|
De Volkskrant, 26-04-2005, door Claude-Jean Bertrand en Thijs Jansen
Zes manieren om de journalistiek 'aanspreekbaar' te maken
Tussentitel: Ethische kwesties leven wel degelijk bij het mediapubliek
De Nederlandse pers steekt in de bereidheid tot het afleggen van
verantwoording bleek af tegen gewoontes in andere landen. Claude-Jean Bertrand
en Thijs Jansen bespeuren een code-angst bij de journalistiek.
In het anderen de maat nemen, zijn de Nederlandse media op hun best. Wie echter
denkt dat de Nederlandse journalistiek zelf hecht aan heldere gedragscodes, komt
bedrogen uit. Zo bleek onlangs dat SBS een code heeft, maar dat men deze niet
aan de openbaarheid wil prijsgeven. Waarom? Openbaarmaking is tegengehouden
door.. . de Nederlandse Vereniging van journalisten!
Het Nederlandse bedrijfsleven heeft de code-Tabaksblat, maar
de journalistiek heeft code-angst. De Wetenschappelijke Raad voor het
Regeringsbeleid pleitte andermaal voor een 'aanspreekbare journalistiek', door
versterking van de zelfregulering en het zoeken van de confrontatie met elkaar
en met lezers, luisteraars en kijkers. In zijn jaarrede tot
collega-hoofdredacteuren stelde Pieter Broertjes dat een dergelijk pleidooi
'sinds jaar en dag' wordt gesteund door het Genootschap van Hoofdredacteuren
(Forum, 16 april).
Inderdaad zien we de afgelopen jaren dat bijvoorbeeld het
aantal ombudsmannen bij dagbladen is toegenomen, de rectificatierubrieken een
vaste plek hebben gekregen, een rubriek `ethiek' is toegevoegd aan de
stijlboeken van verschillende kranten en lezers meer ruimte hebben gekregen voor
brieven (ook aan hoofdredacteuren).
Dat zijn positieve ontwikkelingen, maar internationaal steekt
Nederland nog steeds erg bleekjes af. We zijn nog ver af van een Nederlandse
pers die werkelijk aanspreekbaar is en bereid verantwoording af te leggen. De
onzichtbaarheid van de Nederlandse Raad voor de journalistiek, die vandaag haar
jaarvergadering houdt, hangt daarmee nauw samen. De maatschappelijke
verantwoordelijkheid van de Nederlandse pers kan veel beter worden opgetuigd. De
persvrijheid snoet daarbij het uitgangspunt blijven.
Daarom kan dat het beste gebeuren door middel van
niet-gouvernementele, niet door de wet opgelegde middelen om de diensten
van de media aan het publiek te verbeteren (zogenaamde M*A*S, Media
Accountability Systems). Daartoe behoren een Ombudsman, maar ook de
gezaghebbende Raad voor de journalistiek of goed journalistiekonderwijs.
Internationaal valt er voor Nederland te leren van de volgende voorbeelden.
l. De Zweedse perswet. Zelfs in tijden van oorlog is in Zweden geen censuur
toegestaan. Het is niet toegestaan om journalisten te dwingen hun bronnen prijs
te geven. Ambtenaren zijn verplicht om vrijwel alle vragen van journalisten te
beantwoorden (er zijn slechts zeer weinig restricties). In tegenstelling tot
Zweden is de Nederlandse politiek de afgelopen jaren bezig geweest een
vestingmuur van voorlichters en communicatieadviseurs - vaak oud-journalisten -
rond Den Haag op te trekken. journalisten die van de hoed en de rand willen
weten. moeten de moeizame weg bewandelen van de Wet Openbaarheid Bestuur of zijn
afhankelijk van lekkende ambtenaren en politici. Nederland verdient een veel
betere bescherming van de persvrijheid.
2. De Duitse perscode. Het is onthutsend, maar waar: de Nederlandse Raad voor de
journalistiek baseert haar werk niet op een gedragscode. Van de vele Raden in
Europa is het de enige die een dergelijk gebrek vertoont. Dat is het
duidelijkste symptoom van de codevijandigheid van de Nederlandse journalist. Om
hierin verandering te brengen, kan bijvoorbeeld geleerd worden van de Duitse
Raad voor de Journalistiek.
Het bezwaar dat in Nederland vaak gemaakt wordt dat codes zo omvangrijk en
statisch zijn, gaat hier niet op: de Duitse bestaat uit vijftien kernachtige.
vaste beginselen. Elk beginsel wordt op basis van ervaringen nader uitgewerkt in
een aantal richtlijnen die het 'bewegende deel' vormen van de code. Zo blijft
deze leven en actueel. De Nederlandse Raad voor de Journalistiek moet dringend
de discussie openen over een eigen code. Daarnaast is het goed dat elke
redactie, elk programma, elke krant zijn eigen code ontwikkelt. AI was het
alleen maar om het morele bewustzijn te vergroten en te verdiepen.
3. De Raad voor de journalistiek van Québec (Canada). Deze bestaat uit
journalisten, uitgevers en vertegenwoordigers van het publiek. De Nederlandse
Raad heeft wet leden die er individueel, op basis van deskundigheid of ervaring,
zitting in hebben, maar heeft geen vertegenwoordigers namens het publiek. Dat is
niet van deze tijd.
De pers is verantwoording schuldig aan het publiek en moet publieke steun
nastreven. Het opnemen van publieke vertegenwoordigers in de Raad kan
maatschappelijke verankering van de Raad opleveren. Ethische kwesties leven ook
wel degelijk bij het mediapubliek. Dat valt af te lezen aan het succes van het
VARA-programma De Leugen regeert, maar ook aan de enorme verkoopsuccessen
in Frankrijk van boeken over de media, zoals recente boeken over Le Monde.
4. De Finse overheidsfinanciering. De Nederlandse Raad voor de Journalistiek wil
geen overheidsgeld aannemen en lijdt onder een chronisch geldgebrek. De Finse
Raad wordt voor .50 procent betaald door de overheid. Daaraan zijn nadrukkelijk
geen verplichtingen verbonden. In Duitsland is het 30 procent. De Nederlandse
Raad kan dus zijn traditionele huiver laten varen. De Nederlandse mediasector is
nog zo gevangen in de angst voor overheidsbemoeienis, dat ze niet ziet dat het
gevaar van de op winst beluste mediatycoons veel groter is. In Den Haag denkt
uien erover het Bedrijfsfonds voor de pers om te vormen tot een
Stimuleringsfonds voor de pers. Dan maakt men de overstap van het op de been
houden van wat het niet meer zelfstandig redt, naar het investeren in
creativiteit en ondernemingszin. Zo'n Fonds kan misschien ondergebracht worden
bij de Raad voor de journalistiek.
5. 'Een leven lang leren' moet ook gewoon worden voor journalisten. Dit is een
cruciale bouwsteen voor een goed functionerende pers. De behoefte aan blijven
leren moet gekweekt worden in het universitair onderwijs dat journalisten bij
voorkeur gevolgd moeten hebben. In de Verenigde Staten is dat al heel lang
normaal: wie journalist wil worden gaat naar de universiteit. Daarna moeten er
net zoals in de VS ruime mogelijkheden zijn om de kennis up to date te
houden. Dat kan zijn door studieverlof, korte workshops, bezoeken van
conferenties. Om niet gevangene te blijven van het heden en van de volgende
deadline is afstand nemen goed voor de kwaliteit. Het is mode om te pleiten voor
slow journalism. Daarvoor moeten dan wel de voorwaarden geschapen worden
door de `opjagende' werkgevers en de overheid. Er moet flink geïnvesteerd worden
in journalistiekonderwijs.
6. Mediamonitoren in de VS en Duitsland. Het is van groot belang dat
systematisch gevolgd wordt waar de media wel en waar ze geen aandacht aan
besteden. Dit voorkomt de sterke neiging tot ijsbergjournalistiek: dat
journalisten zich alleen maar richten op wat op de korte termijn (aan de
oppervlakte) speelt. Nederland is net verblijd met instelling van een
Nieuwsmonitor. Het is veelzeggend dat de plannen daarvoor al dateerden uit 1999.
En dan nog is het schraalhans keukenmeester: de monitor wordt bemand door
twee wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam. In het buitenland worden
op hoog niveau de media gevolgd, geanalyseerd en becommentarieerd. In Duitsland
is het gezaghebbende instituut voor media-analyse de Media Tenor. Daarop staan
bijvoorbeeld de uitkomsten van onderzoek naar de mate waarin de westerse media
aandacht besteden aan de aidsramp in Afrika en aan de manier waarop de
Irakoorlog is verslagen. De Nederlandse nieuwsmonitor zou zo spoedig mogelijk
bij de Media Tenor moeten aansluiten om mee te kunnen profiteren van de
expertise en de schaalgrootte. Daarvoor is meer geld nodig.
Zie hier zes manieren om het gezag van de Nederlandse pers te vergroten. Wie
anderen de maat neemt, moet volstrekte helderheid scheppen over de lat waaraan
men zelf wil worden afgemeten.
Claude-Jean Bertrand is auteur van onder meer An Arsenal for Democracy. Media
Accountability Systems (2003). Thijs Jansen is hoofdredacteur van Christen
Democratische Verkenningen (CDV) Bijdragen van beiden en de lijst van de 80
M*A'S zijn te vinden in het net verschenen CDV-lentenummer Op zoek naar
vertrouwen in de pers (Boom).
Terug naar Journalistieke regels
, Hiërarchie
sociologie
, Media lijst
, of naar
site home
.
|