Bronnen bij De bron van moraal: evolutie

23 mei 2010

Ten tijde van het schrijven van het artikel Moraal, bron , 2006, was het idee dat dieren een vorm van moraal hadden nieuw en omstreden - alleen geïnteresseerden in de wetenschap kenden, in ieder geval in Nederland, de ideeën en publicaties hierover van Frans de Waal en zijn werk met mensapen uitleg of detail .
    Van mensapen naar mensen is een evolutionair gezien een logische stap. Het is dan ook weinig verwonderlijk dat sinds die tijd er een steeds groter aantal onderzoeken gepubliceerd is die het idee van een evolutionaire oorsprong van morele opvattingen in de mens bevestigen - alle eerdere artikelen hierover op deze website zijn hieronder bij elkaar gezet (de Volkskrant, 20-05-2009, column door Peter Giesen):
  Slaan mag nooit, weten peuters al

...   Onlangs verscheen het boek The Philosophical Baby van de Canadese ontwikkelingspsychologe Alison Gopnik. De baby heeft een rijk bewustzijn, zegt Gopnik in een interview met het Amerikaanse tijdschrift Seed. Daarbij smokkelt Gopnik wel een beetje. De voorbeelden die ze geeft, zijn vooral ontleend aan peuters en niet aan baby’s.
    Filosofisch interessant is een experiment naar de moraal van peuters. Kinderen van tweeënhalf jaar wordt gevraagd of ze een ander kind mogen slaan, als de crècheleidster dat goed vindt. Daarna wordt gevraagd of ze hun jas mogen laten slingeren, als de leidster geen bezwaar heeft. De meeste peuters antwoorden dat je nooit een ander kind mag slaan, maar dat je niet per se je jas aan de kapstok hoeft te hangen. Ze maken dus al onderscheid tussen moraal en sociale conventies, tussen regels die gebaseerd zijn op empathie en regels die gebaseerd zijn op afspraken.    ...

De oude vraag is: is dat ingeboren of aangeleerd, het nature-nurture debat uitleg of detail :
      Filosofen hebben vaak gedebatteerd over de vraag of moraal aangeboren is. John Locke (1632-1704) stelde dat de mens blanco wordt geboren. Moraal wordt later ingeprent door opvoeding en ervaring. Maar volgens Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) wordt de mens geboren met het vermogen medelijden te voelen, waardoor hij van nature over een zekere moraal beschikt. Ook Immanuel Kant (1724-1804) geloofde dat de mens gehoorzaamt aan een morele wet die vanaf het begin in zijn bewustzijn is verankerd.

De tussenstand:
  Volgens de moderne ontwikkelingspsychologie zaten Rousseau en Kant dichter bij de waarheid. Kinderen doen kennis op in een mentale structuur die al aanwezig is. Ook het experiment waarover Gopnik vertelt, wijst daarop. Het bewijs is natuurlijk niet waterdicht: ouders maken hun kroost van jongs af aan duidelijk dat slaan verkeerd is. Toch lijken peuters al over een sterke morele intuïtie te beschikken.

Volgens 'de moderne ontwikkelingspsychologie zaten Rousseau en Kant dichter bij de waarheid' moet je vertalen als: "de moderne ontwikkelingspsychologie, waarin een hardnekkige en dominante stroming van "aanleren" heeft geheerst, heeft onderdruk van de bewijzen overstag moeten moeten gaan". Die "aanleren"-therie is een integraal onderdeel van de alfa-gamma ideologie van de politieke correctheid, meestal van linkse origine , want alles dat genetisch bepaald is, vindt men daar vies en gevaarlijk - voor je het weet strekt het zich uit tot volken en culturen.
    Het volgende artikel legt expliciet de link over de soortenscheidslijn (Leids universiteitsblad Mare, 17-09-2009, door Bart Braun):
  Moreel instinct is aangeboren, betoogt Harvard-professor Marc Hauser

Ook apen weten hoe het hoort

Mensen hebben een aangeboren instinct om goed en kwaad te onderscheiden, meent evolutionair psycholoog Marc Hauser. Zondag houdt hij de Tinbergenlezing.


Stel: u loopt langs de rails, en ziet een trein aanstormen. Verderop liggen vijf mensen vastgebonden op het spoor. U kunt de wissel omgooien, maar dan verplettert de trein de twee mensen die op het andere spoor liggen. Moet u dat doen?
    Tweede situatie: u heeft geen wissel, maar wel een toevallige voorbijganger die u voor de trein kunt gooien, om daarmee het vijftal te redden. Moet u dat doen?
    Deze gedachtenexperimenten zijn voorgelegd aan mensen uit allerlei culturen over de hele wereld. Soms zijn de treinen vervangen door krokodillen als de cultuur in kwestie nog nooit een trein had gezien. Maar bijna iedereen ter wereld, of hij nou in een wolkenkrabber woont of in een hutje van bananenbladeren, antwoordt ‘ja’ op de eerste vraag, en ‘nee’ op de tweede. Er lijkt een zekere universaliteit in onze opvattingen over goed en kwaad te zitten.
    Dat komt, vermoedt evolutionair psycholoog Marc Hauser, omdat we over een speciaal moraliteits-instinct beschikken. Dat instinct heeft zijn wortels heeft in onze evolutionaire afstamming van aapachtigen. Hauser is hoogleraar in Harvard en toonde in diverse onderzoeken aan dat apen ook opvattingen lijken te hebben over ‘hoe het hoort’ en altruïstisch gedrag vertonen. ...

De standaardreactie laat zich voorspellen:
  Toen Hauser zijn ideeën uiteenzette in zijn boek Moral Minds, klonk overal dezelfde kritiek: leuke theorie, jammer dat hij er zo weinig bewijs voor geeft.

Het boek stamt uit 2006, en toen waren de onderzoeken van onder andere De Waal al twintig jaar voor handen en redelijk wijd gepubliceerd:
  Daar gaat hij zondag dieper op in, als hij de Tinbergenlezing geeft, belooft hij. ‘Er is een berg nieuw bewijs. Resultaten uit de neurobiologie, psychologie en psychiatrie, en het is allemaal consistent. Ik zal het vooral hebben over de nieuwste resultaten van onderzoek naar psychopaten. Het blijkt dat die wel degelijk wéten dat wat ze doen immoreel is, maar het interesseert ze gewoon niet. In hun onvermogen om aangegrepen te worden door morele kennis, zijn ze fundamentaal verschillend van ons.’

Kortom: het niet-willen-zien van een aangeboren vorm van moraal is doodgewone onwil. Een reden hebben we al genoemd: de alfa-gamma intellectuele angst voor alle vormen van bepaaldheid van gedrag, met name genetisch. Een tweede op zijn minst even belangrijke reden voor die onwil stipt Hauser ook aan:
  Hauser: ‘Uw religieuze achtergrond heeft geen enkel effect op uw morele gedrag en opvattingen. Wel op specifieke zaken als abortus of het eten van varkensvlees, maar je moraal zelf komt niet voort uit religie, alleen regels.’ Geen opvatting waarmee je het goed doet in het conservatief-christelijke Amerika. ‘Dat inzicht is moeilijk te verteren voor sommige mensen, inderdaad.’

Oftewel: tezamen met het bestaan van een genetische bepaalde moraal kan het sprookje van de moraal zijnde exclusief van religieuze oorsprong definitief naar de vuilnisbelt der evolutie, de "platte aarde" en "de zon als middelpunt" achterna .

De aanleiding voor het maken van deze verzameling is het volgende artikel - het legt de volgende en definitieve link (de Volkskrant, 14-05-2010, Science Palooza, door Monika Wolkers):
  Moraal is van mens en dier

Eén van de grote vragen in gedragswetenschappen is of onze gevoelens en gedrag aangeboren zijn, en zo ja, in welke vorm.

Tussentitel: Bonobo’s en dolfijnen vertonen inlevingsvermogen

Het onderzoek hieraan houdt niet op bij mensen, dieren worden evenwel uitgebreid bestudeerd in wat ze al dan niet kunnen. En zowel studies bij mensen als dieren maken in de laatste decennia grote vorderingen. Een recent onderzoek richt zich op het rechtvaardigheidsgevoel van kleine kinderen. Deze studie toont aan dat kinderen al heel vroeg het onderscheid tussen goed en slecht gedrag kunnen maken.
    Om het gedrag van kinderen te observeren maakten onderzoekers van Yale in de VS gebruik van een vrij simpele proefopzet. Ze lieten anderhalf jaar oude kinderen naar een poppenspel kijken, bestaande uit drie poppen. De pop in het midden speelt met een bal en laat die naar zijn vriendjes toe rollen. De één speelt de bal terug naar de pop in het midden, terwijl de ander de bal pakt en ermee wegloopt. Na afloop van het spel mag het kind één van de twee poppen kiezen: de sociale of degene die wegloopt. Meer dan 80 procent van de anderhalf jaar oude kinderen kiest voor de pop die de bal terug heeft gespeeld. Grappig genoeg kiezen zelfs baby’s van 8 maanden voor de meespelende pop. Deze en andere erg mooie proefjes, kunt u in een recente essay in de New York Times nalezen van de psycholoog Paul Bloom.
    De implicaties van dit onderzoek zijn heel interessant. Als namelijk baby’s al zo vroeg in hun ontwikkeling in staat zijn om wangedrag te herkennen, betekent dat dan dat het onderscheid maken tussen ‘goed’ en ‘slecht’ gedrag aangeboren is? Dat baby’s aangeboren basiskennis hebben is niet uniek. Ze kunnen bijvoorbeeld ook op een heel primitieve manier tellen: als je twee poppetjes verstopt en er later één of drie weer opduiken, reageert een baby zeer verbaasd, terwijl dit bij twee poppetjes niet gebeurt. Volgens Bloom fungeert dit aangeboren gedrag als een soort ‘blueprint’ die een kind uitrust met de nodige grondkennis. En deze basis is nodig om het nieuw geleerde te kunnen begrijpen en te kunnen verwerken.
    Een belangrijke vraag is waar onze moraal zijn oorsprong vindt. Als we veronderstellen dat moraal besef aangeboren is, is het dan niet aannemelijk dat dieren ook gevoel voor recht en onrecht hebben? Deze hypothese staat haaks op het traditionele denken van de westerse wereld. Er wordt juist altijd naar verschillen gezocht tussen mens en dier in plaats van naar overeenkomsten.   ...

Dit is een begrijpelijke doch objectief bezien een onzorgvuldige formulering: de hypothese staat haaks op een stroming van denken die je ook in de westerse wereld aantreft, maar het staat niet haaks op de westerse cultuur, in de vorm waarin deze zich onderscheidt van andere culturen. Want de stroming waar de "aangeboren moraal"-hypothese haaks op staat is die van het idee van de mens als geschapen wezen staande boven de natuur, en die is afkomstig van de (joods-christelijke) religie. En de aanwezigheid van de joods-christelijke religie is in de westerse maatschappijen is wel een feit, maar die aanwezigheid is niet kenmerkend voor de westerse cultuur. Andere de culturen hebben soortgelijke zaken, zoals de islam van de Arabische wereld. Wat kenmerkend is voor de westerse maatschappijen is het ook hebben van de westerse cultuur, en die is gebaseerd op een wetenschappelijke benadering van de wereld. In die wetenschappelijke benadering is het bestaan van de mens die van een natuurlijk verlengstuk van een langlopende evolutie. Oftewel: een evolutionaire oorsprong van de moraal is de westerse oorsprong - het hier als 'traditionele denken van de westerse wereld' aangevoerde idee van de exclusief voor de mens geschapen moraal is wetenschappelijk bezien niet aan te duiden als westers, maar als oosters, namelijk daar waar de joods-christelijke religie oorspronkelijk vandaan komt.
    Het artikel vervolgt met een aantal observaties die laten zien dat de uniekheid van de mens een relatieve zaak is:
  Veel zogenaamd mensspecifieke kenmerken zijn de revue gepasseerd. Daarbij hoort het gebruik van gereedschappen, het zichzelf herkennen in een spiegel, inlevingsvermogen tonen in anderen (ook buiten de eigen soort), het vermogen om in de vierde dimensie (tijd) te denken - en bovendien zouden we het enige wezen zijn met moraal besef.
    Stukje bij beetje laten gedragstudies bij dieren zien dat de scheidslijn tussen mens en dier lang niet zo scherp is als men vroeger dacht. Inmiddels zijn de meeste van de zogenaamd typisch menselijke eigenschappen ook bij dieren aangetoond. Kraaien gebruiken gereedschap om bij eten te komen. Dat doen bepaalde chimpanseekolonies ook, die behendig met stenen harde palmnoten kunnen kraken. Kraaien kunnen zichzelf in de spiegel herkennen, net als dolfijnen, olifanten en mensapen.

Het essentiële aan de mens is natuurlijk dat deze al de genoemde kenmerken heeft, terwijl de genoemde diersoorten alleen één of enkele specifieke ervan hebben.
    Maar onder die specifiek kenmerken gedeeld met dieren zijn ook een aantal die we "hoger" zien:
  Bonobo’s en dolfijnen vertonen inlevingsvermogen, en niet alleen richting hun eigen soort. Dolfijnen zouden zelfs mensen uit zee hebben gered en om dit te kunnen moeten ze wel begrijpen dat de persoon in gevaar is. Een ander mooi voorbeeld is een bonobo die een ‘geblesseerde’ vogel nadat deze was bijgekomen mee had genomen in de boom - om de vogel vanuit een hoger plekje te laten wegvliegen. Ook dit verhaal maakt duidelijk dat de bonobo begrijpt wat de vogel nodig heeft. Een ander ‘menselijke’ trek valt bij chimpansees te vinden: ze zijn uitstekende politici die strategische machtspelletjes spelen. Veel meer voorbeelden uit de recente literatuur vind u op deze primatologenblog http://primatology.net/.

En naarmate je hoger op de evolutionaire ladder komt, zijn de overeenkomsten natuurlijk ook sterker en op hoger niveau:
  Zelfs het begrip moraal is niet ‘typisch menselijk’. Mensapen zijn een goed voorbeeld hiervan. Zo hebben de Nederlandse primatoloog Frans de Waal en zijn collega’s laten zien dat vrouwelijke chimpansees heel boos worden als mannetjes zwaarder gestraft worden dan nodig door een mannetje dat hoger in de rangorde staat en zijn frustraties af wil reageren. Dit wangedrag blijkt ook grote gevolgen te hebben, voornamelijk tijdens latere machtstrijden - hun succes hangt hierbij sterk af van de ondersteuning van de vrouwtjes in de kolonie (mocht u hierover meer willen weten dan raad ik u de populairwetenschappelijke boeken van Frans de Waal aan, ze zijn een genot om te lezen).
    In de Volkskrant en op Sciencepalooza schreven we al eerder over hoe ongelijke behandeling zowel bij mensen als bij apen tot grote onvrede leidt (bv door hoge bonussen bij mensen, of beter eten bij apen). Uit het hier beschreven onderzoek van Bloom en collega’s wordt duidelijk dat het gevoel voor recht en onrecht al heel vroeg ontwikkeld is. De hypothese van Bloom dat moraal aangeboren is staat haaks met het eerder gevoerde idee dat moraal besef bij ons puur en alleen door opvoeding wordt ontwikkeld. Dat wij net als dieren instinctief een gevoel voor recht tonen, pleit voor Bloom’s hypothese.

En zo kom je, wat verder redenerend, op natuurlijk wijze tot een aantal aangaande het menselijke gedrag zelf, die staan in een ander artikel geschreven onder de noemer van Science Palooza en waaraan in het vorige gerefereerd wordt (Volkskrant.nl, 22-05-2009, rubriek Science Palooza, door Tim van Opijnen ):
  Aan moralisme is niets menselijks

Overal in het dierenrijk worstelen groepen met sociale cohesie en rechtvaardigheid

Tussentitel: Een bonus is prima, maar wel volgens strakke en duidelijk regels

ING-bankiers en Shell-bestuurders die ondanks hun falend optreden miljoenen aan bonussen opstrijken. Parlementariërs in Engeland die naar hartelust hele inboedels declareren op kosten van de belastingbetaler. Amorele burgers zijn het, die aan de maatschappelijke schandpaal moeten worden genageld.
    Wat scheelt er aan de moraal van deze mensen? Ligt het aan hun opvoeding, de cultuur waarin ze zijn opgegroeid of hebben ze precies dezelfde moraal als wij allemaal en maken ze alleen maar gebruik van de situatie?
    Nog niet zo lang geleden werd moraal gezien als een eigenschap strikt voorbehouden aan de mens, waarvan we de oorsprong en de regels in het woord van god moesten zoeken. Nu weten we gelukkig beter. Aan het hebben van een moraal is helemaal niets menselijks, overal in het dierenrijk worstelen groepen met sociale cohesie en rechtvaardigheid.
    Moraal is nodig om individuen als groep te laten functioneren. Belangrijk voor het ontstaan van moraal is compassie, empathie en rechtvaardigheid. Vooral dat laatste is een basisvoorwaarde voor een hechte, succesvolle groep; er moet op een eerlijke manier worden samengewerkt en iedereen moet het gevoel hebben dat hij/zij loon naar werken ontvangt.
    Mensen zijn niet uniek in hun rechtvaardigheidsgevoel. Honden stoppen hun medewerking wanneer ze merken dat een collega-hond een beloning krijgt voor het geven van een pootje terwijl zij het met een aai over de bol moeten doen. Frans de Waal, één van Nederlands beste en bekendste wetenschappers die werkzaam is in de VS, liet al eerder zien dat hetzelfde geldt voor kapucijner apen. Een aap zal in de meeste gevallen zijn beloning, een stuk komkommer, niet accepteren of zelfs wegsmijten wanneer een naburige aap, voor het uitvoeren van dezelfde taak, een druif ontvangt (een veel lekkerdere beloning).
    Een probleem van samenwerken is dat er altijd individuen zijn die net iets minder bijdragen of meer opeisen dan ze verdienen.
    Bij apen wordt dit opgelost onder luid protest of met fysieke interventie. En interventie is essentieel omdat het vertrouwen op de tocht staat. Spelen er teveel individuën niet eerlijk dan stort het sociale systeem in.   ...

De conclusie, die in het artikel niet als zodanig getrokken wordt (kan worden), is volkomen duidelijk: er wordt in de huidige maatschappij door de rest van de maatschappij te weinig geprotesteerd en geïntervenieerd tegen de individuen die oneerlijk spel spelen. Want dat er op  zeer grote schaal oneerlijk spel gespeld wordt, is zelfs de meest verstoktekapitalsit wel duidelijk. Het gebeurde sowieso al op reusachtige schaal, maar de kredietcrisis van 2008-2009, waarbij de rest van de maatschappij betaald heeft voor de speculatiewinsten van de top in de vele jaren ervoor, maakt dat volkomen helder. De passende chimpansee-oplossing is datgene wat mei 2010 in Thailand gebeurd: volksopstand.
     Dat erop den duur wel iets drastisch moet gebeuren, staat er ook:
  Neem bijvoorbeeld een ‘speltheorie’ experiment waarin samenwerkingsvormen tussen mensen worden getest. De groep kan geld storten in een pot waarna die wordt verdubbeld door de bank die het geld evenredig verdeelt onder de spelers. Het hoogste groepsrendement wordt gehaald wanneer iedereen al z’n geld in de pot stort. Maar een individueel hoger rendement kan worden gehaald wanneer iemand minder of niets in de pot stort en vervolgens wel meedeelt in de pot.
    Dit is ook precies wat er in het experiment gebeurt. Steeds meer medespelers verliezen het vertrouwen in de andere spelers met als gevolg dat er steeds meer wordt vals gespeeld. Uiteindelijk stopt niemand meer geld in de pot en de strategie stort in. De sociale cohesie van de groep is verloren gegaan en iedereen is slechter af.

De les is duidelijk, en als gezond-verstand waarheid allang bekend:
  Er is een oplossing voor dit probleem: geef de spelers van het spel de kans om valsspelers te straffen door ze geld af te nemen. Zelfs als straffen uitdelen geld kost is het de manier om valsspelen te minimaliseren en de samenwerking succesvol te houden. De cohesie binnen de groep blijft bestaan en iedereen ontvangt zijn of haar rechtvaardige deel.

De les dus zijnde dat het een onontbeerlijk deel uitmaakt van een sociaal systeem dat oneerlijk spel gestraft wordt - in zijn simpelste en vooralsnog meest efficiënte vorm bekend als het tit-for-tat principe .
  We moeten ons niet heiliger voordoen dan we eigenlijk zijn. De graaicultuur bestaat niet voor niets, nu en dan doet iedereen eraan mee.

Dat is regelrecht onjuist. De meeste mensen doen er niet aan mee, anders zou de huidige westerse maatschappij niet bestaan. Het is vrij kleine groep die ermee begonnen is, de economische en financiële top, en er is een aanzienlijke groep die er nu aan meedoet, zeg maar ongeveer de bovenste derde van de maatschappij. En dat het tot dat niveau uit de hand heeft kunnen lopen, is, puur al uit deze theorie volgende, dat de rest van de maatschappij niet voldoende op tijd en voldoende hard heeft "tegengezet", een "tat"-zet heeft gedaan:
  tegelijkertijd voelen we ons wel onheus bejegend als iemand anders het doet. En terecht! Dus er moet een oplossing komen. Zoals allerlei mens- en dierexperimenten laten zien is de oplossing heel makkelijk: valsspelers zijn niet te tolereren.

Met als voor de hand liggende aanpak in een democratische maatschappij: het massaal stemmen voor een (echt!) socialistische partij. Want dat is de enige manier waarop bijvoorbeeld het volgende bewerkstelligd kan worden:
  Een bonus is dus prima, maar wel volgens strakke en duidelijk regels.

En dat is volkomen noodzakelijk, want:
  Een hechte groep of samenleving is namelijk gebaseerd op vertrouwen en rechtvaardigheid. En ook daarin verschillen mensen niet van andere dieren.

En als dat niet op de vreedzame manier van de stembus gebeurt, en de zaak nog langer zo door blijft woekeren, gaat het op den duur óf op de minder vreedzame manier als in Thailand 2010, of het vertrouwen verdwijnt uit de maatschappij en gaat deze ten onder.
     Al met al is het laatste artikel dus ook een heel aardige samenvatting van een flink deel van de ideeën van de website van het Rijnlandmodel.
     Elders staat een reeks stukken van Frans de Waal, maar hier een recente samenvatting van zijn werk (de Volkskrant, 08-06-2010, door Annette Embrechts):
  Interview | Frans de Waal, primatoloog

Chimpsdrama als theaterstuk

Gruwelijk was de doodslag op de leider van de Arnhemse chimpansees in 1980, die primatoloog Frans de Waal beschreef. Zijn observaties vormen de basis van het theaterstuk Hominid.

...   Op een bankje voor de volière van de Europese vale gier doet hij uit de doeken dat apen niet alleen bij conflict en verzoening menselijk gedrag vertonen maar ook echt empathie laten zien. ‘Sociaal, onbaatzuchtig gedrag, het vermogen om emoties van anderen te kunnen meevoelen en de situatie van een ander te kunnen begrijpen, blijken minstens zo belangrijk om als soort te overleven als het recht van de sterkste. We zijn niet alleen agressief en competitief ingestelde wezens maar ook van nature empathisch.’
    Tegen zijn aard in als objectief wetenschapper keert De Waal zich in zijn jongste boek Een tijd voor empathie (wat de natuur ons leert over een betere samenleving) nadrukkelijk tegen de Amerikaanse conservatieven die niet geloven in een maatschappij gebaseerd op solidariteit. ‘Socialisme past bij de mens. Wij zijn niet gebouwd om een samenleving puur op competitie te grondvesten. De economische crisis is een evident bewijs. Experimenten bij dieren bewijzen dat empathie een oeroude emotie is. We moeten ons maatschappelijk systeem daarmee in overeenstemming brengen. Politiek is ouder dan de mensheid. Wantrouwen is functioneel, vertrouwen ook.’
    Volgens De Waal heeft zijn onderzoek wel degelijk morele implicaties: ‘Een samenleving gebaseerd op individualisme, waarin ieder voor zichzelf vecht, overleeft niet.’ ...

De neurologie geeft nu ook aanwijzingen waar het in de hersenen zit - in een wat gewijzigde volgorde van citeren (de Volkskrant, 18-09-2010, door Eveline Crone en Eric van Dijk, respectievelijk hoogleraar ontwikkelingspsychologie en hoogleraar sociale psychologie, beide aan de Universiteit Leiden):
  De gammacanon (38)

Psychologie | Prosociaal | Hoe komt het dat we iets voor anderen willen doen zonder er zelf direct voordeel van te hebben?

Tussentitel: De ontwikkeling van de hersenen is bepalend om anderen te begrijpen

... waarom werken onze hersenen zo? Waarom groeien we op tot sociale en empathische mensen? Wat heeft dit voor voordelen? Evolutieverklaringen zoeken het antwoord vooral in het belang van stabiele sociale groepen voor de overleving van de soort. Voor het vormen van dergelijke kleine gemeenschappen zijn altruïsme en prosociaal gedrag van groot belang. Mensen vertonen vaak meer prosociaal gedrag in kleine groepen en ten opzichte van mensen die ze goed kennen. Uiteraard worden gevoelens van eerlijkheid en rechtvaardigheid voor een belangrijk deel gestuurd door de ervaringen die je opdoet, welke weer invloed hebben op de zich ontwikkelende hersenen, net zoals de evolutie ook ontstaat door een interactie tussen individu en omgeving.   ...

Daarom hoef je deze vraag niet te stellen:
  Hoe komt het dat we ons het lot van anderen aantrekken, zelfs als we deze personen niet kennen? Waarom helpen we anderen zonder dat we er zelf onmiddellijk iets aan hebben?

Want dit is het gevolg van die evolutie:
  Een menselijke eigenschap is dat we ons kunnen verplaatsen in andere mensen en daarmee ook kunnen meevoelen met het lief en leed van anderen. Hierdoor zijn we bereid tot prosociaal gedrag: iets voor een ander doen zonder er zelf direct voordeel bij te hebben. Evolutionair gezien heeft de ontwikkeling van deze eigenschappen – het perspectief van een ander kunnen innemen en het empathisch vermogen – waarschijnlijk een belangrijke bijdrage geleverd aan de overleving van de mens. Interessant is dat er binnen een mensenleven ook een ontwikkeling te zien is van beide eigenschappen. Een soort mini-evolutie dus.

Waarna je dus kan gaan onderzoeken waar dat zit:
  In het laboratorium onderzoeken we hoe mensen denken over eerlijkheid en wederkerigheid door deelnemers aan ons onderzoek een verdeelspel voor te leggen waarbij ze geld kunnen verdienen. Bij het klassieke Ultimatum Game zijn twee personen betrokken, een verdeler en een ontvanger. De verdeler mag tien munten verdelen, en beslissen wat hij zelf wil houden en wat hij aan de ander wil geven. Maar er zit een addertje onder het gras: de ontvanger mag beslissen of de verdeling wordt geaccepteerd. Als de ontvanger akkoord is, worden de munten verdeeld zoals voorgesteld. Als de ontvanger niet akkoord is, krijgen beide deelnemers niets.
    Als dit spel wordt aangeboden aan kinderen van 3 jaar, blijkt dat zij alles accepteren wat wordt aangeboden, of dit nu een gelijk verdeeld aanbod is of niet. Rond de leeftijd van 7-8 jaar komt er een omslag en gaan kinderen veel belang hechten aan eerlijkheid. Zij willen alleen een aanbod accepteren als er sprake is van een gelijke verdeling. Anderzijds hebben zij geen moeite om met een ongelijke verdeling in hun eigen voordeel de deur uit te lopen. Het lijkt erop dat kinderen op deze leeftijd nog niet in staat zijn om het perspectief van de ander in te nemen.

Waaruit dus blijkt dat er diverse lagen zijn in dit proces - overeenkomend met diverse evolutionaire stappen:
  Dat vermogen ontwikkelt zich pas in de adolescentie. Adolescenten begrijpen dat er soms iets voor te zeggen is om de verdeler iets meer te gunnen. Erg scheve verdelingen worden echter nog altijd geweigerd. Ook in de volwassenheid hechten we nog veel waarde aan eerlijkheid.

Geheel overeenkomen met de zegswijze dat de ontwikkeling van het kind een weerspiegeling van de evolutie van de mensheid:
   En met de moderne scanning technologie kan je ook steeds beter zien waar het gebeurt:
  Waar komt dit gevoel van eerlijkheid dan vandaan? Tegenwoordig kunnen we met hersenscans onderzoeken naar welke hersengebieden zuurstofrijk bloed stroomt als iemand een verdeelspel speelt. Beloningsgebieden in de hersenen (zoals het ventrale striatum) worden actief bij een gelijke verdeling (een gezamenlijke opbrengst). Gebieden die met aversie of walging worden geassocieerd (zoals de insula), worden actief bij een ongelijke verdeling. Als deelnemers moeten nadenken over de alternatieven van de verdeler, worden de ‘sociale’ hersengebieden actief. Deze hersengebieden zijn belangrijk voor het zich verplaatsen in anderen. 

Waarna dit resultaat nog eens de eerdere conclusies bevestigt:
  Hier zit meteen het belangrijke nieuwe inzicht. In de kindertijd en adolescentie zijn de hersengebieden nog in ontwikkeling. De hersengebieden ontwikkelen zich bovendien in een verschillend tempo. Blijkbaar is de ontwikkeling van de hersenen een belangrijke voorwaarde voor het begrijpen van intenties van anderen.

En natuurlijk is dit over individuen en groepen evenzeer ongelijk verdeeld als eigenschappen als lengte, gewicht, enzovoort.


Naar Moraal, bron , Moraal, lijst , Rijnlands beleid , Rijnlands beleid, overzicht  , of site home .