstracter naarmate je verder naar boven gaat.
Er zijn vele soorten abstractieladders, maar degene die
begint met "Bessie de koe" en "koeien", eindigt met farm assets, assets, en
tenslotte wealth:
geld. In dit artikel gaat het om die laatstgenoemde: geld. Geld is bijzonder abstract - het is namelijk helemaal niets.
Sommige mensen zullen hier nog verbaasd zijn, maar velen
weten het al wel: geld is niets. Vroeger was het iets, in de tijd van de gouden
en zilveren munten, maar vrijwel iedere nationale bank heeft zijn goudreserve
inmiddels verkocht, dus geld staat voor niets. Nou ja ... het is belofte,
namelijk de belofte dat u het voor iets kan inruilen. En als zodanig is het een
bijzonder nuttig instrument, want anders moest u als bakker een stapel van de broden dat u
bakt meenemen naar de schoenmaker om uw schoenen te laten repareren - en nog
veel meer broden om die schoenen van hem te kopen.
De stap naar geld bestaat er eigenlijk uit twee afzonderlijke. De eerste stap
is die naar het schuldbriefje: de bakker kan naar de schoenmaker een stapel
broden meenemen, of hij schrijft een schuldbriefje waarop staat: "De schoenmaker
heeft recht op 5 broden uit mijn winkel"- Engelstaligen hebben een letterlijke
naam voor een schuldbriefje: een "I owe you", vaak afgekort tot
I.O.U. .
Deze eerste stap heeft al een paar problemen: ten eerste moet de schoenmaker
erop kunnen vertrouwen dat als hij
aankomt bij de bakker met niets anders in zijn hand dan een briefje, deze niet zegt: "Ik lever niet voor briefjes". En ten
tweede moet de bakker erop kunnen vertrouwen dat de schoenmaker niet stiekem een
1 zet voor de 5 - iets dat voor recent nog terug te vinden was in dat in sommige
officiële stukken de getallen in woorden uitgeschreven moesten worden. Dit
probleem is nu nog niet zo groot, want de bakker heeft wel een redelijk geheugen, en
bovendien kent hij ook zijn pappenheimers, oftewel: hij weet wie hij wel en niet
kan vertrouwen.
Als de bakker een wat grotere klantenkring heeft, doemt er nog een andere
probleem op: dat van Joris Goedbloed, die heeft gehoord van dat briefje van de
bakker, en zijn eigen briefje heeft gemaakt: "Joris Goedbloed heeft recht op 5
broden uit mijn winkel". Dit probleem is wat groter, want dan moet de bakker
naast zijn eigen handschrift ook andere echtheidskenmerken zien in te voeren.
Maar zelfs als Joris Goedbloed een uitstekend vervalser is, gaat het de bakker
razendsnel opvallen dat Joris Goedbloed wel bij hem komt afhalen, maar dat Joris
Goedbloed nog nooit iets aan hem geleverd heeft.

Nu komt de tweede stap. Want ook deze eerste tussenstap tussen directe
ruilhandel heeft nog zo zijn nadelen. Want de schoenmaker kan toevallig op een of
andere manier geen brood nodig hebben (misschien heeft hij een tijdelijke
glutenallergie), maar heeft hij wel behoefte aan melk. En dan heeft hij in plaats van een briefje
van de bakker, eentje van de melkboer nodig. En hier komt de handigheid van een
universeel schuldbriefje om de hoek kijken. En dat is dus geld.
Dus geld is een universeel schuldbriefje. Van het schuldbriefje erft het ook een
aantal eigenschappen: ten eerste dat het gebouwd is op vertrouwen: dat waar je
het op de ene plaats krijgt, je het op de andere plaats met dezelfde waarde kan
inruilen. En het erft dus ook precies dezelfde problemen: er kan aan gedokterd
worden, en er kunnen valse versies van in omloop komen. En het is zelfs erger:
want in tegenstelling tot op naam gestelde schuldbriefjes, kan geld verhandeld
worden. Deze vorm van tussenhandel kan dus niet gecontroleerd worden door de
bakker en de schoenmaker - in tegenstelling tot hun eigen schuldbriefjes, kunnen
ze hun eigen geld niet herkennen, want het is niet hun eigen geld - het is geld
van iedereen - anders kon je het ook niet overal gebruiken.
Ondanks deze aanzienlijke problemen waren de voordelen van geld veel groter,
zodat geld al lang geleden over de hele wereld is ingevoerd - in zijn meest
populaire versie in de vorm van zilveren en gouden munten
. De problemen ervan
probeert men te ondervangen door het proces van het maken
van geld voor te behouden aan
staten - of vroeger: de lokale machthebber(s). Een amateur in het vak van geldmaken staat bekend als "valsemunter",
uit de categorie van de oplichter of crimineel - onze
Joris Goedbloed van voorheen. Een van de manieren om de betrouwbaarheid van de
gouden munt als schuldbriefje met een vaste waarde te vergroten is de opstaande
rand, zie de illustratie - aan die opstaande rand kon men goed zien of er niet een
stukje van de munt was afgehaald (in latere versies kwam ook het ribbelrandje en
de randtekst).
Omdat geld zo handig is, zijn er ook mensen die gekomen die gespecialiseerd
zijn in het verhandelen ervan. De functie van de
geldhandelaar of geldwisselaar was ook om andere burgers die (tijdelijk) geld te weinig
hebben tijdelijk wat geld te geven. Dat geld kan bijvoorbeeld komen van mensen
die (tijdelijk) geld over hebben. Omdat de geldwisselaar natuurlijk ook moet
leven, rekent hij een tarief voor deze dienst - en dat tarief is wat wij "rente"
noemen. In feite is er dus wat geld in de wereld bijgekomen - die rente.
Het krijgen van geld wat je later terug betaalt heet "krediet" (van het
Latijnse credere: geloven of toevertrouwen). Het is hetzelfde als "Smid
leent boer een ploeg waardoor boer meer kan oogsten waarmee hij smid betaalt".
Krediet is, net als bijna alle andere het financiële producten, niets meer dan
het briefje waarop dit genoteerd staat.
Geld verhandelen, zou je dus denken, is een oud en eerzaam
beroep, net als brood bakken en schoenen maken. Het tegendeel lijkt waar: de
reputatie van geldhandelaars is niet helemaal zo eerzaam. Om heel precies te
zijn: de reputatie van de geldhandelaar is nog slechter dan die van dat andere
oeroude beroep, de prostitué. De reputatie van de geldhandelaar stinkt. Het is
een woekeraar.
Die slechte reputatie hebben ze gekregen door een simpel proces: de andere
burgers konden zien wat de geldhandelaar deed, en hoe rijk hij er mee werd - van
al die rente, al dat "uit geld gemaakte geld" dat hij verzamelde. Dat stond in
geen verhouding
. En als je aan het eind van de dag alle bestaande geldmunten verzamelde, dan
was het netto-effect dus dat de andere burgers minder munten hadden, en de
woekeraar meer. Geen wonder dat de eersten daar de pest over in hadden.
Maar de term "woekeraar" is van de oude tijd - nu is een bank, de
moderne geldhandelaar, toch een
eerzaam instituut? Kijk maar naar al die prachtige gebouwen met glas en marmer
... Inderdaad: kijk maar naar al die prachtige gebouwen met glas en marmer
. En
belangrijker: kijk naar al die mensen die in die gebouwen met glas en
marmer werken. Die verdienen salarissen van glas en marmer. Net als vroeger de
woekeraars.
Interessant genoeg dus om eens te kijken of er nog meer
overeenkomsten zijn. Hoe kwamen woekeraars, geldhandelaren, vroeger aan hun
slechte reputatie? Door voornamelijk drie dingen: door het leveren van versneden
geld (te weinig goud of zilver in de munt), door regelrechte vervalsing, of door
het berekenen van te hoge rente - aan dat laatste danken ze hun naam van
woekeraar. Het kunnen berekenen van een te hoge rente is deels natuurlijk ook
het gevolg van hun rol in de
maatschappij: omdat die maatschappij zo ingericht raakte dat je zonder
geld niet fatsoenlijk kon leven, konden en kunnen woekeraars meer vragen dan ze
strikt genomen aan dienst leveren - het marktprincipe, weet u wel ...
Nou, dat zijn toch dingen die de moderne bank allemaal niet
meer doet, zou je zeggen. Helaas, dat is niet waar. Dat doen ze allemaal wel -
maar op zo'n manier dat het niet opvalt. Of beter: dat doen ze al een hele lange tijd,
maar het begint steeds meer op te vallen. Vroeger deden ze het bijvoorbeeld door
elektronische afschrijvingen dezelfde dag af te handelen, en bijschrijvingen een aantal dagen
vast te houden - het kon soms wel een week duren. Toen dit voor het eerst werd
aangekaart, werd erover gelogen dat dit zo moest. Pas na enige tijd en na dwang
van de overheid, gaf men toe dat het gebeurde, en dat het niet hoefde.
Een geval van
recente datum is dat van levensherverzekeringen en hypotheken met
beleggingscomponenten. Bij de verkoop van de producten werden hoge rendementen
voorgespiegeld. Toen die niet gehaald werden, bleek dat tot tientallen
percentages van de inleg van de klanten gebruikt was voor diverse soorten
kosten. Om die reden heten die polissen nu "woekerpolissen". Om precies dezelfde
reden dus dat de geldhandelaar vroeger een "woekeraar" heette.
Als je berichten over de moderne financiële instellingen
verzamelt, blijkt dat ze nog steeds woekeraars zijn, alleen lopen ze niet mank en
hebben ze geen scheve neus, zie de verzameling bronnen hier
. Wat ze wel hebben zijn mooi pakken, gladde praatjes, en dikke portemonnees.
OK, we hebben vastgesteld dat de moraliteit van de
geldhandelaar, de financiële wereld, niet erg deugt - en eigenlijk bijzonder
waardeloos is. Het zou nauwelijks een verrassing moeten zijn in een
maatschappij waarin het eigenbelang wordt gezien als de motor van de
samenleving, en de geldhandelaar zijn hand heeft op zo'n beetje de belangrijkste
en meest gezochte handelswaar.
Tot nu toe was dit eigenlijk alleen maar een inleiding. Waarom
zo'n lange inleiding?
Het belang van die inleiding is om duidelijk te maken dat de
moderne geldwisselaar, de huidige financiële wereld waarin niet iets specifiek
materieels tegenover geld staat, geld kan maken uit geld en tot welke problemen
dat leidt.
In de oude situatie werd de woekeraar voornamelijk rijk door
te veel rente te berekenen - het vervalsen van geld kwam veel minder voor, want
het was tastbaar materiaal dat ook de leek redelijk kon controleren -
bijvoorbeeld door zijn tanden in een munt te zetten. Het geld dat de woekeraar
aan rente extra kreeg ging direct ten koste van anderen.
In de moderne situatie staat geld voor niets. Er valt dus
niets te controleren. In de moderne situatie kan je dus dus onbeperkt geld maken
uit geld. Bijvoorbeeld: door te
handelen in geld. Nu zou u verbaasd moeten zijn, want hoe kan je nu handelen in
niets? Tja, hier staat de redactie van deze website ook voor een raadsel, maar het
gebeurt. Het heeft zelfs aparte namen, bijvoorbeeld "valutahandel", en het is bijzonder populair
als tijdverdrijf voor mannen met nette pakken. Omdat je er bijzonder veel geld
mee kan verdienen. Ene George Soros stak er eens (1992) in een paar dagen een miljard
gulden (destijds) mee in zijn broekzak
(Wikipedia) .
Waar komt die miljard van George Soros vandaan? Uit het
niets! Zou je zeggen, want geld is niets. Hoewel ... We hadden wel gezien dat
het gebruikt wordt als belofte - dat je het kon inruilen voor iets dat wel
"iets" was - zeg bijvoorbeeld een huis.
Nu staat in uw stad een huis, en u wilt dat
huis kopen, voor een redelijke prijs - en u heeft een redelijk bedrag aan geld. En
voor die redelijke prijs zou u normaliter dat huis kunnen kopen. Maar nu komt George Soros,
en die heeft ook zin in dat huis. En die gaat tegen u opbieden voor dat huis.
Nou, met een miljard in zijn broekzak wint hij bij het bieden natuurlijk
makkelijk van u die alleen maar een redelijke prijs kan betalen.
George Soros kan dat doen voor een heleboel dingen, want een
miljard is een heleboel geld. Wat is dus het resultaat van het feit dat George
Soros een miljard in zijn broekzak heeft gestoken: dat u voor uw redelijke
bedrag niet langer dat huis kan kopen. En met u heel veel anderen die uitgeboden
worden door George Soros.
Dus wat is er in feite gebeurd: uw geld is minder waard
geworden. Want uw hoeveelheid geld is gelijk gebleven, en het huis is gelijk
gebleven. En toch kunt u het huis niet meer kopen. Dus de waarde van uw geld
moet minder zijn geworden - want een huis is iets, en geld is uiteindelijk
niets - alleen een belofte. Kennelijk heeft iemand een belofte gebroken.
Het proces dat we hiermee uitgelegd hebben, is natuurlijk wel
bekend, want dit heet inflatie. Inflatie is de moderne variant van het leveren
van versneden muntstukken - muntstukken met minder goud of zilver dan erop
staat.
Nu kan u denken: ja, het bedrag dat George Soros heeft
gecreëerd ten kost van ons allen is dan inderdaad wel een miljard, maar dat moet
je kennelijk afgemeten tegen het geld van ons allen, en dat is toch echt nog
heel, heel, veel meer dan een miljard. Klopt. Maar George Soros is helaas niet
de enige die dit spelletje speelt. Zoals gezegd, het is een veel-gespeeld
spelletje, met namen als "valutahandel". In die valutahandel gaan dagelijks sommen
geld rond die talloze malen groter zijn dan de echte economie van de meeste
landen, zo niet alle.
Nogmaals:
dit is niet echt geld - het zijn alleen maar cijfertjes, eentjes en nulletjes
in de computer. Het moderne geld is geen goud, geen munt of iets anders dat je
kan afbeelden - het beste dat je kan doen, is het illustreren als in het plaatje
rechts: rode lichtjes op een beeldscherm - let erop dat deze vorm van geld dus
geen opstaand randje heeft, zodat je niet kan zien of er iets vanaf is gehaald;
en het heeft ook geen kleur, zodat je niet kan zien of er geen goedkoop metaal
is bijgemengd.
Met het bedienen van de computers achter de beeldschermen met die rode
getalletjes verdienen
honderdduizenden en miljoenen mensen een luxueus tot zeer luxueus bestaan. Het is dit soort bestaan
waardoor hele steden als New York en Londen zo duur zijn geworden, want al die
grotere en kleinere George Sorosjes die met geld te veel geld verdienen maken de
huizen en de rest van het leven in financiële handelssteden als New York en
Londen te duur voor de gewone mensen die gewoon werk doen. Letterlijk. In een
stad als Londen is een het voor een tweeverdienend stel in beroepen als
politieagent en onderwijzer nauwelijks mogelijk een fatsoenlijk huis te huren of
kopen
.
Waar we nu expliciet over gesproken hebben, is de valutahandel. Maar er zijn nog
talloze andere manieren om geld met geld te verdienen. Al die vormen van
handel in geld en aanverwante producten tezamen noemen we de financiële wereld. Die dus nog veel meer geld
beslaat dan die van de valutahandel. De werkelijke waarde van de economie, de waarde van alle materiële goederen,
is volgens schattingen op dit moment nog
maar twee procent van de hoeveelheid geld die dagelijks in de financiële
wereld rondgaat (The future of money, door Bernard Lietaer
(Wikipedia) )
- nevenstaande illustratie van die dagelijkse geldstromen is ontleend aan Peter Hoopman
(voormalig Volkskrant-blogger - klik op het plaatje om de "implosie" te stoppen)
.
De praktische illustratie hiervan is de hoeveelheid geld die banken uit hebben
staan, en de hoeveelheid die ze daadwerkelijk in kas hebben. Dat laatste
bedraagt normaliter en gemiddeld zo ergens rond de vijf procent van het eerste.
Iets dat kan werken doordat de mensen die geld bij de bank gestort hebben, erop
vertrouwen dat de bank het weer kan terugbetalen. Daarom is dat vertrouwen zo
essentieel geworden, want als dat wegvalt, ontstaat er een zogenaamde "bank run",
en gaat de bank gewoonlijk failliet. En zijn de inleggers hun geld kwijt.
Oké, volgende stap. Laten we eens stellen dat de winst in die
de financiële wereld maakt 1 procent is - het percentage dat ze
bijvoorbeeld rekenen voor "onkosten" bij diverse financiële producten
is ergens rond de drie (een
bescheiden percentage, zeggen ze zelf). Als dit percentage geheven zou worden
over de waarde van de economie, zou dat een hoog bedrag opleveren, maar daar zou
door extra investeringen die het bedrijfsleven kan doen een redelijk
vergelijkbare economische groei tegenover staan.
Maar in werkelijkheid wordt de marge van de financiële wereld berekend over
het extra geld dat de financiële wereld heeft geschapen - dat is 50 keer zo
veel, dus de totale winst is 50 keer zo veel. Daar staat geen overeenkomstige
sterkere economische groei tegenover. De extra hoeveelheid geld die in de
financiële wereld omgaat, leidt tot veel meer winst voor de financiële wereld,
veel meer extra geld dan er economisch waarde tegenover staat
. Het extra geld
dat in de financiële wereld rondgaat leidt dus ook tot extra inflatie. Vandaar
dat bij een nulgroei in de economie, deze in feite, zoals ook door iedereen ook
geïnterpreteerd, toch achteruit gaat: er is een lek, een zwart gat, in de vorm
van de financiële wereld.
Dit is tot nu toe in statische termen geformuleerd, maar het geldt natuurlijk
met name voor schommelingen in de economie zowel in delen ervan als voor het
geheel. Bij een economisch groei van zeg 1 procent, maken de banken op hun
beleggingen niet een procent winst op de werkelijke economie, maar op het geld
in de financiële wereld. Dat is dus 50 keer zo hoog. Heel fijn voor de banken,
die het overgrote deel daarvan in hun eigen zak stoppen, dat wil zeggen: van hun
personeel en voornamelijk de top.
Maar dat proces geldt ook omgekeerd: bij teruggang in de economie ontstaan er
verliezen - weer niet verliezen over de werkelijke economie, maar over het geld
in de financiële wereld. Vijftig keer zo veel verlies
. En als die schommelingen maar groot genoeg worden, en dat hoeft dus niet zo
erg groot te zijn, kan dat verlies te groot worden. En gaan er banken en
financiële instellingen failliet. En verliezen de inleggers, de burgers, hun
geld. Iets dat we in de huidige tijd kennen als de "kredietcrisis"
. Degene die begon in 2008.
Het feit dat er zo veel meer geld in de financiële wereld rondgaat dan er
werkelijke economie is, kan aangeduid worden met een term afkomstig uit de
techniek: de hefboom: door een klein stukje te trekken aan het korte uiteinde
ervan, gaat het lange uiteinde een stuk verder omhoog. Een principe dat als je
dat in de financiële wereld als particulier wilt doen, als riskant wordt
omschreven, want dat is hetzelfde als beleggen met geleend geld, of speculeren
. De financiële wereld doet precies hetzelfde, maar dan op grote schaal. Met dit
verschil dat ze de winst in eigen zak steken, en het verlies afwentelen op de
rest van de burgers. Een stand van zaken al meerdere malen omschreven als "Een
casino zonder nieten".
Een van de manieren waarop de financiële wereld geld
maakte uit geld en één van de meer specifiek oorzaken van de kredietcrisis
beginnende 2008 was door het verstrekken van hypotheken voor meer dan de
werkelijke waarde van het huis. Het verstrekken van een hypotheek is hetzelfde
als uitgeven van geld, en het verschil tussen de uitgegeven hoeveelheid en de
werkelijke waarde van het huis is de hoeveelheid nieuw gemaakt geld. Men
beargumenteerde het uitgeven van meer geld dan de waarde van het huis door de toekomstige
winsten ten gevolge van de (veronderstelde) waardestijging van het huis
mee te rekenen. Dit werd gedaan onder de noemer van gewoon "bankieren", maar uit de simpele
omschrijving hier gegeven kan men onmiddellijk zien dat het geen gewoon
bankieren of financieren is, en ook kan men meteen zien wat het dan wel is: het is dezelfde werking
als die van een
piramidefonds
. In dit geval heeft men het piramidegedrag tot ongekende hoogte
gedreven, door de betreffende hypotheken in grote pakketten ook weer te
verhandelen, met beloftes van winst, waarop dan door de verkoper ook weer winst
werd gemaakt. Waarop de koper het ook nog eens door kon verkopen, enzovoort.
Ieder verstandig mens weet wat er gebeurd met een
piramidefonds, of soortgelijke constructies: het werkt zolang het groeit, en
zodra de groei eruit is, stort het in zijn geheel ineen. Het bekendste
historische voorbeeld is dan de de tulpenrage in het Holland van de Gouden Eeuw.
En met de tulpenrage heeft de huidige financiële crisis een oorzaak gemeen: er
zijn te veel personen met te veel geld, die in staat zijn de prijzen van
producten te ver op te drijven. Achteraf is het iedereen duidelijk, ook de
deelnemers, en achteraf blijkt ook dat men het eigenlijk allemaal zelf ook wel
wist, ook de deelnemers
.
Maar er is wel op zijn minst één groot verschil tussen de
tulpenrage of piramidefondsen en de financiële wereld: in het eerste geval kan
je ervoor kiezen eraan mee te doen - in het tweede geval niet. Iedereen in het
land heeft geld. Dus iedereen doet gedwongen mee met de piramideconstructies van de financiële wereld. En, volgt hier strikt logische gezien uit: iedereen
lijdt verlies als de piramideconstructies van de financiële wereld in elkaar
storten. En wat zien we op dit moment (en we schrijven juli 2008): de
overheden worden gedwongen om reusachtige bedragen in de financiële wereld te
stoppen, om de in elkaar stortende instellingen op de been te houden. "Ja", zegt
de deskundige op televisie dan, "dat kost wel geld, maar het laten instorten van
de betreffende instellingen is weer een onoverkoombaar verlies voor andere
instellingen, waardoor je een lawine-effect krijgt en het totale verlies nog
veel groter wordt". En dat klopt. Zo stort inderdaad een piramide in elkaar.
Daarmee kunnen we alvast een paar kenmerken van de financiële
wereld opschrijven:
- Ze werken met het hoogst abstracte en toch meest gewilde goed ter wereld
.
- Het zijn beslist geen integer soort mensen
.
- Ze verdienen geld waar geen goederen tegenover staan, en dragen dus
sterk bij aan de inflatie - oftewel: hun inkomen gaat ten koste van anderen.
- Ze hanteren piramideconstructies waaraan iedereen gedwongen is mee te
doen.
Je kan deze kenmerken ook samenvatten in de terminologie dat de financiële
wereld een sterk "parasitair" karakter heeft
. Dat is het snelst te zien als (een
deel van) het systeem instort, waarbij dan de rest van de maatschappij met
gigantische sommen geld moet bijspringen
. Omdat het winst-maken door anderen, gebruik makende van de ineenstorting,
gewoon en ongehinderd doorgaat, is er dus sprake van een netto-stroom van
publiek geld naar privaat, van alle burgers naar de individuen of kleine groepje
uit de financiële wereld
. Maar buiten dit zeldzame kortdurende gebeuren om is het op de langere
tijdsschaal ook zo dat zolang het systeem draait, de financiële wereld in een
continue stroom grote sommen geld in de zakken van de deelnemers stopt
, zonder dat daar enige tastbare tegenprestatie tegenover staat. En dit alles onder leiding van wereldwijd gezien een kleine groep mensen, met
de bijpassende mentaliteit
.
De conclusies hieruit zijn overduidelijk. Eerst de negatieve, dat wil zeggen:
we halen even het nuttige aspect van de financiële wereld eruit: het opslaan van
gespaard geld van de ene burger en het tijdelijk uitlenen aan de andere, en
dergelijke. Zoals we gezien hebben, houden we dan het over-, overgrote deel
over. Dat deel is weliswaar formeel legaal, maar als we dat even zouden
vergeten, en het geheel bijvoorbeeld zouden opsplitsen in kleinere meer
zichtbare processen, dan zouden we daar dezelfde namen bij gebruiken als voor de
meer openlijke piramidefondsen: fraude, oplichting, diefstal, verduistering,
enzovoort. Kortom: de financiële wereld is een vorm van
witte-boordencriminaliteit op een werkelijke gigantische schaal - op een
waarlijk geglobaliseerde schaal. Nog wat voorbeelden hier
. Voor een overzicht van wie de slachtoffers zijn, zie hier
. Wat de slachtoffers er van vinden staat hier
.
Dan de positieve conclusie: omdat geld in het huidige systeem geen materiële
tegenwaarde heeft, en toch noodzakelijk is voor het functioneren van de
maatschappij, is het in verband met de genoemde eigenschappen en processen, en
de bekende zwakheden van de mens, volstrekt onzinnig de afhandeling ervan toe te
staan aan particulieren of private instellingen. Het ontstaan van zaken als
woekerwinsten en wereldwijde financiële crisissen is een natuurlijk en
onontkoombaar gevolg van het vrijgeven van de handel in geld aan particulieren
en private instellingen.
Maar dit proces gaat nog verder. Zoals we in de aanvang gezien hebben, staat
de financiële wereld aan de top van de abstractieladder die begint met Bessie de
koe, die we ook de economische abstractieladder kunnen noemen. En het is een
welbekend feit dat wat er aan de top van een organisatie gebeurd, een directe
weerslag heeft op de sfeer in de rest ervan. Oftewel: wat er aan de top van de
economie gebeurt, heeft ook zijn weerslag op de rest ervan, en omdat de economie
een groot deel van de maatschappij als geheel bepaalt, ook zijn weerslag op de
hele maatschappij.
En wie zijn ogen ook maar een klein beetje open heeft, kan dat laatste in de
hele maatschappelijke sfeer overduidelijk waarnemen. Vanaf de top van de elite,
via de middengroepen die voor hen de besturende taken uitvoeren, wordt de sfeer
steeds verder doordrenkt met egoïsme en materialisme. "Maak de rijken rijker",
en "Greed is good" zijn kende slogans uit de tijd dat men openlijk
campagne voerde voor deze stromingen. Europeanisering en globalisering zijn de
meer verhullende strijdkreten die nu worden ingezet. Een geestelijke
houding die men terug kan vinden in de hele geschiedenis van het kapitalisme en
haar ideologie
.
"Europeanisering" en "globalisering" staan op dezelfde voet als "Maak de
rijken rijker" en "Greed is good" omdat ze hetzelfde effect beogen en
nastreven: het goedkoper maken van de arbeid, ten einde de opbrengst voor de
mensen met financiën en de financiële wereld te vergroten. Het gaat in beide
gevallen om de waarde van arbeid van hen die produceren niet uit te keren aan
die producerenden, maar in handen te stoppen van de al rijke elite en hun
hulpjes. Hetgeen betekent dat de elite en de middenklassen van zeg één tot tien
jaar werken rond kan komen voor de rest van zijn leven, terwijl de producerende
tot aan zijn 65ste moet werken - terwijl als de waarde van zijn productie niet
voor een groot deel naar de rijken ging, hij eerder kon stoppen met werken.
Waarmee het proces van de "herverdeling" van de waarde van arbeid richting de
rijken en hun hulpjes, afgekort kan worden tot "uitbuiting" - of: "het is
diefstal van leven"
.
Laten we even teruggaan naar de simpele vorm van economie met de bakker en de
schoenmaker, en hun schuldbriefjes. Bij hun schuldbriefjes was al vertrouwen
nodig. Voor het universele schuldbriefje is nog meer vertrouwen nodig. Dat
vertrouwen dat er onder andere in bestaat dat Joris Goedbloed niet in staat is
eigen schuldbriefjes te maken, en zo een lekker lui leven te leiden op kosten
van de bakker en de schoenmaker. Wat de financiële wereld doet is het maken van
geld, het maken van eigen schuldbriefjes. De financiële wereld is dus één grote
Joris Goedbloed club - een club van nieuwe woekeraars
- met collaboratie van de middenklassen
. En
de financiële wereld zal, zolang ze vrij hun gang mogen gaan, altijd één
grote Joris Goedbloed club blijven, omdat geld nu eenmaal die al geconstateerde
verslavende werking heeft
. De finale conclusie heeft zichzelf al uitgesproken, maar
voor de duidelijkheid: in een fatsoenlijke maatschappij, dat wil zeggen een
maatschappij die uitbuiting en misbruik van mensen minimaliseert, zijn financiële instellingen genationaliseerd
en financiële transacties buiten het gereguleerde systeem om verboden, omdat ze anders leiden tot bewezen en ontoelaatbaar misbruik op
gigantische schaal
. Een verbod op financiële transacties heeft precies dezelfde
status als het verbod op andere vormen van diefstal, en zaken als moord: het
zijn handelingen die onoverkomelijke schade toebrengen aan anderen, en omdat ze
de veiligheid en het vertrouwen in de maatschappij als geheel verstoren,
verboden moeten worden. De financiële crisis van 2008 heeft geleidt tot
onoverkomelijk schade voor grote aantallen individuen, terwijl een kleine groep
er beter is geworden: de financiële wereld - precies dezelfde situatie als van
een groep gangsters die een stad terroriseert.
Iedere vorm van vrijgeven van de financiële
wereld aan individuen zal op termijn tot dezelfde soort gevolgen leiden, omdat
er doodgewoon altijd veel te veel individuen zijn die, vaak met de meest
prachtige smoezen, bereid zijn te stelen van de gemeenschap
. Het leidt tot een voortdurende en steeds sterker wordende ondermijning van het
onderlinge vertrouwen in de samenleving. Waarom zou je als je slim bent iets
fatsoenlijks gaan doen, als je binnen een paar jaar rijk kan worden in de
financiële wereld? Het bestaan van een private financiële wereld stuurt
daardoor ook altijd automatisch naar een specifieke vorm van economie, namelijk
de neoliberale kapitalistische economie. Een private financiële wereld is dus in
strijd met het idee dat de inrichting van de economie een kwestie van politieke
keuze, dus een keuze van alle burgers moet zijn. Oftewel: het is in strijd met
de democratie. Concreter: het bestaan van een private financiële wereld stuurt
automatisch richting plutocratie
. Dit voor zover de aard van het probleem. Hoe men de overgang naar het gereguleerde systeem geleidelijk kan organiseren, staat hier
.
Natuurlijk is men het met dit soort oplossingen in de kapitalistische wereld
helemaal niet eens. Alleen al het noemen van het idee om geld weer te relateren
aan de werkelijke waarde, iets als een "gouden standaard", leidt tot uitspraken
als "Onzin!", "Achterlijk!", "Staatsinvloed!" en "Communisme!"
vanuit de hoek van degenen die hun mogelijkheid tot stelen van de gemeenschap
zien ontnomen
- dit met steun van de oude en nieuwe rechtse ideologen
. De noodzakelijke oplossing van nationalisatie zal dus altijd op onoverkomelijke
tegenstand stuiten
- men gaat zelfs zo ver als te ontkennen wat de oorzaak van de kredietcrisis is:
de ontkoppeling van geld van materie
. Men probeert te komen met eigen oplossingen, waarvan men zeker weet dat ze
niet werken, zoals "meer toezicht"
.
De voorspelling
hier luidt dan ook dat zodra de huidige crisis uitgeziekt is, men weer
terugzakt naar het oude systeem
. Een echte regulering zou namelijk inhouden dat
alle grote schommelingen in het systeem verdwijnen, en de grote winsten zoals in
de financiële wereld kunnen alleen gemaakt worden bij grotere schommelingen in
het systeem. En het uiteindelijke doel van het kapitalistische systeem is het
rijker maken van de rijken ten koste van de werkenden, en desnoods ten koste van
de armen.
Het nationaliseren van de banken en het verbieden van de handel in alle
geldproducten door particulieren zijn oplossingen voor de langere termijn. Op de
korte termijn, er is nog het probleem van de slechte leningen bij de banken en
verzekeraars. Op het moment dat we deze sectie schrijven, maart 2009, zijn de
bijdragen in steun al opgelopen tot in de biljarden, en er moet nog meer geld
komen. Dat geld moet van de overheid komen, omdat particuliere instellingen en
personen dat natuurlijk niet zullen doen. Wat als nettoresultaat heeft dat de
publieke zaak, iedereen dus, opdraait voor de verliezen van de het financiële
casino, en een kleine groep particulieren met de opbrengsten blijven zitten. Dat
resultaat is natuurlijk volkomen ondenkbaar, en het alternatief is simpel:
confiscatie van alle particuliere kapitaal en dat van private financiële
instellingen als hedgefondsen, beginnende van boven, en net zo lang tot de
rekening van de kredietcrisis voldaan is. Is dat niet voldoende, of als
alternatief, kan men ook denken aan het confisceren van alle kapitaal boven een
bepaald bedrag, tien miljoen euro, zijnde wel ongeveer het maximum dat men met
hard en fatsoenlijk werk over een heel leven kan verdienen.
De kredietcrisis van 2008 heeft natuurlijk aanleiding gegeven tot talloze
commentaren, die deels ook betrekking hebben op het voorgaande - een aantal slechte
vindt men hier
, en een aantal goede hier
.
Naar Economische sectoren
, Economie,
lijst
, Economie,
overzicht
, of site
home
.
|