MENU's
RIJNLANDMODEL    
  
  MENU - KEUZE  
RIJNLANDMODEL  

Restauratie

30 nov.2008

Na het verschijnen van het rapport van de Parlementaire Enquêtecommissie Onderwijs, meestal aangeduid als het rapport-Dijsselbloem, wordt er geleidelijk wat gedaan aan het herstel van het onderwijs. Wat voorbeelden:


Uit: De Volkskrant, 29-11-2008, van verslaggever Bart Dirks

Kabinet: terugdraaien schoolfusies toegestaan

Kabinet zet rem op schaalvergroting in het onderwijs | Fusie mag alleen nog als er andere scholen in de omgeving overblijven


Fusies in het onderwijs zijn niet langer zaligmakend. Het moet mogelijk worden om reeds doorgevoerde fusies terug te draaien. Dat moet kunnen indien ouders, leerlingen en leerkrachten de meerwaarde van de fusie niet inzien.
    Het kabinet heeft vrijdag ingestemd met een ‘echte koerswijziging in de manier van denken over schaalgrootte’, zei PvdA-minister Ronald Plasterk (Onderwijs) na afloop van de ministerraad.
    Over een tot twee jaar moet er een ‘fusietoets’ zijn uitgewerkt. Die moet beoordelen of er na een fusie nog wel voldoende keuzevrijheid overblijft. Nu zijn in sommige regio’s onderwijsmonopolies ontstaan. Onder andere oppositiepartij SP dringt al lange tijd aan op zo’n fusietoets. De Onderwijsraad bepleitte deze week in een rapport een ‘fusie-effectrapportage’.
   Plasterk noemt het voorbeeld van de gemeente Deventer, waar alle middelbare scholen met elkaar zijn gefuseerd. ‘En sterker nog, ook scholen uit Oldenzaal en Hengelo horen erbij. Ouders en leerlingen hebben dus eigenlijk niets meer te kiezen. De menselijke maat moet daarom terug in het onderwijs.’
    Tot nu toe zijn alle financiële en organisatorische prikkels echter gericht op grootschaligheid. In het basisonderwijs had een bestuur in 2000 gemiddeld 830 leerlingen onder zich, tegen 1.308 in 2007. In het voortgezet onderwijs was de groei in die periode van 1.918 tot 2.746 leerlingen, in het mbo van 7.267 naar 8.231, in het hbo van 5.969 tot 7.940. Maar er zijn uitschieters ontstaan van middelbare scholen met tienduizenden leerlingen.
    ‘Bij een schoolbestuur van 5.000 leerlingen heb je de meeste schaalvoordelen. Je kunt financiële tegenvallers opvangen, er is genoeg massa om bijvoorbeeld maatschappelijk werkers in dienst te nemen. Maar een school met 30 duizend leerlingen vind ik wel heel er veel. Dan houden de schaalvoordelen op’, aldus Plasterk. Bovendien kan de Onderwijsinspectie geen direct verband aantonen tussen de omvang van een onderwijsinstelling en de prestaties van leerlingen.
    Om een rem te zetten op de schaalvergroting, komt er voor onderwijsbestuurders voortaan een salarismaximum. Nu stijgt het inkomen van een bestuurder veelal naar gelang een onderwijsinstelling meer leerlingen heeft.
    In het uiterste geval is het voor scholen ook mogelijk uit een fusie te stappen, schrijft het kabinet aan de Kamer. Omdat een ‘defusie’ veel geld kan kosten, moeten de juridische en financiële gevolgen dan wel eerst worden onderzocht.


Uit: De Volkskrant, 25-11-2008, van verslaggever Robin Gerrits

PvdA, nooit te oud om te leren, ziet nu ook dat het vmbo op de schop moet

Scholen mogen niet te groot worden, het onderwijs moet passender: de partij geeft haar critici van tien jaar geleden alsnog gelijk
.

... Tien jaar nadat PvdA-staatssecretaris Tineke Netelenbos ‘haar’ vmbo met de nodige bestuurskracht door de Kamer loodste, schrijft de PvdA een notitie over het voorbereidend beroepsonderwijs, die pleit voor een moderne variant van de ambachtsschool en een meer uitdagende mavo.
    De stelselherziening in 1999 leidde door de samenvoeging van lbo en mavo met delen van het speciaal onderwijs tot de omvangrijkste vorm van voortgezet onderwijs. En hoe nobel de doelstellingen toen ook waren, al snel klonk van alle kanten de kritiek dat het vmbo voor velen te theoretisch werd, voor sommigen te makkelijk, dat het leidde tot te grote scholen met een niet altijd fijn klimaat, dat het gemiddelde niveau omlaag werd getrokken en dat het voor laatbloeiers bijna onmogelijk was geworden via havo alsnog hoger onderwijs te bereiken.
    ... tien jaar en een door een sociaal-democraat geleide parlementaire commissie verder breekt PvdA-Kamerlid Staf Depla een lans voor precies de punten uit de kritiek van toen. ‘We moeten als Den Haag niet alles willen voorschrijven. Het vmbo is te weinig gedifferentieerd. We redeneerden toen te veel vanuit het gelijkheidsdenken. Voor sommigen is het nu te makkelijk, voor anderen te theoretisch.’
    De PvdA wil nu dat de scholen niet te groot worden, dat de lat voor kinderen die wat in hun mars hebben omhoog moet en dat het onderwijs voor jongeren die het van hun handen moeten hebben vooral praktisch is. Op een ronde door het land merken de PvdA’ers dat de werkelijkheid de politieke theorie van weleer allang heeft ingehaald.
    ... Depla: ‘Vroeger was niet alles beter. Maar als we toen beter hadden geluisterd, waren we nu misschien verder geweest.’


Red.:    Let op de dooddoener: 'Vroeger was niet alles beter' ... wat een wanstaltige opmerking - hierin verstopt zitten eindeloos veel foutieve houdingen en ideeën.
    Een volgende die om is:


Uit: De Volkskrant, 21-04-2010, column door Evelien Tonkens, bijzonder hoogleraar actief burgerschap.

Hoog tijd voor de echte ambachtsschool

Tussentitel: Zorgen wordt ten onrechte niet gezien als vak

Niet zo negatief doen over het vmbo, zegt Jack altijd. Jack is onderwijskundige, dus hij kan het weten Het is een prima schooltype, vindt Jack. Tot hij voor zijn eigen dochter een vmbo-school moet zoeken. In een straal van 50 kilometer rond Amsterdam is er geen een waar hij zijn dochter heen durft te sturen. De gedachte achter het vmbo is prima, de praktijk ...
    ... de praktijk van het vmbo is vaak anders. De leerlingen komen niet binnen met het idee dat zij de uitverkoren vaklui zijn die dit land zo hard nodig heeft. De Cito-eindtoets heeft velen bestempeld tot verliezers van de meritocratie. Hun motivatie is daardoor beperkt. Hun ego is kwetsbaar als een zeepbel. Faalangst is vaak een belangrijke reden zich niet in te spannen. ...
    De verschillende niveaus werken niet zozeer motiverend maar eerder bedreigend: ze voeden angst te dalen, niet de hoop te stijgen. In de theorielessen is de sfeer vaak lamlendig, hoe hard de docenten ook proberen. Pen, potlood of schrift vergeten. Iemand ligt op de tafel, een ander heeft muziek aan, er wordt gekletst. Na vier keer uitleg geven worden docenten wanhopig: kunnen of willen de leerlingen niet? ...
    Ook bij sommige praktijklessen, bijvoorbeeld ‘zorg en welzijn’, is de sfeer rommelig en ongeïnspireerd. Het is onduidelijk wanneer je het goed doet, wanneer het af is en hoe je je werk kunt verbeteren. De spullen liggen niet waar ze horen. Net als in veel andere zorgberoepen waart hier de schaduw van de huisvrouw rond. Zorgen wordt daardoor niet als vak gezien. Ten onrechte, want het is een hele kunst om iemand drinken te geven zonder dat hij zich verslikt of alles langs zijn mond loopt, maar het ambachtelijke hiervan krijgt weinig aandacht.
    Heel anders is de sfeer echter bij techniek. Daar werken leerlingen vaak toegewijd en enthousiast aan werkstukken, alleen of in groepjes. Ze schilderen plinten of maken een pennenbakje. ‘Kijk eens meester, hoe netjes!’ Ze zijn geïnteresseerd en stellen veel vragen.
    Waardoor veranderen lamlendige klieren bij techniek ineens in toegewijde ambachtslieden? De instructies zijn concreet, ze leiden tot tastbare producten en je werkt met mooi, goed geordend gereedschap. Leerlingen worden er niet massaal langs één meetlat gelegd. Hun prestaties worden vergeleken met eerdere eigen prestaties.
    Hier zie je in de praktijk gebracht wat de socioloog Richard Sennett ambachtelijkheid noemt: de langdurige basale menselijke neiging om een taak goed te doen, omwille van de taak zelf. Hoofd en hand werken samen. Ambachtelijkheid vereist diepgaande ervaringskennis van het materiaal waar je mee werkt: van de taaiheid, en hoe je het toch met toewijding en geduld kunt vormen.
   Ambachtelijkheid hoeft niet voorbehouden te zijn aan het vak techniek. Ook iemand eten geven is een ambachtelijke activiteit, die toewijding, geduld en kennis vereist. Het is wel moeilijker dan bij techniek om er passende oefeningen en instructies bij te bedenken.
    Het vmbo en het mbo) hebben de toekomst, mits het moderne ambachtsscholen worden, die passen bij de postindustriële diensteneconomie. Waar ambachtelijkheid centraal staat. Waar je een echt vak leert, inclusief de sociale vaardigheden en kennis die tegenwoordig voor elke functie noodzakelijk zijn. Waar je vooral concurreert met jezelf, zonder de verlammende angst een niveau te zakken. Waar hand en hoofd samen iets moois maken. ...


Red.:   Het heeft wel drie jaar geduurd voordat het kwartje bij Tonkens, natuurlijk ook multiculturalist en kosmopoliet, is gevallen, zie hier uitleg of detail . En zoals de meeste ideologen kon ook zij niet laten haar oude ideeën proberen goed te praten:
 

  Als idee deugt het vmbo. Verlost van aanstaande hoger opgeleide wijsneuzen kunnen praktisch gerichte leerlingen een echt vak leren. Met erkenning van niveauverschillen: daartoe zijn er vier niveaus. Opdat leerlingen die toch meer blijken te kunnen, gemakkelijk kunnen stijgen. En leerlingen die het wat minder doen, niet meteen van school hoeven.
    Er is bovendien een uitgebalanceerde combinatie van theorie en praktijk, in relatief kleine klassen. In de praktische vakken krijg je oefeningen die je later in het echte werk ook tegenkomt.

Het zit in dat 'uitgebalanceerde': voor de gamma-ideoloog is dat een hele dag theorie, met een uurtje praktijkles - de ambachtsschool doet het omgekeerde - enigszins zwart-wit gesteld.
     Nog een belangrijke stap: de erkenning dat lesgeven een vak is waarvoor je ze goed mogelijk gekwalificeerd moet zijn:


Uit: De Volkskrant, 27-05-2010, van verslaggever Gerard Reijn

Academische juffen en meesters

In de Onderwijsagenda zoekt de Volkskrant naar oplossingen voor problemen in het onderwijs. Kan de universitaire pabo het basisonderwijs verbeteren?

In de verkeersles die Janice Wierenga (21) aan groep 6 van de Amersfoortse school Atlantis geeft, is niet veel bijzonders te zien. Wierenga informeert bij de kinderen of die nog weten hoe dat zat met de verkeersregels voor de voetgangers, ze schrijft een paar van die regels op en zet de groep dan aan het werk.
     Niets bijzonders dus, behalve Wierenga zelf. Zij is bijzonder. Ze is van de eerste lichting van een nieuw soort onderwijzer in de maak. ‘Normale’ basisschoolonderwijzers komen van de pabo, een opleiding op hbo-niveau. Maar zij zit op de Academische Lerarenopleiding Primair Onderwijs Alpo, ook wel de Academische Pabo genoemd. Het is een samenwerkingsverband van de universiteit en de hogeschool in Utrecht. Afstuderen levert een universitair (bachelor) diploma onderwijskunde op en een hbo-diploma pabo.
    De Alpo was de eerste academische pabo, maar inmiddels hebben veel universiteiten er een. De academische pabo is een van de meest hoopgevende antwoorden op de volgens velen tanende kwaliteit van het basisonderwijs.
   Wierenga heeft het verschil aan den lijve gemerkt. Ze zat op de pabo, maar dat doorliep ze ‘met twee vingers in de neus’. Toen ze van de Alpo hoorde, schreef ze zich onmiddellijk in, kwam door de selectie (één op de drie studenten werd toegelaten) en nu zit ze in het tweede jaar. ...
    De Lange is het niet opgevallen, maar er is ook een enorm verschil in kennis. Net als pabo-studenten moeten de alpo-studenten in het eerste jaar reken- en taaltoetsen maken. Van de pabo-studenten bleek 38 procent na drie pogingen er nog steeds niet voor geslaagd. Op de Alpo slaagde 98 procent bij de eerste poging voor de rekentoets, en 95 procent voor de taaltoets.   ...


Naar Onderwijsbeleid, lijst , Rijnlands beleid , Rijnlands beleid, overzicht  , of site home .