De economische groeiwetten
| 11 aug.2002 |
Een van de belangrijkste economische wetten is de wet van de groei. In feite is het geen echt
economische, maar een wiskundige wet. In woorden luidt de wet dat wat het grootst is, het
hardst groeit. Het eerste economische voorbeeld: Jan heeft 1000 gulden gespaard, en Piet
100.000 gulden. Ze zetten het geld op eenzelfde soort rekening met een zelfde rente
percentage, stel 10 procent. Na tien jaar heeft Jan afgerond 2600 gulden, en Piet 260.000.
Oftewel Jan heeft er 1600 gulden bij, en Piet heeft er 160.000 gulden bij. In guldens is de
groei van Piet kapitaal 154.400 groter dan dat van Jan. In algemenere termen: wat het grootst
is, groeit het hardst. Toegepast op personen is dit de micro-economische groeiwet
Een exacteling zou kunnen tegenwerpen dat het percentage van de groei hetzelfde is.
Dat is in wiskundige zin juist, maar in economische zin niet relevant: zowel Jan als Piet
betalen hun rekeningen uiteindelijk in guldens, en niet in percentages.
Een tweede groeiwet is de investerings-groeiwet. Stel twee bedrijven hebben een omzet van
10 miljoen en 100 miljoen. Als bij gelijkblijvende andere omstandigheden bedrijf A een
bedrag van, stel, 1 miljoen kan investeren in product- of efficiency ontwikkeling, dan kan
bedrijf B 10 miljoen investeren. Bedrijf B kan dus zijn bestaande producten beter
ontwikkelen, nieuwe producten sneller ontwikkelen, of zijn productiekosten verder omlaag
brengen dan bedrijf A. Bedrijf B zal dus met betere, nieuwere, of goedkopere producten op de
markt kunnen komen dan bedrif A, puur en alleen omdat het groter is. Dit is de macro-economische investeringsgroeiwet.
Hoewel het populair is geworden om de wereld voor te stellen als een enkele economie, is de
werkelijkheid dat er tussen sommige delen van de wereld meer overeenkomsten zijn dan
tussen andere, oftewel er zijn min of meer duidelijke grenzen zijn aan te geven. Die
werkelijkheid wordt weerspiegeld in het woordgebruik als de westerse economie, de Japanse
economie, de Zuid-Amerikaanse economie. Die locale economieën zijn in feite
conglomeraten van bedrijven.
Daar waar voor bedrijven een groeiwet geldt, geldt voor conglomeraten van bedrijven iets
dergelijks, maar dan op grotere schaal. In een land of economie waarbinnen een mate van
samenwerking bestaat, kunnen grotere economieën meer en/of grotere investeringen doen dan
kleinere economieën, bij gelijkblijvende andere omstandigheden als samenwerkingsgraad. De
grotere locale economieën zullen dus het hardst groeien. Dit is de globale
investeringsgroeiwet.
Bij het nemen van investeringsbeslissingen van grote kapitalen worden die beslissingen op
lokaal of globaal economisch niveau genomen. De meeste opbrengst is volgens de
verschillende groeiwetten te verwachten bij investering in de grootste entiteiten. Bij een keuze
tussen een investering in een grotere of een kleine locale economie, is qua opbrengst de keuze
die voor een grote economie. Maar als deze
beslissingen genomen moeten worden door bedrijven of andere economische
instellingen binnen een lokaal conglomeraat,
zullen ze vaak toch lokaal investeren, omdat die investeringen tot locale economische
activiteit leiden, waar het investerende bedrijf weer van kan profiteren.
Stel nu dat een individueel persoon in een kleine economie op een of andere wijze een
kapitaal heeft verworven. Dan is het volgens de groeiwet het verstandigst om het kapitaal te
beleggen in een andere, grotere economie. En een individu heeft geen economische bindingen
met zijn eigen economie, zoals grotere economische instellingen dat wel hebben. Volgens de
investeringsgroeiwet stroomt het individuele kapitaal dus van de kleine naar de grotere
economie. Dit is de economische stromingswet.
Hoewel het voorgaande strikt theoretisch is opgebouwd, is er niet meer dan een half geopend
oog voor nodig om te kunnen constateren dat in de wereld van de werkelijke economie
precies zo werkt. Het meest opvallende voorbeeld is dat van de Afrikaanse of Zuid-Amerikaanse
dictators, die hun geld allemaal in het westen belegden en dus investeerden
(hetzelfde geldt in mindere mate voor de huidige leiders). Een ander mooi voorbeeld is de
gang van zaken rond de Russische economie. Zodra deze economisch in contact kwam met de
westerse economie omdat het kapitaal in handen kwam van individuen die vrij konden
handelen, stroomde het kapitaal met honderden miljarden tegelijk naar het westen. Een derde
voorbeeld is dat in alle economieën die van een positie van min of meer isolatie naar een
situatie met meer vrijhandel met het westen zijn gegaan, de inkomensverschillen in die landen
altijd ontzettend zijn gestegen.
In het algemeen kan men stellen dat er vrijwel geen onderontwikkelde economie is die zich
heeft ontwikkeld, die die ontwikkeling in een situatie van volkomen vrijhandel heeft gedaan.
Een tweede regel is dat zwakke economieën die in een situatie van toegenomen vrijhandel
met het westen zijn gekomen door die verandering verzwakt zijn.
De laatste fase van de toepassing van de groeiwet is daar waar de grotere economieën hun
omvang gebruiken om zichzelf in een gunstige positie te plaatsen ten opzichte van de
zwakkere economieën. Voorbeeld zijn de importheffingen die Europese landen leggen op vele
landbouwproducten uit Afrika. Omdat deze producten het voornaamste exportproduct zijn, is
dit in feite een exportbarrière voor de Afrikaanse economie. Dit is de eerste coërsieve,
zichzelf afdwingende,
groeiwet: hoe groter de economie, hoe gunstiger handelsvoorwaarden het kan afdwingen, en
hoe harder ze kan groeien.
De belangrijkste toepassing van de coërsieve groeiwet ligt in combinatie met de locale
investeringsgroeiwet: door kleinere economieën te dwingen hun economieën open te stellen
voor de westerse economie, garandeert de grotere economie een extra groei ten koste van de
zwakkere economie. De belangrijkste instrumenten van deze groeiwet zijn het Internationale
Monetaire Fonds (IMF) en de Wereldbank. Deze instellingen lenen geld aan zwakkere
economieën, op voorwaarde dat deze hun economieën privatiseren en vrijhandel met het
westen invoeren.
De coërsieve groeiwet veroorzaakt een versnelde verdere verzwakking van de
al zwakkere economieën. In sommige gevallen leidt dit tot een volledige instorting van de
economie. De meest recente heeft plaatsgevonden in Argentinië in juni-juli 2002. Andere Zuid-Amerikaanse
landen staan in augustus 2002 op het punt van instorten.
Als het voorgaande juist was, zou het zo moeten zijn dat de grootste voorstanders van de
vrijhandel en alles dat daarmee samenhangt te vinden zijn in de grootste economie. En
natuurlijk klopt dit want die grootste voorstanders zijn te vinden in de Verenigde Staten. Om
precies te zijn is het zo dat de belangrijkste instrumenten van de coërsieve groeiwet, het IMF
en de Wereldbank, vrijwel volledig beheerst worden door Amerikanen. Of dit puur uit
winstbejag of andere vormen van eigenbelang is, is onderwerp van een andere discussie. Er
blijft het pure feit dat het werkt zoals het werkt: de Verenigde Staten gebruiken economische
wetten om andere economieën, landen, en burgers van die landen uit te persen. Een situatie
die niet zonder precedent is, de oude Romeinen waren de Amerikanen hierin al ruim
tweeduizend jaar voor.
Naar Economie, basis, I
,
Economie lijst
, Economie overzicht
, of site home
.
|