Homo economicus |
28 jan.2007 |
De homo economicus is die mensensoort die alles wenst uit te drukken in
economische termen, en liefst in termen van geld - als zodanig is hij nauw
verwant met de cynicus, de menssoort gekenmerkt door de definitie dat hij de
prijs van alles kent, en de waarde van niets
.
In de Westerse kapitalistische maatschappij is de homo economicus sterk
dominant, omdat de top beheerst wordt door de homo economicus, en de top de rest
van maatschappij domineert. Daarbij baseren ze hun manier van besturen van de
maatschappij op de bewering dat de rest
van de burgers ook zo denkt, hetgeen niet zo is
-
al was het maar omdat de meeste mensen hun beslissingen niet op rationele
gronden nemen
, wat ook geldt voor economen
. Nog een stapje verder gaande: namen de meeste burgers wél rationele
beslissingen, dat waren de huidige machtigen beslist niet de baas.
Het feit dat Westerse kapitalistische maatschappij gedomineerd wordt door de homo economicus
is iets dat door iedereen geconstateerd kan worden, door een
bezoek te brengen aan een vrij willekeurige grote stad, en te kijken naar de
inrichting van die stad, en wat men er mee doet. Eén van de keuzes waar
men in die grote stad vaak voor staat is het behoud van kleinere, oudere
gebouwen met veel eigen karakter, of de sloop ten gunste van onpersoonlijke
kolossen van beton en glas - het kleinere, oudere, persoonlijke gebouw staat voor
een waarde, de onpersoonlijke kolossen van beton en glas staan voor het geld.
Het is volkomen duidelijk dat in de Westerse grote steden die keuze meestal
uitvalt tegen de waarde, en voor het geld. De kapitalistische kolossen van beton
en glas die de westerse grote stad domineren zijn het bewijs dat de homo economicus de westerse maatschappij domineert
.
Naast de keuze in geval van de materiële uitingsvormen als gebouwen, zijn er
natuurlijk ook keuzes te maken aangaande de inrichting van de maatschappij in
het algemeen. ook hier is de keuze duidelijk: aan de ene kant staat de zorgzame
maatschappij waarin ook de zwakkeren een fatsoenlijke levenstandaard geboden
wordt, en aan de andere kant staat het ieder-voor-zich model. Het eerste is het
bekend als de Europese verzorgingsstaten, hier ook het Rijnlandmodel genoemd,
het tweede is bekend als de Amerikaanse maatschappij, hier het Angelsaksische
model genoemd. Het is ook volkomen duidelijk dat in ieder geval in Europa de
lagere klassen kiezen voor het Rijnlandmodel, en de top voor het Angelsaksische.
Het is de homo economicus in de maatschappelijk top die zich in de grote steden
bevindt die de kolossen van beton en glas laat bouwen.
Voor we persoonlijke voorbeelden geven, eerst het morele oordeel over deze
keuzes, dat eigenlijk
redelijk voor de hand liggend is, als men bijvoorbeeld een serieus
christelijke gelovige is
- het
wat atheïstischer ingestelde IRP gebruikt hiervoor liever bronnen uit kringen van
hen die zich goed kunnen uitdrukken: de artistiek creatieven - een column van
filosoof Marjolijn Februari, en dan een nog symbolischer beeldende vorm. Maar we
beginnen de weerlegging van de basisveronderstelling van de homo economicus:
Uit: Language in Thought and Action,
door S.I. Hayakawa (meer over/uit dit boek hier
).
Chapter 1 Language and survival
Introduction
| |
One cannot but wonder at this constantly recurring phrase "getting something for
nothing," as if it were the peculiar and perverse ambition of disturbers of
society. Except for our animal outfit, practically all we have is handed to us
gratis. Can the most complacent reactionary flatter
himself that he invented the art of writing or the printing press, or discovered
his religious, economic, and moral convictions, or any of
the devices which supply him with meat and raiment or any of the sources
of such pleasures as he may derive from literature or the fine arts? In short,
civilization is little else than getting something for nothing.
James Harvey Robinson |
Uit:
De Volkskrant, 04-03-2006, column van Marjolijn Februari (volledig
artikel hier
)
Eenzaam wacht ik tot voor één keer alles stil wordt
De homo economicus is in al zijn eenvoud nog alom aanwezig, als een eigentijdse
sjacheraar
... Na jaren heb ik namelijk het artikel uit de Journal of
Economic Perspectives teruggevonden waarnaar ik al die tijd wanhopig op zoek
ben geweest. Het artikel gaat over de homo economicus, The Revenge of Homo
Economicus heet het, en het houdt een pleidooi voor een fijnzinniger visie
op de mens in de economische wetenschap. Indertijd heb ik al meteen op de eerste
bladzijde een passage onderstreept, omdat die me beviel.
De auteurs van het artikel, de Amerikaanse economen Samuel
Bowles en Herbert Gintis, richten vooral hun pijlen op het neoklassieke model
van de economie, waarin het eigenbelang van mensen centraal staat. Dat model
voldoet hooguit in een verleidelijk Victoriaanse maar utopische wereld,
schrijven ze, waarin misschien conflicten voorkomen, maar waarin een handdruk
toch altijd een handdruk is. In zo'n wereld kun je je concentreren op de
simpelste economische relaties tussen mensen. ...
Het pleidooi voor een complexere visie op de mens was niet
helemaal onmodisch toen het artikel verscheen in 1993, en Bowles en Gintis waren
er dan ook van overtuigd dat de opleving van de politieke economie op handen
was. Maar die voorspelling is niet uitgekomen. De homo economicus is
tegenwoordig in al zijn eenvoud nog steeds prominent aanwezig. Niet als de
Victoriaanse gentleman die hij ooit is geweest, maar als een eigentijdse
sjacheraar. Nog steeds wordt hij beschouwd als een individu dat handelt uit
eigenbelang en dat op de markt niets meer is dan een consument. Nieuw is dat in
de eenentwintigste eeuw die consument zijn simpele en onnozele handelingen wordt
geacht te verrichten op een markt waarvan iedereen onmiddellijk toegeeft dat die
zelf steeds onoverzichtelijker en complexer wordt - dat wel. ...
Uit: De Volkskrant, 25-01-2007, door Rutger Pontzen (volledig artikel
hier
)
Een symbool van het menselijk tekort
De extreme toetakeling van Rodins De Denker, het beeld dat onlangs uit
het Singer Museum werd ontvreemd – waarschijnlijk vanwege de bronswaarde –, is
niet het eerste voorbeeld van iconoclasme in Nederland. Toch lijkt de ontzetting
over het molest anders dan in voorgaande gevallen.
Zo
eenvoudig gaat dat dus: je rijdt met een vrachtwagen een hek door, trekt een een
paar bronzen beeldhouw-werken van hun sokkel, versleept ze in de laadruimte en
scheurt met gierende banden op weg naar een metaalsmelterij.
Zo gebeurde dat in de nacht van 16 op 17 januari, in de tuin
van Museum Singer in Laren. Het leek op een van de eerdere ontvreemdingen die de
afgelopen weken in Nederland werden gepleegd. Totdat bekend werd dat onder de
gestolen beelden er een was van uitzonderlijke waarde: De denker van
Auguste Rodin.
Afgelopen vrijdag werd het beeld teruggevonden, zonder
rechter onderbeen en zwaar gehavend en half gescalpeerd door de pogingen het in
stukken te zagen.
Hoe uitzonderlijk is dit geval? Er zijn in het verleden meer
kunstwerken vernield. Ook in Nederland. Zoals onlangs de Schuttersmaaltijd
van Bartholomeus van der Helst in het Rijksmuseum en eerder, de ‘Übermahlung’
van een Malevitsj in het Stedelijk Museum of de vernieling van de twee
schilderijen van Barnett Newman, eveneens uit het Stedelijk, Who’s Afraid of
Red, Yellow and Blue III en Cathedra. Met name de beschadiging van de
twee laatste, in respectievelijk 1986 en 1997, bracht een golf van
verontwaardiging teweeg.
...Dit soort
vandalen laat het oog vallen op dat ene werk dat hun agressie oproept en waarop
ze, hoe verwerpelijk ook, hun wraak willen koesteren.
Daarvan is bij de vernieling van Rodins De denker geen
sprake. Hieraan liggen geen privémotieven ten grondslag, laat staan
maatschappelijke redenen; wél pragmatische: hoe kan je een beeld in hapklare
brokken verzagen zodat het makkelijk en onopvallend verplaatst kan worden. De
toetakeling van het beeld is alleen uit oogpunt van transport en financiën
gedaan.
Wat de beschadiging van Rodins beeld verder zo aangrijpend
maakt, is dat het molest in dit geval een gezicht heeft – een verzaagd gezicht.
Een verminking die beelden oproept van hoe Tutsi’s en Hutsi’s elkaar afslachtten
met machetes. Komt bij dat de identificatie met De denker, als een
herkenbaar beeldhouwwerk, net iets groter is als met een abstract doek, hoewel
de ramp van precies dezelfde omvang is als bij Who is Afraid of Red, Yellow
and Blue of Cathedra.
Juist die herkenbaarheid voedt de verontwaardiging: de
empathie die de beschadigde Denker oproept, staat haaks op het feit dat de
daders rücksichtslos te werk zijn gegaan, met de botte zaag, sjorrend aan
ledematen. Én omdat het om koperdieven zonder scrupules gaat, die van de ene
beeldentuin naar de volgende spoorbaan trekken, en voor wie de prijs van koper
doorslaggevender is dan de culturele waarde van het beeldhouwwerk. En dat
terwijl de opbrengsten van hun roof in het Singer Museum geschat moet worden op
maximaal duizend euro.
Dat het bij deze vernieling uitgerekend om De denker gaat,
geeft aan de vernieling een bijzondere bijsmaak. Rodin maakte De denker
in 1880, oorspronkelijk als onderdeel van een veel groter beeldhouwwerk: de
Poort van de hel. Hoewel nooit definitief uitgevoerd, waren de twee
gigantische deuren met brede omlijsting zijn eerste opdracht, bedoeld voor de
Ecole des Arts Décoratifs in Parijs. Rodin liet zich in zijn ontwerp leiden door
Dantes Divina Comedia, hét geschrift dat uitdrukking gaf aan hoe de
maatschappij zal worden beoordeeld in het licht van de gevolgen in het
hiernamaals.
De beeltenis van de denkende man – gespierd, krachtig; type
prijsvechter – nam een centrale plaats tussen alle ellende van lijdende figuren
op de rest van de poort. Hij moest het geweten personifiëren van alle onrecht en
gewelddadigheid waartoe de mensheid in staat is. Als symbool van het menselijke
tekort.
Dat nu juist híj het slachtoffer zou worden van datzelfde
menselijke falen, maakt de vernieling navrant.
Red.: Wat de beeldendieven vergelijkenderwijs in het klein
doen, doet de homo economicus in het groot: hij neemt het organische geheel
van de voor alle onderdelen van de menselijke maatschappij zorgende
verzorgingsstaat, en hakt deze aan stukken, ten einde deze te versmelten in de
globale maatschappij waarin het ieder-voor-zich heerst, en waarin de homo
economicus de de brokstukken gooit in de pot van de ruim voorradige goedkope
mensenkracht uit de overbevolkte delen van de de wereld. Of in de woorden van
schrijver Marcel Möring:
Uit: De Volkskrant, 13-10-2007, door Jan Tromp (volledig artikel
hier
)
Beteugeling kan geen kwaad
...
Möring is er niet tegen dat de regering zich met de kwestie
van de seksualisering bemoeit. Maar het is een beetje laat, denkt hij. En het is
de vraag of het nog helpt. ‘We hebben liefde, seks, erotiek en pornografie
volledig uitbesteed aan de commercie.
‘We hebben alles verkocht. We hebben de spoorwegen verkocht,
we hebben de nutsbedrijven verkocht, de gezondheidszorg. Serieus hoor, we hebben
alles van waarde verkocht en nu hebben we geen greep meer op het openbare leven.
‘Het publieke domein, dat wilden wij niet meer, wij met z’n
allen. We zijn ergens in de jaren tachtig gaan geloven in het sprookje van de
wereld als BV. Toen zijn we alles gaan verkopen. Ik heb grote twijfel of er nog
een weg terug is. Ik geloof het niet.
‘Als we werkelijk de zaken willen veranderen, hebben we het
over een omwenteling van jewelste. Dan beslissen we namelijk dat het
maatschappelijk kapitaal, het geestelijk kapitaal weer van ons is, en niet van
de bedrijven.
‘Ik zou graag zien dat we beginnen aan een nieuwe
vermaatschappelijking van het leven, inclusief de moraal. Ouderwets hè? Ik zie
het eerlijk gezegd niet gebeuren ... .’
Red.: Deze strijd tussen geld en geld en geheel, geld en de goede
zaak, geld en moraal, wordt op vele maatschappelijke deelterreinen gestreden -
zie voor een voorbeeld uit het arbeidsrecht hier
, en uit
het belangrijke veld van het onderwijs hier
.
Maar het grootste slagveld ligt wel op het terrein dat al in
de term zelf inbesloten zit: het vak van de economie en haar bedrijvers bevat de
meest fanatieke exemplaren van de homo economicus - een enkel voorbeeld:
Uit: De Volkskrant, 24-09-2008, door Klaas Elgersma, econoom en
registercontroller
Schaf subsidie op hobby's af en verlaag belastingen
De koopkracht kan sterk omhoog door subsidies op hobby's te stoppen, zegt Klaas
Elgersma.
Wouter Bos heeft de begroting met een positief saldo sluitend gekregen, ...
Wat ieder jaar en ook nu weer onbelicht blijft, is de enorme
stroom subsidies, die door de rijksbegroting en die van andere overheden
heenloopt Die subsidies vertekenen de begrotingen sterk, zijn overbodig,
concurrentievervalsend en paternalistisch.
De overheden geven subsidie voor heel veel zaken die in de
hobbysfeer liggen, bijvoorbeeld op het terrein van sport en cultuur. Wanneer we
zouden besluiten hobby's weer tot de privésfeer te rekenen, dan zouden de (rijks)belastingen
fors naar beneden kunnen. Mensen zouden op basis van hun sterk vergrote
koopkracht kunnen besluiten om al dan niet naar het museum, de opera, de
sporthal, het buurthuis, de bibliotheek etcetera te gaan.
De bevoogding door de overheid zou sterk afnemen en de
inmiddels redelijk hoog opgeleide belastingbetaler zou zelf weer kunnen
beslissen over zijn inkomen, zonder de paternalistische inmenging van de
politiek. ...
Inderdaad zou een aantal instanties de nek worden omgedraaid,
maar dat zou geheel conform de wet van vraag en aanbod zijn. Het zou het ultieme
bewijs zijn, dat die instanties toch al geen maatschappelijke functie hebben.
Anderzijds zouden aanbieders van meer gewilde producten en
diensten gaan floreren. De economie in haar geheel zou er niet minder van
worden. Sterker: een hoger netto inkomen zou mensen meer stimuleren tot (extra)
prestaties.
We weten allang dat subsidies de eigenlijke doelgroep vaak
niet bereiken. Zo zijn het niet de mensen met een lage koopkracht, maar de
rijken die zich laven aan de klanken van een goed orkest.
Ook is bekend dat met subsidies veel oneigenlijke
concurrentie wordt gestimuleerd, bijvoorbeeld die van buurt- en dorpshuizen
tegen de gewone horeca. Ook dat soort misstanden zou ophouden. ...
Red.: Dit is het gereedschap van de hard boiled homo
economicus: halve waarheden en keiharde leugens. Eerste keiharde leugen: het
gelijkstellen van cultuur aan hobby - de overeenkomst die Elgersma ziet is dat
ze beide geen geld opbrengen - dus zijn het beide hobby's. Tweede keiharde
leugen: 'de inmiddels redelijk hoog opgeleide belastingbetaler' bestaat voor
zestig procent uit vmbo-niveaus en lager. Eerste halve waarheid: er zijn
suvsisies die maar gedeeltelijk goed aankomen - maar dat geldt voor alles.
Tweede halve waarheid: er zijn vast horecagelegenheden die last hebben van
sportkantines - maar die horecagelegenheden deugen dan niet voor dat publiek of
zijn anderszins te duur.
Kortom: het pleidooi van Elgersma heeft zo veel gaten,
dat het een vergiet is. Waar het Elgersma om gaat, zegt hij zelf, is
belastingverlaging. Kijk, dat is nu iets waar wel een sluitende redenering rond
is te hangen, want belastingverlaging is vooral voordelig voor de hoge
inkomens - dus voor econoom en registercontroller Elgersma (voor aardige
reacties zie hier
)
Daarmee zijn we beland bij de bekende trekken van de homo economicus, "kent de prijs van alles en de waarde van niets", de cynicus, de man
die een beeld stukzaagt voor het brons, afschaffer van cultuursubsidies, de
sloper van cultuur en beschaving. De econoom.
Meer voorbeelden van dit soort houding in het algemene
artikel over economen, zie hier
en verder, en voor een individueel voorbeeld hier
en
verder. Voor de psychologische basis die aan de houding ten grondslag ligt, zie
hier
.
Artikelenserie over de relatie tussen economie en moraal hier
.
Naar Moraal, lijst
,
Rijnlandmodel, lijst
, Rijnlandmodel, overzicht , of site home
.
|