De Volkskrant, 18-11-2005, door Karel Jurgens, publicist sinds1991 over hoogbegaafdheid.

Red jongens uit onderwijs-woestijn

Jongens presteren in het onderwijs minder goed dan ze zouden kunnen, omdat de leerstof en dominante leervorm meer bij meisjes past, zegt Karel Jurgens.


In de Volkskrant van 15 november las ik een interview met Steven Lamberts, rector van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Aanleiding waren de veelal sterk afwijzende reacties op zijn - in een slechts als illustratie bedoelde bijzin - gemaakte opmerking dat mannen intelligenter zouden zijn dan vrouwen. Het is merkwaardig hoe een betrekkelijk eenvoudig fenomeen steeds weer tot onnodige commotie leidt, en daarmee de aandacht afleidt van het werkelijke probleem. Tijd om dat eens uit de doeken te doen.
    Allereerst de vraag of die opmerking waar is of niet. Het antwoord is: allebei; dat ligt eraan hoe je kijkt. Intelligentietests worden samengesteld uit een groot aantal vragen waarvan is gebleken dat de ene mens ze sneller kan beantwoorden dan de andere. De verschillende aantallen goede antwoorden die mensen op dit soort tests halen, worden omgerekend naar een zogeheten normale verdeling. Daarvan is het gemiddelde per definitie honderd en de standaarddeviatie (een statistische maat, voor de spreiding van de scores) in de meeste tests vijftien. Als grote groepen mannen en vrouwen dezelfde test maken, zullen de gemiddelden van die groepen nauwelijks van elkaar verschillen (het verschil is 'niet significant', zeggen statistici). Conclusie: mannen en vrouwen zijn gemiddeld even intelligent. Maar kijk je naar de standaarddeviatie, dan is die bij mannen groter dan bij de vrouwen. Dus: er zijn meer mannen met een extreem lage of een extreem hoge score. Op het niveau van het universitair onderwijs, waarvoor een ruim bovengemiddelde intelligentie nodig is, mag je op grond van die grotere spreiding in scores verwachten dat je meer mannen aantreft dan vrouwen. Dit is geen discriminatie, tenzij het feit dat mannen gemiddeld langer zijn dan vrouwen ook discriminatie is.
    Het vreemde is dat de verwachte oververtegenwoordiging van mannen zich in steeds minder studierichtingen voordoet; er is zelfs een tegenovergestelde tendens waarneembaar - ziedaar het punt van Lamberts. Het gaat niet goed met de jongens in het onderwijs, dat is al vaker aangekaart. Ook in het vmbo is de uitval van jongens groter. Dat is een punt waarover we ons flinke zorgen moeten maken, want deze uitval versterkt andere problemen waarvan de samenleving flink last heeft. Zonder onderwijs en zonder toekomstperspectief gaan jongens eerder dan meisjes (ook weer zo'n verschil dat niet op discriminatie berust) probleemgedrag vertonen. Daar moet iets aan worden gedaan. Er wordt wel geschreven dat het onderwijs (met alweer zo'n term die gemakkelijk voor 'fout' wordt aangezien) te veel gefeminiseerd is: vooral vrouwen voor de klas, waardering voor leerlingen die rustig voorgekauwde opdrachten uitvoeren, afkeuring als je uit de band springt. Hoe moeten jongens zich in zo'n prikkelarme woestenij handhaven? Er moet in het onderwijs meer ruimte komen voor 'jongensgedrag' en meer worden aangeboden dat voor jongens uitdagend is. Alleen daarmee voorkomen we een maatschappelijke tweedeling, langs andere lijnen dan weleer, en alleen zo bereiken we in Nederland misschien ooit die 'Lissabon-doelstelling': te behoren tot de meest competitieve economieën ter wereld.


Terug naar Onderwijsbeleid, lijst , Rijnlands beleid , Rijnlands beleid, overzicht  , of naar site home .