De Volkskrant, 23-06-2005, door Dorien Pessers

Managers ondermijnen de beroepseer van werknemers

Tussentitel: Velen geven hun betrokkenheid bij de arbeidsorganisatie op

Bij grote delen van de beroepsbevolking worden beroepsvreugde, de beroepstrots en de beroepsethiek langzaam maar zeker vernietigd door procesmanagers die een geheel eigen toneeltaal spreken, stelt Dorien Pessers

Lijdt Nederland aan communicatiestoornissen? Volgens sommige politici wel. Het multiculturele drama, de opstand van de Fortuyn-kiezers, het massale verzet tegen het Europese grondwettelijk verdrag en de maatschappelijke onrust over de voortgaande afbraak van gemeenschapswaarden: het zou allemaal een kwestie zijn van communicatiestoornissen.
    Maar liggen deze veelbesproken kwesties niet ingewikkelder? En is er niet eerder sprake van een crisis in de politieke retoriek"? Een politicus moet in de eerste plaats overtuigend zijn. Voor overtuiging is nodig dat de taal van de spreker aansluit op de taal en de ervaringen van degenen die worden aangesproken. Sommige politici, zoals indertijd Hans van Mierlo en nu Jan Marijnissen, slagen daarin. Andere politici hullen zich onmachtig in een strategische of technocratische taal en missen daardoor de aansluiting met hun publiek.
    Meer dan ooit bleek dat tijdens de ja-campagne voor het Europese grondwettelijke verdrag. Aan de burgers werd een onleesbare verdragstekst voorgelegd, die vervolgens op een wanhopige wijze door politici werd verdedigd. Een onmogelijke opgave, die dan ook resulteerde in een massale afwijzing. De taal van de politici was de taal van een andere wereld en in die zin een kunstmatige en toneelmatige taal.
    De discrepantie in talen - die werkelijke communicatie onmogelijk maakt - beperkt zich niet tot de politieke sfeer. Ook de arbeidssfeer zucht onder meertaligheid en ook daar is sprake van een toneelmatig universum dat niet aansluit op de geleefde ervaring van grote delen van de beroepsbevolking.
    Dagelijks worden professionals in de private en publieke sector aangesproken in een taal die niet hun eigen concrete werkelijkheid uitdrukt, maar de schijnwereld van managers. Deze schijnwereld wordt gedomineerd door doelstellingen die in een theatrale retoriek worden geformuleerd en herhaald: topkwaliteit. topprofessionaliteit, toptalent, excellentie en onophoudelijke innovatie.
    Deze doelstellingen kunnen volgens de logica van het theater maar op één wijze worden bereikt: door invoeging van de werknemers in de toneelwereld van de manager. Niet voor niets duidt de huidige manager zichzelf als een regisseur die geen andere rol beweert te hebben dan zijn acteurs te laten excelleren in permanente topprestaties. Wil de manager de professionals optimaal regisseren, dan moeten de professionals uiteraard volgens het script acteren.
    Daarom is van de docent een coach gemaakt, van de arts een ondernemer, van de ambtenaar een vrije jongen, van de hoogleraar een fondsenwerver, van de agent een
administrateur en van de gezinsvoogd een formulierenvreter. Aan de burger wordt de bijbehorende acteursrol van kritische consument opgelegd, aan de patiënt die van cliënt of hotelgast en aan de student de acteursrol van afnemer van het product onderwijs.
    Professionals laten zich echter niet gemakkelijk hun beroepsidentiteit ontnemen. Daarom heeft de regisseur dwangmiddelen nodig, in de vorm van inmiddels alom tegenwoordige controlesystemen. Deze bestaan uit prestatie-indicatoren, prestatiecontracten, procedures, protocollen, tijdschrijf-verplichtingen, financiële prikkels, afrekeningen op output en rendement, onophoudelijke verslaglegging en een permanente bewaking van werknemers door middel van elektronische communicatietechnieken.
    Ten behoeve van zijn onwillige acteurs wordt de regisseur niet moe zijn imaginaire werkelijkheid te illumineren met behulp van beamer- en power point-presentaties van organogrammen, grafieken en tabellen.
    En werken ook deze dwangsystemen onvoldoende, dan zit er voor de manager maar één ding op: nog meer van hetzelfde. Nog meer managers, nog meer reorganisaties, nog meer power point-presentaties, nog meer holle retoriek over topprestaties en topkwaliteit, kortom, nog meer wanhopige aansturing van zijn virtuele werkelijkheid. 'De groeiende korst van nepfuncties die onze bedrijven, scholen en andere organisaties nutteloos belasten'. waarover Geert Mak in zijn Raiffeisen-lezing in 2004 sprak, wordt almaar dikker. Of, in de woorden van de Raad voor Economische Adviseurs (een adviesorgaan van de Tweede Kamer): 'Zonder een trendbreuk zal een steeds groter deel van de beroepsbevolking zich bezighouden met het uitvaardigen van regels, met het bestuderen en implementeren van regels, met het voldoen aan opgelegde informatieverplichtingen en tenslotte met het verwerken van de verkregen informatie.'
    De lachlust, het cynisme en demotivatie die door deze managementtechnieken worden opgeroepen, lijken de managers aan de top te ontgaan, verstoken als zij zijn van gevoel voor realiteit. Die realiteit is dat bij grote delen van de beroepsbevolking de beroepsvreugde, de beroepstrots en de beroepsethiek langzaam maar zeker worden vernietigd onder - wat filosoof Ad Verbrugge noemt - het 'zinloze geweld' dat deze procesmanagers uitoefenen. (Zie ook de Volkskrant, 8 mei 2004, red.)
    Professionals spreken hun eigen taal. Die is - zeker in het onderwijs en de gezondheidszorg - concreet, persoonsgericht, door ervaring gevoed en gestuurd, en in collegiaal overleg getoetst. Toneelmatig optreden door arts of docent wordt dan ook meteen afgestraft door patiënt en student. Beroepsvreugde en beroepseer hebben alles te maken met deze autonomie van spreken en handelen, met integriteit, met zelfrespect en soevereiniteit in eigen kring. Deze hangen op hun beurt nauw samen met beroepsethiek en collegialiteit. Ze vormen de kern van het menselijk kapitaal in elke organisatie. Maar met human resources management wordt kennelijk iets anders bedoeld.
    De immateriële aspecten van het arbeidsethos zijn kenmerkend voor het Rijnlandse model van de arbeidsorganisatie. In dit model - dat historisch mede werd bepaald door het gildesysteem - gold vanouds de regel: `Wie het weet, mag het zeggen.' Op dit continentaal-Europese model sloot het pleidooi voor humanisering van de arbeid aan, dat in de jaren zestig door de linkse beweging met kracht naar voren werd gebracht, als waarschuwing tegen verdergaande rationalisering en dehumanisering van de arbeid. Dit model, waarin de mondigheid van de zelfbewuste burger en de professionele identiteit van de werknemer voorop staan, heeft het niet gewonnen. De bestuurlijke elite in zowel de private als de publieke sector heeft het Angelsaksische model omhelsd. Daarin geldt de regel: 'Wie de baas is, heeft het voor het zeggen.' De twee regels drukken een wereld van taal- en mentaliteitsverschil uit.
    Een andere realiteit die in de virtuele wereld van de managers niet wordt gezien, is de deprofessionalisering van delen van de beroepsbevolking. als gevolg van hun beleid. Heel duidelijk is daarvan sprake bij het lerarenberoep dat jarenlang op respectloze wijze in diskrediet werd gebracht. Op het moment dat de desastreuze gevolgen daarvan zichtbaar zijn geworden en zelfs worden erkend door de wetgever, maakt dezelfde wetgever zich op ook het huisartsenberoep te degraderen. Huisartsen worden onder de commerciële regie van zorgverzekeraars gebracht en gedwongen de rol van ondernemer en coördinator te spelen.
    Eerder al werden wetenschappers van een substantieel deel van hun autonomie beroofd. Ze zijn gedwongen hun onderzoek aan te passen aan centraal opgelegde thema's, in onderlinge concurrentie naar financiering te dingen, en tijdrovend verslag uit te brengen over hun activiteiten volgens formatiemodellen en tabellen die weinig tot niets met de werkelijkheid van doen hebben. Deprofessionalisering van de beroepsbevolking wordt mede bevorderd door modieuze onderwijstheorieën waarin niet langer vakkennis centraal staat, maar het aanleren van competenties die in willekeurig welk vak bruikbaar zouden zijn.
    Deprofessionalisering en het daarmee gepaard gaande verlies van beroepsvreugde en beroepseer is niet alleen een arbeidsprobleem, waarvoor slechts managers en hun theater-theorieën verantwoordelijk zijn. Het is mede een politiek probleem.
    Het gaat hier immers om de dagelijkse realiteit van burgers die worden onderworpen aan wat Peters en Pouw in hun gelijknamige boek `intensieve menshouderij' noemen. Bovendien is de politiek mede verantwoordelijk voor de herinrichting van de publieke sector naar bedrijfsmatige modellen. Doelbewust is immers - onder invloed van Amerikaanse public management-theorieën - gekozen voor een herdefinitie van collectieve goederen in termen van marktproducten, en voor de opsplitsing van het openbaar bestuur in bedrijfseenheden, die vervolgens werden onderworpen aan neo-tayloristische dwang- en controlesystemen. Deze leiden, achter de façade van het waarden- en normendebat met zijn nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van burgers, tot feitelijke reductie van de eigen verantwoordelijkheid van werknemers. De chronische crisis in de politieke retoriek heeft geleid tot ressentiment en structureel wantrouwen onder de burgers, waarmee politici dagelijks worden geconfronteerd. Het decennialang degraderen van professionals en het miskennen van de immateriële aspecten van het arbeidsethos, zoals beroepsvreugde, beroepseer en beroepsethiek, frustreren de Nederlandse werknemers. Velen vervallen in cynisme of geven hun betrokkenheid bij de arbeidsorganisatie op. Anderen passen zich met graagte aan aan een wereld waarin beroepsethiek geen belangrijke waarde meer vertegenwoordigt.
    Notarissen hebben na invoering van de marktwerking in het notarisambt in een paar jaar tijd hun vanzelfsprekende reputatie van integriteit verspeeld. Directeuren van verzelfstandigde bestuursorganen hebben zichzelf riante salarissen toegekend, en directeuren van zorginstellingcn lieten onlangs weten geen boodschap te hebben aan de publieke moraal en daarom niet bereid zijn hun exorbitante salarissen te matigen.
    Willen we deze excessen beperken en een productief Nederland ontwikkelen, dan zijn een terugkeer naar het realiteitsprincipe en herstel van de professionele autonomie met alle sociaal gunstige effecten van dien, de eerste vereisten.
    Beroepsautonomie en beroepseer zijn niet iets van het verleden, maar van de toekomst.

Dorien Pessers is hoogleraar rechtsfilosofie aan de VU. Dit artikel is gebaseerd op een vandaag in boekvorm te verschijnen aflevering van Christen Democratische Verkenningen, getiteld Beroepszeer. Waarom Nederland niet goed werkt, onder redactie van Gabriël van den Brink, Thijs Jansen en Dorien Pessers.


IRP:   Waar Dorien Pesssers beschrijving naar leidt is de emotionele component van het management gebeuren. Op een dieper niveau beseft het standaard managerstype natuurlijk ook wel, dat hij met zijn juridische, bestuurskundige- of bedrijfskundige opleiding alleen maar een paar apentrucjes heeft geleerd die in sommige situaties ooit gewerkt hebben, of in de termen van Pessers: theater-theorieën. Het is niet meer dan een natuurlijk psychologisch proces dat mensen met zo'n beperkte achtergrond die toch een positie van macht hebben gekregen, als verborgen doel hebben de meer inhoudelijke capaciteiten van anderen tegen te werken en hun capaciteiten te ondermijnen. Dat is dus wat er dusdanig duidelijk zichtbaar gebeurt, dat het nu zelfs door mensen als Pessers, toch deel uitmakend van de maatschappelijke elite, in het openbaar kan worden geschreven. Er is dus geen enkele reden meer daar omslachtig over te zijn: wat dit soort managers probeert te doen is het vernietigen van waardering van de inhoudelijke capaciteiten en het bijbehorende gezag van de beroepsbevolking. In deze pogingen worden ze actief geholpen door hun vertegenwoordigers in de politiek: de VVD, en hun aanverwanten in het CDA en kleinere politieke partijen. Het zijn deze partijen die gezorgd hebben voor het steeds verder doordringen van het wantrouwende, Angelsaksische managementmodel van de de maatschappij.

Opvallend aan Pessers' verhaal is de weergave van het centrale thema van deze website: dat de strijd in de wereld is die tussen het Rijnlandse en het Angelsaksische model, en dat die strijd een strijd is om wie het voor het zeggen moet hebben: degenen die de macht hebben of degenen die de inhoudelijke kennis hebben.


Terug naar Managen en vakkennis , Hiërarchie economie  , of naar site home .